De weg naar je ware zelf

Nieuws

De symboliek van de Toverfluit

Alchemie, Alle artikelen, Mystiek & gnosis, Mythen & sprookjes

ALCHEMIE - Sinds onder andere Tjeu van den Berk de symboliek van Mozart’s opera ‘De Toverfluit’ ontleed heeft, weten we dat de curieuze opera een alchemistische vertelling is. Hoofdpersonages die als vreemde vogels gekleed zijn, blijken bij nadere beschouwing personificaties te zijn van het alchemistische element kwik dat de geest symboliseert.

Papageno en Papagena verbeelden het mannelijk en vrouwelijk in de geest dat zich als kwikzilver met elkaar moet verbinden om hieruit een hogere binding tot stand te brengen: ‘het kwik der wijzen’. Dit is het alchemistische goud waarnaar de alchemisten steeds op zoek zijn. Het betreft uiteraard geen letterlijk, fysiek goud, maar een symbool voor de grootst mogelijke transformatie, wanneer aan lagere psychische elementen het zuivere goud, de steen der wijzen, is onttrokken: de bevrijding van de geest uit de stof, doordat de ziel zich niet naar de stof, maar naar de geest heeft gericht. In christelijke symboliek is dit het moment van de hemelvaart van Christus en, nog belangrijker, het moment van Pinksteren, wanneer de heilige geest terug neerdaalt op aarde en de stof opnieuw bevrucht met nieuwe, generatieve geestelijke krachten.

Dit is de kern van de opera van Mozart, die zelf een actief vrijmetselaar was in het Wenen van de laat achttiende eeuw. Je hoeft niet de hele opera – alle ‘inns & outs’ – te kennen om de krachtige symbolische betekenis van de Toverfluit te bevatten. In dit artikel duid ik enkele ‘highlights’ aan.

Belangrijke aanduidingen

Om de Toverfluit juist te begrijpen, dien je enkele zaken voor ogen te houden.

Ten eerste, zij is een alchemistische allegorie, waarbij alle personages alchemistische elementen en symbolieken voorstellen. Hierbij staan twee paren of tegenpolen centraal die bij elkaar gebracht moeten worden. Dit zijn Papageno en Papagena, de mannelijke en vrouwelijke tegenpool in de geest. Afzonderlijk verbeelden zij het mercuriale kwikzilver, dat net zo fluïde is als geest en dat tot geen enkele categorie van de vier elementen gerekend kan worden. Kwikzilver is vloeibaar als water, gasachtig als lucht en vast als aarde. Wanneer ze verhit (vuur) wordt, kan ze zo in damp oplossen of vervluchtigen als geest. Afzonderlijk vertegenwoordigen Papageno en Papagena het ‘lagere’ kwikzilver, maar als paar waarin mannelijk en vrouwelijk met elkaar verbonden zijn, symboliseren ze het ‘kwik der wijzen’ of de gesublimeerde heilige geest.

In de Toverfluit is nog een belangrijk paar dat bij elkaar gebracht moet worden: zij heten Tamino en Pamina. Tamino is een prins uit Japan, het land van de rijzende zon, en verbeeldt daarmee de ziel, welke door de alchemisten met het element zwavel in verband werd gebracht. Net als zwavel, dat gemakkelijk ontvlamt, is de individuele ziel in haar zuivere kern een godsvonk of een vlam van de universele geest. Pamina staat symbool voor het lichaam, dat met het element zout in verband wordt gebracht. Om ziel (zwavel) en lichaam (zout) met elkaar te verbinden is de bemiddelende functie nodig van de geest (kwik). Zonder de levensadem of pneuma van het goddelijke, kan de stof niet bezield of tot leven komen. In Genesis 2:7 staat dit als volgt beschreven:

“Toen vormde de Heer God de mens uit het stof van de aardbodem en blies de levensadem in zijn neusgaten; zo werd de mens tot een levend wezen.”

Het doel van de alchemisten was om door de uitzuivering van de vier elementen (aarde, water, lucht, vuur) lichaam, ziel en geest te sublimeren, waarbij lichaam (zout) en ziel (zwavel) middels de transformerende en de getransformeerde geest – het ‘kwik der wijzen’ – in een perfecte verhouding met elkaar kwamen, waardoor de heilige geest in de belichaamde ziel kan afdalen, zoals de discipelen van Jezus de geest ontvangen na zijn kruisiging en hemelvaart. In de Toverfluit moeten Pamina en Tamino door de bemiddelende functie van de mercuriale geest van Papageno bij elkaar gebracht worden. Papageno symboliseert in deze opera namelijk ook de Griekse god Hermes, door de Romeinen ‘Mercurius’ genoemd, die de taak heeft om te bemiddelen tussen hemel en aarde. Maar hiertoe moet Papageno ‘gebonden’ worden. Dat wil zeggen: de geestige kwik moet ‘gevangen’ worden in een hermetisch vat, anders vervluchtigt zij en ontspringt zij aan elke noodzakelijke binding. In de opera zien we Papageno dan ook bijna hilarische ontsnappinsgpogingen doen om aan een verbinding met zijn vrouwelijke wederhelft Papagena te ontkomen.

Het is belangrijk dat je boven omschreven eigenschap van Papageno – zijn supervluchtige karakter – beseft, omdat je dan ook kunt inzien hoe belangrijk tijdens het alchemistisch stoookproces het hermetisch sluiten van het mengvat of de stookoven is. Papageno, de nog onbewuste geest, wil op alle mogelijke manieren, net als kwik, een duurzame verbing ontvliegen en dus zal hij er tijdens het stookproces er alles aan doen om de dans te ontspringen. Op een gegeven moment is hij zelfs van plan om zelfmoord te plegen, zo bang is hij om met Papagena verbonden te worden.

Het alchemistisch huwelijk

In de Toverfluit en tijdens het alchemistisch proces draait alles om het samenbrengen van tegenstellingen, zoals lichaam (Pamina) en ziel (Tamino), zodat uiteindelijk het ‘heilig huwelijk’, door alchemisten plechtig aangeduid als het ‘coniunctum oppositorum’, voltrokken kan worden. Hiervoor moeten Papageno en Papagena een hogere verbinding met elkaar aangaan en tot het ‘kwik der wijzen’ worden.

Tamino, die de ziel personifieert, wordt tijdens de opera beproefd en ingewijd in de geheimen van de geest. De alchemie staat immers in dienst van zijn verheffing. In plaats van zich tot de materie te richten, moet Tamino zijn leven wijden aan hogere geestelijke idealen, waarvoor hij veel – zo niet, alles – moet opofferen.

Het begint ermee dat Tamino het lichaam, verbeeld door Pamina, moet opofferen. Dit wordt in de opera als volgt verbeeld.

Pamina, de dochter van de Koningin van de Nacht, is door Sarastro, de priester van de zonnetempel, ontvoerd. Sarastro’s dienaar, de Moor Monostatos, heeft Pamina niet alleen ontvoerd, maar ook verkracht. De Koning van de Nacht is overleden. En Tamino, met gouden dwarsfluit, komt ten tonele, waar hij Papageno, met syrinx of panfluit, ontmoet. Stel je verder de bijzondere verschijning van Papageno voor. Hij heeft een pauwenstaart en op zijn hoofd draagt hij pauwenveren. Toch, hij heeft geen vleugels, want hij stelt tevens een vogel voor met gekortwiekte vleugels. Op zijn rug draagt hij een vogelkooi, waarin hij de vogels die hij ’s nachts met zijn fluitspel betovert in vangt. In de ochtend offert hij zijn nachtelijke vangst aan vogels aan de Koningin van de Nacht. Ook heeft hij een portret van Pamina bij zich, de geroofde dochter van de Koningin van de Nacht. Dit portret laat hij aan Tamino zien, die op slag op Pamina verliefd wordt. Het is nu aan de prins en de ziel Tamino om, begeleid door Papageno, zijn ‘prinses’ Pamina te redden uit de handen van de zonnepriester Sarastro en zijn donkere dienaar Monostatos. Maar is dit ook de bedoeling?

Dit beschrijft nog maar de beginscène van de opera. Je kunt je voorstellen hoe een publiek dat geen kennis heeft van alchemie geen touw aan de verhaallijn kan vastknopen. Dit was ook effectief het geval. De Toverfluit is altijd geprezen om Mozart’s muziek, maar afgekraakt om haar verhaal, omdat niemand de diepere alchemistische grondslag ervan doorzag. Zelfs voor een ingewijde is het lastig om de symbolieken juist te duiden. Waarom bijvoorbeeld heeft een priester van een zonnetempel de dochter van de Koningin van de Nacht ontvoerd? De zon staat immers toch symbool voor een verschijning van het goddelijke? En waarom heeft een priester die het goddelijke is toegewijd een Moor in dienst die niet alleen ontvoert, maar ook verkracht?

Zoals gezegd, de ziel moet in eerste instantie ‘alles’ offeren om het hogere – de heilige geest – te kunnen ontvangen. Zolang de ziel gebonden is aan de duistere krachten van de aarde, verbeeld door de Koningin van de Nacht, maakt zij geen kans op bevrijding. Nu de Koning van de Nacht is gestorven, is ook het laatste beetje wijsheid verdwenen. Deze wijsheid behelst het idee dat het lichaam (Pamina) in de leer moet gaan van de zonnepriester Sarastro om verlicht te worden. Maar daar moeder en dochter dit weigeren, zit er voor Sarastro niets anders op dan Pamina te ontvoeren. Dit gebeurt door Monostatos, die het door duisternis bevangen verstand symboliseert, welke op lichaam en ziel als een donkere en verkrachtende kracht inwerkt. Het hele doel van alchemie en van de opera is het verlichten van lichaam (Pamina die door Sarastro wordt ingewijd) en ziel (Tamino die beproefd wordt en door Papageno wordt begeleid), zodat beide de gesublimeerde geest (Papageno en Papagena die zelf ook transformeren) kunnen dienen, zodat lichaam, ziel en geest uiteindelijk opnieuw in een heilig, alchemistisch huwelijk kunnen samen gaan.

Het Isis mysterie

Zie je hoe ingenieus deze opera in elkaar steekt? Eeuwenlang is haar inhoudelijke betekenis ontkent en geridiculiseerd. De teksten werden gewijzigd, omdat niemand inzag dat élk detail een geheime, door vrijmetselaren aangebrachte vingerwijzing is naar een dieper, mystiek geheim. Het doel van de Toverfluit is om op allegorische wijze de bevrijdingsweg van de ziel aan de toehoorder die werkelijk ‘hoort’ te onderwijzen. Dit alles vindt plaats tegen de achtergrond van een Egyptisch decor – nog zo’n element dat voor het christelijke publiek slechts als ‘excentriek’ en ‘exotisch’ werd beleefd, maar niet als een overduidelijke verwijzing naar het Egyptische Isis mysterie en de daaraan verbonden inwijdingsweg.

Evenals aan het begin van de Toverfluit, waar de Koningin van de Nacht als weduwe achter is geblijven, blijft in de mythe van Isis en Osiris de eerste als weduwe achter, nadat haar mannelijke partner Osiris door zijn duistere broer Seth is vermoord. Dit thema, waarin een ‘lichte’ broer door een ‘duistere’ broer wordt vermoord, is universeel en komt bijvoorbeeld ook voor in de bijbel in het verhaal van Kaïn die zijn broer Abel vermoordt. Seth heeft Osiris in veertien stukken gesneden, welke Isis tijdens een inwijdingsweg bij elkaar moet zoeken om deze weer samen te smeden tot een nieuwe godmens. Nadat de nieuwe Osiris herrezen is, heeft hij seksuele gemeenschap met Isis, waaruit tot slot Horus, de valkgod wordt geboren. Deze staat symbool voor een hogere synthese tussen mannelijk (Osiris) en vrouwelijk (Isis), waarin de geest zichzelf in de mens op een hoger niveau tot uitdrukking brengt.

In de tarot wordt de godin Isis verbeeld als de hogepriesteres (tarotkaart II).

 

 

 

 

 

 

 

 

Zij is deels gesluierd in een lichtblauw gewaad dat zij over een witte jurk draagt. Gekroond met een mijter die de verbinding met de goddelijke wijsheid uitbeeldt en met de Tora of de goddelijke wet juist ontrold, houdt zij het evenwicht tussen de twee kabbalistische zuilen: Boaz (B) en Joachin (J) – het kosmische negatieve, vernietigende principe van gestrengheid (donkere zuil) en het positieve, scheppende principe van overvloed (lichte zuil). Achter haar bloeit de levensboom uit het paradijs open in granaatappels: vruchten die alleen tot leven komen, nadat het zaad diep in de donkere aarde begraven is geweest. In de Toverfluit verbeelden Monostatos en de gestorven Koning van de Nacht (Osiris) het principe volgens welke de ziel zich eerst diep in de materie moet storten en moet sterven, voordat zij opnieuw met een hoger geïnspireerd bewustzijn bevrucht kan worden door Isis, het barende principe dat alleen geboorte aan een nieuw leven kan geven nadat zij de inwijdingsweg gegaan is. De Koningin van de Nacht symboliseert het lagere principe van Isis, dat nog onwetend is omtrent de geestelijke kennis – door kabbalisten ‘Daath’ genoemd (de bol op de mijter van de hogepriesteres). Zij wilde daarom haar dochter Pamina, het fysieke, niet afstaan voor de noodzakelijke inwijding in de tempel van de zon, beheerd door Sarastro en zijn vernietigende, aardse aspect Monostatos. Tegelijkertijd ondergaat de hogere Isis, verbeeld door Papagena, de vrouwelijke wederhelft van Papagena, in geestelijke gebieden in de inwijdingsweg die door Tamino (ziel) en Pamina (lichaam) wordt uitgevoerd, als zij voor allerlei testen en beproevingen worden geplaats. Dit stil zwijgende ‘ondergaan’ van de geestelijke inwijding wordt door de zittende hogepriesteres verbeeld. Ogenschijnlijk zit zij stil, maar zij behoudt een meditatief evenwicht tussen de op haar inwerkende kernkrachten van Boaz en Jachin, het vernietigende en het schepppende principe van de kosmos. Papageno, het hypervluchtige kwikzilver die als een wind door alle elementen, toestanden en beproevingen van het alchemistisch transformatieproces heen waait, probeert onderwijl steeds weer aan de intense druk van de op de ziel (Tamino) en lichaam (Pamina) inwerkende geestelijke krachten te ontsnappen. Weet de alchemist de geest van Hermes-Mercurius in het mengvat – het ‘vas hermeticum’ – gevangen te houden, dan kan het grote werk – het ‘magnus opus’ van de alchemisten – zich voltrekken in een transmutatie van de stof (lood) tot geest (goud). In het Isis mysterie is dit de valkgod Horus die als een ware feniks uit de as van de ten gronde gerichte Koning van de Nacht (Osiris) herrijst. In het bijbelverhaal van Kaïn en Abel wordt de nieuwe, derde zoon van Adam en Eva Seth genoemd.

Papageno

Een verhandeling over de Toverfluit is niet compleet zonder uitgebreid stil te staan bij Papageno, de curieuze hoofdfiguur van de opera. Hieronder staat Papageno afgebeeld zoals deze in de opera oorspronkelijk is gekleed.

Zoals eerder beschreven verbeeldt Papageno ene dubbelnatuur uit. Aan de ene kant verpersoonlijkt hij de belofte van de realisatie van het grootste ideaal: het heilig huwelijk tussen ziel en geest, waarbij de eerste zich door haar geestelijke natuur laat leiden in plaats van de fysieke natuur. Hiermee realiseert de alchemist de geestziel in zichzelf en verheft hij de ziel uit haar gevangenschap in de natuur. Zolang de ziel is ingekapseld in de onbewuste fysieke natuur is zij vatbaar voor allerlei zielsziekten. Dit is de toestand van de natuurziel – de status quo van de mens. Deze natuurziel wordt door Papageno verbeeld in het ontbreken van vleugels, waardoor de boodschapper der goden in feite gecastreerd of gekortwiekt is.

De taak van Papageno is, net als zijn dubbelnatuur, tweevoudig van aard.

Aan de ene kant wordt hij er door de Koningin van de Nacht, die nog in onbewust is van haar ware geestelijke natuur, erop uit gestuurd om ’s nachts vogels te vangen. Deze lokt hij met zijn panfluit. Aan de andere kant heeft hij de taak om in opdracht van Sarastro, de priester van de zonnetempel, de prins Tamino – de aspirant ingewijde – te begeleiden tijdens doorheen de beproevingen op zijn inwijdingsweg. De inwijding is alleen geslaagd wanneer Tamino en Pamina, ziel en lichaam, mannelijk (animus) en vrouwelijk (anima) met elkaar verenigd worden. Dit kan echter alleen gebeuren wanneer Papageno zich eveneens met zijn vrouwelijke wederhelft, Papagena, verbindt. In deze hoedanigheid verbeelden Papageno en Papagena de logos en de eros van de geest. De eerste sis de actief ingrijpende wijsheid van het goddelijke. De tweede is het passief ontbankelijke begrip van de universele wetten, waarop de ziel zich oriënteert. Papageno kan zijn tweede taak – het begeleiden van Tamino – alleen vervullen door middel van zijn tweede instrument: het zilveren klokkenspel. Hiermee laat hij de muziek der sferen weerklinken, waarop de ziel Tamino zich op zijn geestelijke inwijdingsweg kan oriënteren.

Wat is nu de betekenis van het vangen van vogels?

Vogels worden van oudsher gezien als symbolen van de ziel. Aan de aarde gebonden, leven zij hun ware natuur uit hoog in de lucht. Papageno en Papagena zijn menselijke vogels: net als de mens aan de aarde gebonden, maar geestelijk van natuur.

Tijdens de nacht, als lichaam en verstand te ruste zijn gelegd, is de ziel in staat om zich vrij als een vogel door de hogere geestelijke sferen te bewegen, waar zij nieuwe inzichten op doet om haar leven op aarde voort te zetten. Door elke nacht opnieuw vogels te vangen, sprokkelt Papageno de noodzakelijke geestelijke inzichten bij elkaar die uiteindelijk tot de bevrijding van zijn ziel (Tamino) moeten leiden. Papageno lokt de vogels met zijn panfluit dat, in tegenstelling tot het zilveren klokkenspel, een aards instrument vertegenwoordigt. Hij draagt de vogels bij zich in een vogelkooi, dat symbool staat voor het hermetische vat waarin de transformatie van de ziel plaats vindt. Het spreekt voor zich dat hij de vogels bij het ochtendgloren, als het verstand weer ontwaakt, offert aan de Koningin van de Nacht – het deel in ons dat nog onbewust is.

De steen der wijzen

Het uiteindelijke doel van het alchemistische transformatieproces is het verkrijgen van de steen der wijzen (in het Latijn: ‘lapis philosophorum’). We weten dat hiervoor de inwijding van Tamino in de zonnetempel van Sarastro moet slagen. Deze inwijding is alleen geslaagd als ziel en lichaam op een hoger bewustzijnsniveau opnieuw met elkaar worden verenigd, mét bemiddeling van de gesublimeerde geest van Papageno en Papagena.

In de opera wordt de sten der wijzen op verschillende wijzen verbeeld. Tamino speelt een gouden dwarsfluit – een verwijzing naar de ‘metalen wortel’, waarvan alchemisten zeiden dat deze uit de aarde opgediept moet worden, om hieuit de steen der wijzen – het alchemistisch goud – te kunnen vervaardigen. Eerder zagen we al dat de ziel eerst tot de diepten van de aarden moet afdalen, zoals Dante begeleid door Vergilius eerst ten onder moet gaan in de negen ringen van de hel voordat hij de louteringsberg kan beklimmen. De onbewuste duisternis van de ziel, gevangen in materie, moet eerst onder ogen worden gekomen. Deze aardse duisternis is de oerchaos of ‘prima materia’ (lood) waaraan het goud met bemiddeling van het kwik onttrokken moet worden. Pamina, in de handen van Monostatos, verbeeldt deze duistere fase, door de alchemisten aangeduid met ‘nigredo’ (zwart).

We hebben al gezien dat de gevangenneming van Pamina door Sarastro een doel dient. In de zonnetempel wordt de duisternis van het lichaam afgewassen, zodat de ziel gezuiverd wordt, welke in de alchemie wordt aangeduid met de fase van ‘albedo’ (wit). Tijdens het zuiverings- en sublimatieproces speelt Tamino de klanken van de ziel, welke resoneren met de muziek der sferen. Uiteindelijk moeten ziel en kosmos hetzelfde lied gaan spelen, waarvan het geluid van het zilveren klokkenspel van Papageno de voorbode is. Zilver is na goud de zuiverste of edelste substantie. Op een bepaald moment krijgt Papageno dan ook drie geschenken: helder water, een steen en een gouden slot op zijn mond. Het heldere water is een verwijzing naar het ‘mercuriale water’ of het water van de geest. De steen is de steen der wijzen en het gouden slot op de mond is de verplichting tot geheimhouding, wat voor elke alchemist en ingewijde gold. Het slot verwijst ook naar het hermetisch sluiten van het vat.

In de derde en laatste fase van het alchemistische proces, welke ‘rubedo’ wordt genoemd, kan de zon uiteindelijk herrijzen. De rijzende zon schijnt een rode gloed in de ziel van de mens en kondigt hiermee een nieuwe geestelijke dageraad aan. Hiermee eindigt het alchemistisch proces en de opera. Pamina slaagt voor haar inwijding en wordt uiteinderlijk met haar prins, de ziel Tamino, verenigd, zoals ook Papageno en Papagena verenigd worden. De Koningin van de Nacht komt tot inkeer, waardoor de laatste duisternis verdwijnt en zij als vertegenwoordiger van de maan zich kan verenigen met Sarastro, de priester van de zon. De conjunctie van zon en maan bezegelt het heilig huwelijk tussen geest en ziel.