De weg naar je ware zelf

Nieuws

Hans & Grietje

Alle artikelen, Mythen & sprookjes

SPROOKJES - Sprookjes zijn symbolische vertellingen van de ziel. 'Hans en Grietje' vertelt hoe wij onze mannelijke en vrouwelijke kant moeten ontwikkelen om een volledig mens te worden. Daarnaast waarschuwt het sprookje ons voor de psychische gevaren, zolang we onze innerlijke heelheid niet hebben gevonden.

Carl Jung heeft beschreven hoe de psyche androgyne is en uit een mannelijk en vrouwelijk deel bestaat, welke hij animus (mannelijk) en anima (vrouwelijk) noemde.

In veel sprookjes speelt de ontwikkeling van anima en animus een belangrijke rol. Denk bijvoorbeeld aan de kleine zeemeermin, die de jonge ontwikkeling van de vrouwelijke kant van de psyche, de gevoelswereld, beschrijft. Bovenal beschrijft zij hoe, zonder de gelijkwaardige ontwikkeling van de animus, de ontwikkeling van het ego of ik-bewustzijn blijft hangen in de ongedifferentieerde lagen van de gevoelswereld, in het sprookje verbeeld door de zee. In deze onderwaterwereld voelt de kleine zeemeermin zich weliswaar thuis, maar zij kan zichzelf vanuit haar gevoelswereld niet verbinden met de buitenwereld, getuigen het feit dat zij een zeemeermin is: half mens en half vis. Op land verliest zij haar stem en kan zij geen uiting geven aan de diepte van haar gevoel.

Een dergelijke, half voldane ontwikkeling spelen ook Hans en Grietje parten, die samen met hun vader en stiefmoeder in een huisje aan de rand van het bos wonen.

We moeten er in sprookjes, evenals in dromen, van uitgaan dat alle personages delen van ons zelf verbeelden. In ‘Hans en Grietje’ lezen we dat er in ons een stiefmoeder woont. Dat wil zeggen: een vrouwelijk deel in ons is niet volwaardig ontwikkeld, waardoor we een gebrek ervaren in de gevoelskant. Dit is ook duidelijk aan de hand van de beschrijving van de levenssituatie van Hans en Grietje. Het gezin lijdt onder armoede. Er is te weinig geld voor eten (brood), waarop op een dag de stiefmoeder het idee oppert om de kinderen het huis uit te zetten en hen alleen achter te laten in het bos.

Archetype van de boze stiefmoeder

In veel sprookjes komt het archetype van de boze stiefmoeder voor. Dit archetype gaat over een vrouwelijk deel, een gevoelsdeel, in onszelf dat niet geheeld is. Jung zag de anima als representant van de gevoelsfunctie van de psyche. Een stiefmoeder heeft biologisch geen band met de kinderen en staat verder van hen af dan de biologische moeder. Wanneer in een sprookje de moeder afwezig is, bijvoorbeeld door de dood, dan kun je ervan uitgaan dat het sprookje handelt over een defect aan de gevoelskant. In zo’n geval zorgen we bijvoorbeeld niet als een moeder voor onszelf door ons met liefde en warmte te omwikkelen; een idee wat in ‘Hans en Grietje’ uitgebeeld wordt als het gebrek aan brood.

De symboliek van brood

Brood is meer dan fysieke voeding alleen. Zij staat tevens symbool voor psychische en spirituele voeding, zoals bijvoorbeeld in de christelijke liturgie, waar het brood het lichaam van Christus symboliseert. Oftewel het geestelijk lichaam waarover de mens kan beschikken, nadat hij naar zijn zelfgerichtheid is gestorven en is opgestaan in de geest.

In dit sprookje speelt brood een minder verheven rol. Brood vertegenwoordigt hierin een belangrijke psychische symboliek. Zij staat symbool voor de psychische voeding waarmee we ons innerlijk voeden. Bijvoorbeeld in de vorm van zelfliefde en eigenwaarde. Het hoeft geen betoog dat wanneer in het sprookje de stiefmoeder suggereert om de kinderen uit huis te zetten, dit een teken is van een gebrek aan zelfliefde. De kinderen zijn immers, evenals de stiefmoeder en de vader, facetten van onszelf. Hans en Grietje staan symbool voor de anima en animus in ontwikkeling, de ontplooiing van onze gevoelsfunctie (anima) en rationele functie (animus) die, willen zij tot wasdom komen, behoefte hebben aan een veilig en warm nest. Dit gaat niet alleen op voor de buitenwereld, waarin het kind, net als Hans en Grietje, gebaat is bij een liefdevolle omgeving om op te groeien, maar dit is evenzo waar voor ons innerlijk. In onszelf moeten we goed voor onszelf zorgen, onszelf van voldoende psychisch en geestelijk voedel voorzien, om zo optimaal in onze psychische en geestelijke groei te voorzien.

De houthakker en het bos

Gelukkig hebben Hans en Grietje een vader: de animus, het mannelijk deel van de ziel. Deze is actief en strijdend. In het sprookje neemt de vader het voor Hans en Grietje op wanneer zij door hun stiefmoeder verstoten dreigen te worden. Je zou kunnen zeggen dat de vader de gezonde mannelijke zijde van de psyche vertegenwoordigt. Dit is bijvoorbeeld een goed ontwikkelde cognitie die, ondanks het gebrek aan emotionele voeding, de psyche voedt met heldere inzichten.

De vader is bovendien houthakker. Dit is een belangrijk symbool in het sprookje, zeker ook gezien het feit dat Hans en Grietje aan de rand van een bos wonen.

Het bos symboliseert het onbewuste. Net als het onbewuste van de mens, is zij nog niet door het bewustzijn gecultiveerd. In veel sprookjes, zoals in Roodkapje en in Sneeuwwitje, komt de symboliek van het bos in deze hoedanigheid terug.

In een bos is het ook vaak donker, doordat bomen de inval van het licht tegenhouden. En bossen worden vaak geassocieerd met het leven van wilde dieren, zoals de wolf, de beer en de vos, die oorspronkelijk de Europese bossen bewoonden. Dergelijke dieren staan in sprookjes vaak symbool voor onderbewuste, instinctmatige drijfveren. Opwellingen die voortkomen uit de animale ziel en die nog niet gecultiveerd zijn, zoals in de fabel van Reinaerdt de Vos.

In het sprookje van Hans en Grietje komen verder geen wilde dieren voor – wel een heks en een kat die eerst wit en later zwart kleurt. Het bos vormt hierbij veeleer een decor, dat de lezer iets vertelt over de nog onbewuste toestand waarin de psyche verkeert. De vader probeert in zijn rol als houthakker weliswaar delen van het bos of onbewuste te rooien, maar hij slaagt er blijkbaar niet in om genoeg terrein op het onbewuste te winnen, gezien het feit dat hij met hout hakken te weinig geld verdient.

De witte en de zwarte kat

Een sprookje als Hans en Grietje is prachtig in haar veelzijdige en fijnzinnige symboliek. Het verhaal ontspint zich als een rijk geschakeerd kleed, met fijne borduursels en veel kleine, symbolische details. Kijk bijvoorbeeld naar het volgende zinnebeeld.

De eerste keer dat er te weinig brood op tafel is wordt aangekondigd door een donkere ochtend, wanneer de vader er met zijn kinderen op uit trekt, hoegenaamd om in het bos te werken. In werkelijkheid is hij reeds afstand aan het doen van Hans en Grietje. Het intellect houdt te weinig voeling met de ontwikkeling van de anima en animus. Dit is niet verwonderlijk, gezien het feit dat het intellect – een mannelijke functie – wel (be)redeneren kan, maar niet tot invoelen in staat is, wat een functie is van de anima.

Op de ochtend dat de kinderen het huis verlaten schijnt de volle maan op het dak van het huisje, waarop een witte kat zit.

De maan staat symbool voor het ego of ik-bewustzijn. Dit is een archetypische symboliek, welke niet alleen in veel sprookjes en mythen is uitgewerkt, maar bijvoorbeeld ook in de kabbala of joodse mystiek, waarin de maan gelijk gesteld wordt aan de sefira ‘Yesod’, dat het ego representeert.

Het ego in de mens is het bewustzijn dat op zichzelf opereert en in eerste instantie nog niet in een bewuste verbinding met de ziel staat, gesymboliseerd door de zon. Waar de zon uit zichzelf verlicht is (de ziel, die één is met de goddelijke bron), is de maan of het ego slechts in staat om het licht van de zon te reflecteren. Op haar best waakt de volle maan over de nacht, welke zij verlicht door het zonlicht te reflecteren. Toch, de nacht is, evenals het (donkere) bos, verwant aan de onbewuste schaduwzijde van de psyche. Het feit dat Hans en Grietje er in het donker erop trekken, geeft aan dat de psyche op dat moment verduisterd is. Het ego is niet bij machte om voldoende bewustzijn in de psychische duisternis te schijnen, ondanks het feit dat het volle maan is en zij dus maximaal ‘verlicht’ is. Een feit is dat het bewustzijn in veel gevallen ontoereikend is om een negatieve psychische ontwikkeling te keren.

Wat wel is, is dat er een witte kater op het dak van het huisje van Hans en Grietje zit, dat door het maanlicht wordt beschenen.

De kat staat symbool voor de ziel, de zetel van de hogere bewustzijnsfuncties in de mens. De kat op het dak is een prachtig beeld van de ziel, verbonden met het dak – de bovenkant – van het huisje of de persoonlijkheid. Deze kat is wit, de kleur van bewustzijn. En het is dankzij het heldere bewustzijn van Hans dat het plan van de ouders mislukt. Nadat hij en zijn zusje zijn vader en stiefmoeder overhoord heeft en hij hun boze voornemen kent, gaat Hans op zoek naar kiezelsteentjes die hij op weg van huis strooit om de terugweg te markeren. Je kunt dit zien als een ingeving van de ziel die in een donkere, negatieve situatie als deze intuïtief handelt en het juiste inzicht aanreikt of de juiste beslissing neemt, waardoor een mogelijke catastrofe wordt afgewend.

Dankzij de ingeving van Hans vinden de kinderen de weg terug naar huis. Voor even is de situatie gered. Maar gezien de slechte innerlijke toestand is het een kwestie van tijd totdat de onbewuste psyche zich opnieuw wreekt. Eén maand later – het is opnieuw volle maan – besluiten vader en stiefmoeder om de kinderen nu echt in het bos (onbewuste) achter te laten. Ditmaal zit er geen witte, maar een zwarte kater op het dak – een slecht voorteken.

De ziel (kat) kan het tij niet keren; de psychische nood is te hoog. Bovendien zijn er van binnenuit saboterende krachtende aan het werk. De boze stiefmoeder doet ’s nachts de deur van het huisje op slot, zodat Hans geen kiezelsteentjes kan gaan zoeken. Hans heeft nu niets anders meer voorradig dan de laatste kruimels brood die hij gebruikt om de weg uit het onbewuste, terug naar huis, te markeren. Maar de broodkruimels worden door vogels opgegeten en Hans en Grietje blijven alleen achter in het bos.

De poging van de boze stiefmoeder of de kille, onderontwikkelde gevoelskant is geslaagd. Deze mens heeft zichzelf van verdere innerlijke voeding en groei afgesneden. Hij is hard en meedogenloos naar zichzelf toe, ontzegt zichzelf liefde en stort zichzelf verder in duisternis. In het echte leven kan dit betekenen dat iemand, aanbeland op dit dieptepunt, zijn ‘heil’ zoekt in zelfdestructie, bijvoorbeeld in de vorm van een verslaving of een destructieve relatie. In het geval van Hans en Grietje betekent dit dat zij uiteindelijk in de handen vallen van de heks die in het bos woont.

De werking van projectie

Voordat Hans en Grietje bij het huisje van snoepgoed van de heks aankomen, moet je het mechanisme van projectie begrijpen.

Eenvoudig gezegd, alles wat je innerlijk niet ontwikkelt en bewust maakt, probeert de psyche compensatorisch vanuit de buitenwereld naar binnen te halen. Een bekend voorbeeld is hoe mensen met weinig eigenwaarde langs de weg van status en rijkdom compensatorisch hun gebrek aan waarde proberen op te vullen. Iemand met weinig eigenliefde kan hetzelfde trachten te doen door in relaties op zoek te gaan naar liefde. Beiden komen bedrogen uit. Met alle geld van de wereld, kun je nog steeds een gebrek aan eigenwaarde hebben van hier tot Tokyo. En degene die dacht dat hij of zij liefde bij een partner zou vinden, ervaart veelal een zelfde gebrek aan liefde en warmte, welke ook in het innerlijk speelt. Er geldt immers: ‘zo binnen, zo buiten’. De buitenwereld is volgens exacte mystiek-metafysische wetten een afspiegeling van de binnenwereld. We komen in de buitenwereld tegen, wat resoneert met ons innerlijk. Wie vanuit innerlijke armoede op zoek gaat naar liefde, zal volgens de wet van correspondentie mensen aantrekken die even arm zijn in liefde als zijzelf.

Hans en Grietje staan symbool voor een tekortkoming in zowel de anima, als de animus. Hun kind zijn verwijst naar een infantiele, nog in ontwikkeling zijnde mannelijke en vrouwelijke kant. Het zal geen verwondering wekken dat zij op hun zoektocht naar de weg terug naar huis, in de handen van een heks vallen die bij uitstek symbool staat voor disfunctionaliteit en zelfs kwaadwillendheid. De heks is het archetype van de schaduw, de donkere, onbewuste en destructieve kant van onze psyche. Maar evenals de persoon met een gebrek aan zelfliefde op compensatorische wijze op zoek gaat naar mierzoet gesuikerde romantiek in de buitenwereld, laten Hans en Grietje zich in hun onbewust zijn misleiden door een buitenkant die te mooi is om waar te zijn, zoals altijd in het geval van substituten.

Surrogaatoplossingen en substituten: huisjes van snoepgoed

Via projectie gaan Hans en Grietje compensatorisch op zoek naar een substituut voor de liefde, welke zij binnenshuis (innerlijk) ontberen. Er is immers geen heilzame, moederlijke archetypische kracht in de psyche aanwezig of voldoende brood op de plank. Hans en Grietje staan bovendien symbool voor nog onvoldragen en onvolwassen krachten, wat betekent dat zij over onvoldoende onderscheidinsgvermogen beschikken. Dit alles wordt hen fataal wanneer zij, verdwaald in het onbewuste, diep in het bos bij een huisje van snoepgoed aankomen.

De huisjes van snoepgoed kennen we allemaal. Het zijn de veelbelovende substituten waarvan we veel verwachten, maar die bedrogen uitkomen. Dat klopt ook. We hebben ons laten misleiden door onze projecties.

Een voorbeeld uit eigen ervaring. Tijdens een (lange) periode waarin het niet ged met me ging werd ik eens intens verliefd. Mijn verliefdheid kende geen grenzen en was eigenlijk een manische vlucht in een relatie, waarvan ik toen verwachtte dat het al mijn problemen zou oplossen. Vele tekenen verraadden dat het hier om een snoephuisje ging. Ik leefde op een roze wolk die te rooskleurig was. Onderwijl werd ik steeds hysterischer. Een psychose kondigde zich aan. Ik wilde dit niet onder ogen zien en bleef volhouden dat mijn gevoelens een, weliswaar extreme, uiting van verliefdheid waren.

Natuurlijk is dit huis van suikergoed op een dag ingestort. Mijn partner, die het gevoel had dat ik als een verslindende heks was, zette me buiten en ik bleef alleen achter in het bos (onbewuste), samen met mijn infantiele animus en anima.

Dit voorbeeld toont aan hoe iemand met een nog infantiel ontwikkelde animus en anima, niet alleen via de mechanismen van projectie en compensatie op zoek gaat naar een substituut voor het eigen innerlijk gebrek. Maar hij/zij is tevens zelf de heks die de ziel van binnenuit opvreet, omdat hij zich voedt met surrogaatoplossingen. In mijn geval was mijn ‘verliefdheid’ het gevolg van een nog kinderlijke gevoelswereld (anima) en een gebrek aan inzicht (animus). In een partner zocht ik een substituut voor een moeder. Maar snoepgoed kan nooit een vervanging voor voedsel of brood zijn dat lichaam en ziel werkelijk voedt.

Knibbel, knabbel, knuisje, kom maar in mijn huisje!

Op de derde dag na hun vertrek ontmoeten Hans en Grietje een sneeuwwit vogeltje, dat ze volgen naar het huisje gemaakt van koek en ramen van witte suiker.

In het sprookje spelen vogels een belangrijke symbolische rol. Eerder waren het al vogels die de broodkruimels hadden opgegeten. In een andere versie van het sprookje dacht Hans in plaats van een witte kat een duif in het maanlicht te zien. En nu is het dus een sneeuwwit vogeltje dat Hans en Grietje op het spoor van de heks zet. Hoe moeten we de onschuld die van deze symboliek uit gaat rijmen met de wending die het sprookje krijgt?

Vogels staan symbool voor de ziel. De vogel hoort in de lucht, het rijk van de geest, thuis, maar bouwt zijn nest op aarde, waar zij voedsel vinden.

De vogels die de broodkruimels opeten geven dus uiting aan de intentie van de ziel, die blijkbaar wil dat de mens als Hans en Grietje de weg in het onbewuste verliest. Waarom zou de ziel dit willen? Omdat in een sprookje als deze een belangrijke les schuil gaat. Juist door in de handen van de heks te vallen, komt de mens tot ontwaken omtrent de infantiliteit van zijn bewustzijn en spoort hij zichzelf aan om verder te groeien. Als ik mijn psychosen niet had beleefd, was ik nooit tot inzicht gekomen omtrent de noodzaak te transformeren. Zo ook begeleidt een sneeuwwit vogeltje de kinderen naar het naderende onheil. De ziel doet dit in de wetenschap dat beproevingen nodig zijn om bepaalde zielendoelen te verwezenlijken.

De kinderen eten vervolgens van het huisje van koek. Opnieuw een prachtig detail.

Huizen staan symbool voor de persoonlijkheid en met het opeten van het huisje, geeft het sprookje aan hoe de mens die zijn heil in surrogaatoplossingen zoekt, uiteindelijk zijn eigen persoonlijkheid ondergraaft. Dat is nodig, want alleen als een leven gebaseerd op illusies instort, kan de werkelijke staat van de ziel onder ogen worden gezien en kan begonnen worden met het vinden van de oplossing. In het geval van Hans en Grietje is de werkelijkheid nietsontziend: in hen woont een heks, een zelfdestructieve kracht, die de persoonlijkheid van binnenuit verteert.

Merk op hoe het sprookje doortrokken is van negatieve vrouwelijke archetypen. Eerst was er de boze stiefmoeder, nu is er de heks. Beiden zijn verschillende manifestaties van dezelfde ziel. Het verhaal toont ons dat wanneer we diep in het woud van onbewust zijn doorgedrongen, we daar geconfronteerd worden met het werkelijke gezicht van dit vrouwelijke archetype. In deze mens leeft niet slechts een ijzige anima, maar een verterend gevoel dat zich als een parasiet voedt met oorspronkelijke positieve facetten van de ziel, zoals Hans, die het dagend, maar nog onvolgroeid inzicht personifieert.

In eerste instantie hebben de kinderen dit niet in de gaten. Ze zijn al lang blij dat ze bij een huisje, nota bene gemaakt van suiker, zijn aangekomen en vol verwachting volgen ze oude vrouw naar binnen toe, waar ze melk en pannenkoeken te eten krijgen. Tevreden gaan de kinderen naar bed. Hun bewustzijn slaapt en ze hebben niet in de gaten dat ze in de handen zijn gevallen van een heks, die voornemens is om Hans vet te mesten om hem op te eten.

Dagend inzicht

Zoals altijd in het geval van illusies en surrogaatoplossingen – ze werken niet. Alleen de mens die nog geheel van ziel is afgesloten, kan zichzelf lange tijd voor de gek houden en zijn geweten, de stem van de ziel, sussen. De kans is groot dat hij deze stem niet eens hoort. Mensen wiens bewustzijn verder is ontwikkeld en in wie de stem van de ziel als het fluiten van een vogel helder klinkt, zullen vrijwel meteen tot inkeer komen.

Grietje wordt door de heks als een sloof aan het werk gezet. Heel het sprookje getuigt van een gebrek aan waardering voor het vrouwelijk – de geborgenheid van het gevoel, die voor de persoonlijkheid is als een open haard of een op hout gestookt fornuis. Grietje krijgt enkel kreeftenschalen te eten. Het astrologisch teken Kreeft staat symbool voor de ziel en de anima, waarbij de laatste term zowel Latijn is voor ‘ziel’, als voor de vrouwelijke kant van de psyche. Al wat Grietje te eten krijgt zijn de lege schalen van de ziel en het vrouwelijk.

De heks zelf heeft rode ogen en een slecht zicht. Zij staat symbool voor een onbewust complex in de psyche, een blinde vlek die het mannelijke inzicht gijzelt. Vaak worden we zo door onze schaduwzijde in beslag genomen, dat we letterlijk niet meer bij zinnen zijn en we niet langer logisch over onze situatie kunnen nadenken. We hebben onze realiteitszin verloren en zitten, net als Hans, gevangen in de kooi van het onbewuste.

De alomvattende wijsheid van de ziel

Het sprookje nadert nu zijn climax en hierin ligt een parel van wijsheid besloten.

Zoals gezegd, was het de ziel zelf, het sneeuwwitte vogeltje, die Hans en Grietje met voorbedachten rade naar het huisje van snoep had geleid. Juist in de ontmoeting met onze diepste schaduw kan de wijsheid van de ziel doorbreken.

Een gezegde luidt: ‘nood breekt wet’. Als we de status quo niet langer kunnen voortzetten en we in een crisis belanden, moeten we ons wel wenden tot de diepere wijsheid van de ziel die altijd juist is, maar die beangstigend kan zijn om op te volgen, omdat zij ons uit de comfortzone van het ego weg leidt.

De heks voelt elke dag aan de vingers van Hans om te bepalen of hij vet genoeg is. Hans steekt steeds een botje naar buiten en de heks is verbaasd dat hij zo mager blijft. In werkelijkheid voedt Hans zichzelf met eten. Dat wil zeggen: met de tijd die hem tijdens de impasse gegeven wordt. Zo komt hij langzaam maar zeker tot wijsheid, terwijl de heks, de blinde vlek in onze psyche, in de waan blijft dat het ware inzicht uit blijft en zij kan volharden in haar destructieve blindheid.

Op een dag is het geduld van de heks op. Blinde impulsen in onze psyche hebben geen geduld om tot een werkelijke oplossing te komen voor problematische levensthema’s. Maar sluiproutes en afkortingen werken niet. Ze zijn als huisjes van suikergoed. Op het eerste gezicht aanlokkelijk, maar op het moment dat je het substituut voor je zielenpad hebt bemachtigd, weet en voel je dat het niet klopt. Alleen de oplossingen van de ziel zijn duurzaam bevredigend en het is Hans, de animus, die tot inkeer komt en inzicht krijgt in de wijsheid van zijn ziel. Grietje, de anima, komt eveneens tot inzicht, om de eenvoudige reden dat mannelijk en vrouwelijk niet werkelijk zijn gescheiden. Het zijn in wezen concepten die het bewustzijn op de ziel projecteert om onderscheid te maken tussen de werking van het verstand (mannelijk) en het gevoel (vrouwelijk). In werkelijkheid zijn yin en yang onlosmakelijk met elkaar verbonden en lopen in elkaar over, zoals verbeeld in het Tai Chi symbool.

De heks geeft Grietje opdracht om water te halen, waarin ze Hans kan gaan koken. De bakoven is al gestookt en de heks is van plan om Grietje hierin te duwen. Grietje doet alsof ze dom is en laat de heks voordoen hoe ze het brood erin moet stoppen, waarna ze de heks zelf in de oven duwt! Grietje bevrijdt Hans. Anima en animus zijn bevrijd van de vloek van onbewust zijn en samen gaan ze het huisje binnen, waar ze kisten vol parels en edelstenen vinden. Deze stenen stopt Hans in zijn zak en Grietje laadt haar schortje vol. Gevoed met de parels van wijsheid en het geëdeld verstand, vinden Hans en Grietje hun weg terug naar huis.

Lysis

Het sprookje loopt goed af. Het verhaal heeft een ‘lysis’, een Grieks woord dat zoveel betekent als ‘ontknoping’. Er zijn ook sprookjes die niet goed aflopen. Deze verhalen over een deel van de reis van de ziel, zonder dat er nog zicht is op een definitieve oplossing of waarbij de mens zodanig in zijn onbewuste verstrikt raakt, dat er, in ieder geval in dit leven, geen zicht is op een oplossing. Een sprookje als ‘Het meisje met de afgekapte handjes’ is zo’n verhaal dat slecht afloopt.

In Hans en Grietje zijn animus en anima tot inkeer gekomen. Wanneer de kinderen bij hun ouderlijk huis aankomen, treffen ze hun vader aan die geleden heeft onder het verlies van zijn kinderen. De stiefmoeder is gestorven; zij was dezelfde blinde, destructieve anima waaruit ook de heks voortkwam. Herenigd met hun vader, breken er gelukkigere tijden aan, waarin het gezin niet langer in armoede leeft. Hans en Grietje hebben immers parels en edelstenen of wijsheid van de ziel verworven.