De weg naar je ware zelf

Nieuws

Een geschiedenis van schizofrenie

Alle artikelen, Boeken & films, Dieptepsychologie

BOEKEN - Het is moeilijk om over een persoonlijk verhaal, geschreven door mijn eigen vader (Fré Videler), een dieptepsychologische beschouwing te schrijven. Het boek, met de zonderlinge titel ‘De hondenstrontvreter’, is een (deels) autobiografische verhandeling van zijn jeugd. En van zijn alter ego.

Écht thuis bij zijn moeder en vader heeft mijn vader – Freddy – zich nooit gevoeld. Buitenshuis voelde zijn rebelse natuur zich beter en noemde hij zichzelf ‘Fré’, verwijzend naar zijn hartewens om vrij – free – te zijn. Maar vrij waarvan heb ik voor zijn boek nooit helemaal begrepen. Evenmin als ik toen begreep waar mijn eigen intense vrijheidsdrang vandaan kwam.

Free!?

I’m free
I’m free
And freedom tastes of reality
I’m free
I’m free
An’ I’m waiting for you to follow me

Dit is een deel van de songtekst van ‘I’m Free’ van een van mijn vader’s favoriete bands ‘The Who’.

Wie, als ik, met een Freudiaanse bril op zijn boek of deze tekst (afgedrukt op de binnenflap van het boek) leest, begint een deel van de problematiek in het brein van Freddy te begrijpen. Want, zo schrijft mijn vader, al vanaf jonge leeftijd werd hij getormenteerd door een soort tweede persoonlijkheid met een eigen stem, die hij ‘Ú’ is gaan noemen. Niet, omdat de jonge Freddy deze tweede stem zo respecteerde, maar omdat Ú aandacht en respect opeiste, als een kleine dictator die zich had ingenesteld in mijn vader’s brein.

In zijn boek beschrijft mijn vader hoe Ú door de jaren heen steeds meer aandacht en tijd opeiste en van een kleine dictator uitgroeide tot een tirannieke stem, die mijn vader opdrachten gaf. In eerste instantie lijken de aansporingen van Ú puberaal onschuldig, gericht op het ontworstelen aan de beklemmende opvoeding en Zeitgeist van de jaren ’50, waarin de katholieke schijnmoraal en het kleinburgerlijk streven naar materiële status Freddy’s vrije geest verstikten. Dit valt te begrijpen. Maar Ú gaat verder. Ú maakt van Freddy’s moeder een boze heks die door een guerillastrijder bestreden moet worden. Ú brengt Freddy’s steeds wanhopigere geest in de ban van het dienstpistool van zijn vader (mijn opa was rechercheur bij de politie). Ú keert zich tot slot tegen Freddy’s vrienden en laat hem in hondenstront happen, als een ultieme daad van rebellie, waarin hij niet alleen zijn afkeer van de buitenwereld laat blijken, maar vooral van zichzelf, want inmiddels heeft Ú zich tegen Freddy zelf gekeerd. Vol walging over de hersenspinsels in zijn brein, hapt de jongeling onmachtig in hondenstront.

Freddy is niet vrij. Freddy is een gevangene van zijn eigen geest, waarin een schizofrene splitsing gestalte heeft gegeven aan Ú: een autonome subpersoonlijkheid, die zijn venijnige invloed als een kankergezwel verspreidt.

Meer nog…

In een later decennium zou Ú worden doorgegeven aan mij.

Een onbewuste erfenis

Ú was inmiddels geworden tot een gedissocieerde (volledig onbewuste) energie en autonome entiteit. Niet langer een alter ego of subpersoonlijkheid, zoals in mijn vader. Een subpersoonlijkheid staat nog enigszins onder de heerschappij van een bewustzijnscentrum of ego. In mij was Ú als een volledig autonome, op zichzelf staande identiteit die de plaats van het ego had ingenomen. In mij zwaaide Ú de scepter, zonder dat ik, mijn ouders of psychiaters dit in de gaten hadden. Ú was uitgegroeid van een alter ego tot het sturende ego – niet als een echo of ego-manifestatie van mijn ziel, maar als een Joker: een schizofrene, pathologische staat van zijn, die mijn denkgeest anarchistisch ontregelde, zoals Ú ooit het brein van mijn vader is gaan bespelen. Maar wat in Freddy nog relatief kinderspel was – stront happen – was in mij terminaal: een soort psychische kanker die mij steeds verder tot waanzin dreef, in de vorm van psychosen en depressies, borderline acting-out en Asperger-constructies die mijn denkgeest tot een ‘Wolfsschanze’ hadden gemaakt. Binnen in deze, door subpersoonlijkheden bewaakte, autistische bunker, heerste Ú: een despoot, wiens ‘strijd tegen de boze heks’ was uitgegroeid tot vrouwenhaat en eurotofobie: een panische angst voor het vrouwelijk geslacht. En dus was ik overtuigd homoseksueel (ik was er 100% van overtuigd). Maar ik was/ben het niet. Ik ben van geboorte heteroseksueel. Maar ook (onbewust) schizofreen. Niemand zag het. Want in mij was geen splitsing zichtbaar, zoals in de gespleten hersenpan van papa, waarin Freddy en Ú nog naast elkaar bestonden, een strijd voerend om de psychische heerschappij. In mij echter, was de authentieke persoonlijkheid – de ‘free man’ – ten onder gegaan en was alleen Ú nog zichtbaar. Alleen noemde hij zichzelf niet zo, want Ú was tot ‘ik’ geworden en ik wist niets van Ú (tot mijn vader zijn boek schreef en in mij iets begon te dagen).

Ik zat onbewust gevangen in een gedissocieerde identiteit, waarin mijn (heteroseksuele) identiteit en andere wezenskenmerken ongemerkt gedissocieerd waren geraakt. De naam van mijn vader’s favoriete band – The Who – was mijn naam geworden.

Wie ben ik nog, als Ú zich zo in het geheim onder mijn hersenschors heeft weten te nestelen, dat ik niet eens meer weet dat hij er zit en dat ik ‘ik’ niet ben, maar Ú?

Definitie van dissociatie

Ik ontkom er niet aan om bij een zo persoonlijke bespreking van mijn vader’s boek, dat ook mijn eigen psychische erfenis beschrijft, persoonlijk te zijn.

Ik doe hieronder verslag van de periode na mijn vader’s overlijden op 11 januari 2014. Deze periode is belangrijk voor een verder begrip van dit verhaal.

In de week na mijn vader’s plotselinge overlijden moest ik een seminar geven over de verbinding tussen spiritualiteit en dieptepsychologie. Dit seminar vond tegelijkertijd in mijn eigen leven plaats, want al snel verscheen mijn vader in mijn dromen – dromen die niet Freudiaans geduid konden worden, als een verwerking van het verleden. Deze dromen waren van een andere kwaliteit: numineus en prospectief of voorspellend. Dit leidde ik niet alleen uit hun inhoud af, maar ook uit mijn vader’s verschijning, welke van een hoge astraal-etherische kwaliteit was. Was hij de laatste jaren van zijn leven verward en dementerend; in mijn dromen was hij uitgesproken helder van geest en zijn boodschap maakte een diepe impact.

Elke nacht weer verscheen hij aan mij en orakelde:

Je denkt dat je weet wie je bent.
En je bent wat je weet.
Maar je bent het niet.

Terwijl hij deze woorden uitsprak hield hij een baby vast, die hij van een fatale val in een afgrond moest redden.

Wie thuis is in de dieptepsychologie, leest in bovenstaande woorden de werking van het bewustzijn (dat zich van het denken bedient) en het diepe onbewuste of dissociatiegebied: alles wat je niet weet. Met andere woorden: mijn vader hield me duidelijk voor ogen dat ik dacht te weten wie ik ben, maar dat ik in werkelijkheid een ander iemand ben die ik zelf nog niet ken, omdat ik van het bestaan van deze gedissocieerde identiteit letterlijk niets weet.

Na zijn overlijden moet mijn vader onmiddellijk geconfronteerd zijn geweest met het tirannieke Ú-spook dat in zijn haperende hersenen rondwaardde en als een anarchistische psychopaat Joker uit Batman, de hele boel steeds meer in het honderd deed draaien. Niet alleen zijn leven, maar ook in mijn leven dat destijds steeds minder leefbaar was. Ik verviel van de ene in de andere psychose, met perioden van relatieve rust getekend door depressie. Thanatos – de tegenpool van levenslust – regeerde mijn leven.

Natuurlijk heeft Ú – de energetisch én genetisch overgedragen schizofrenie, met alle daaraan verbonden psychopathologie (psychosen, autisme, depressie en eurotofobie of angst voor vrouwen) – zich al generaties lang als een computerworm door de software van mijn vader’s familielijn gevreten. Als een zichzelf vermenigvuldigende ‘malware’ of psychisch virus heeft Ú het psychische leven van mijn oma, vader en mij ontregeld. Ú werd echter nooit opgemerkt. Enerzijds omdat er te weinig ‘computer experts’ – écht goede psychiaters of dieptepsychologisch kijkende therapeuten – door de hersenspinsels van mijn oma, vader en mijzelf heen hebben gekeken. Daarnaast beschikten we zelf over te weinig zelfkennis om als virusscanner Ú op het spoor te komen.

Met mij zou daar verandering in komen. Maar nu loop ik vooruit op het verhaal.

Intergenerationeel worm virus gestopt

Mijn oma’s psychiatrie is simpelweg nooit effectief behandeld geweest. Haar psychosen werden met medicijnen onderdrukt. Terwijl haar geest in een slaaptoestand was gebracht tijdens een opname, heeft ze aan mijn geboortegeschenk kunnen breien: een marionettepop, die na mijn geboorte boven mijn wieg hing, als zinnebeeld van onze gespleten geest. Immers, zowel zij, als mijn vader en ik waren als marionetten geworden in de handen van Ú. Ú deed wat hij wilde en liet mijn vader een weliswaar productief leven leiden als zakenman, maar voorzag dat hij achter de schermen van zijn manie – die tot een hoge productiviteit en geestige creativiteit leidde – de touwtjes steeds stevig in handen had.

Van binnenuit gesloopt, moest mijn vader vroeg stoppen met werken. Maar ook tijdens zijn vroegtijdige pensioen, liet Ú hem nooit met rust. Ú dreef mijn vader aan tot het schrijven van steeds warrigere verhalen, over mensen die hun identiteit kwijt raakten en verdwaalden in hun tot doolhof geworden leven. Wat zich in mijn vader’s verhalen afspeelde, was bij mij levensecht. Op het moment van mijn vader’s overlijden bevond ik mij met mijn leven als schijnhomoseksueel op een dood spoor.

In ‘De hondenstrontvreter’ pleegt Freddy, die zich niet vrij kan maken van Ú, zelfmoord op een spoorweg. Simultaan, als in één geest verbonden, had ik een (semi) autobiografisch boek geschreven: ‘Leef!’ Ik zal u de details van het verhaal onthouden, want het boek is goeddeels door Ú geschreven en getuigt van psychopathologie. Het is alsof ik mezelf met dit boek een weg uit het doolhof van mijn geest wilde schrijven. In werkelijkheid zat ik muurvast in de hersenkronkels van mijn kwelgeest. Na en, ja, dankzij mijn vader’s dood kon Ú eindelijk ontmaskerd worden en kon ik, gesteund door mijn vader (en een briljante therapeut), afrekenen met Ú.

Ik was gelukkig goed voorbereid op mijn taak.

Stranger things?

Blijkbaar is één reden van mijn incarnatie dat ik, met hulp van vader langs de energetische weg van dromen, een einde zou maken aan Ú. Ik weet hoe bevreemdend dit verhaal inmiddels moet klinken: de zoon die samen met zijn overleden vader als ghostbusters een einde maken aan de waanzin van Ú. Ergens hebben we in het collectief contact met en fascinatie voor de mogelijkheid tot een dergelijke verreikende dieptepsychologie.

Momenteel speelt op Netflix de hitserie ‘Stranger things’. De TV-serie is niet alleen een melancholisch compendium van Amerika’s hoogtijdagen in de populaire cultuur: de jaren ’80 waarin Steven Spielberg de grenzen van de fantasie cinematografisch oprekte, terwijl Stephen King de afgrond van de tartaros in dook, om uit haar inktzwarte, collectieve schaduw het genre ‘horror’ opnieuw te definiëren.

Zoals de titel al suggereert, levert de kruisbestuiving tussen fantasie en horror de meest bizarre verhaallijnen op. Zoals het idee van een parallelle schaduwwereld – ‘upside-down’ – dat als een collectief astraal-energetisch veld de grootst mogelijke monsters in zich herbergt, zoals de mythische tartaros de nog niet geïntegreerde, gigantische energieën van de mens in haar onbewuste diepten opslokt, totdat de mens bewust genoeg is om ook deze monsters in zichzelf te confronteren.

In ‘Stranger things’ heet dit monster ‘Demogorgon’ en het is niet meer te houden en breekt door de parallelle astrale onderwereld heen door in onze fysieke werkelijkheid. Is dit iets anders als een Ú of andere, onbewuste psychopathologieën of monsters die doorbreken in het bewustzijn? In de serie spelen kinderen, met nieuw ontwikkelde psychische vermogens waarmee ze door het ‘wormgat’ tussen de astrale en fysieke wereld kunnen gaan, een hoofdrol. Zo is het mogelijk dat vanuit een, voor ons, virtuele wereld, door kinderen als ‘Eleven’ en ‘Will’ de monsters worden bestreden. Hiermee geeft ‘Stranger things’ een reflectie van een zich ontvouwende realiteit: namelijk dat de grenzen van ruimte en tijd door velen als meer fluïde worden beleefd, waardoor vanuit het in de fysieke wereld verankerde bewustzijn dieper in de hellesferen van het onbewuste kan worden afgedaald. Ik ben in staat om dieper in de ‘abyss’ van mijn geest af te dalen, dan mijn vader en oma konden. Daarnaast beleef ik, via een sterk ontwikkelde droomfunctie als Jungiaans therapeut, een min of meer bewuste connectie met de ziel, die tot een paar jaar geleden als mijn vader was geïncarneerd.

Stranger things?

Of niet? Reïncarnatie en het concept van een eeuwig voortgaande ziel of voortlevend bewustzijn is zo oud als de mensheid en ligt in veruit de meeste godsdiensten en spiritueel-esoterische tradities als gnosis verankerd. Het vermogen om contact te maken met deze, voor de vijf zintuigen ‘onzichtbare’ werkelijkheid, is een universele ervaring en wordt in een serie als ‘Stranger things’ ‘true sight’ genoemd: het ware zien.

Is mijn zicht, om langs de weg van dromen, synchroniciteiten en andere uit het zogenaamde ‘onbewuste’ opgediepte inhouden ‘vreemd’? Of heeft de huidige, materialistische beschaving zich er, onder aanvoering van een dogmatisch fysiek gefixeerde wetenschap zich van een natuurlijk contact met de ziel afgekeerd?

Hoe het ook zij, ik was voor mijn taak als ghostbuster goed voorbereid! Sinds mijn twintigste voortgedreven door een gigantische passie voor dieptepsychologe en spiritualiteit, had ik alle kennis en vaardigheden ontwikkeld om, met een voorzet van mijn vader (en een voortreffelijke aanvalstactiek van mijn therapeut), korte te metten te maken met Ú.

Na mij nooit meer psychische hondenstront, bullshit of andere Freudiaanse uitwerpselen. En dit dankzij mijn vader, wiens eigen geciteerde woorden op zijn gedenkkaart profetisch bleken te zijn…

“Verstikt klonk het zacht uit zijn mond:

“I’m Fré, I feel Free.”

Een lijfspreuk van-heb-ik-jou-daar. Zeg nou zelf, wie heeft er eigenlijk een lijfspreuk? Niemand toch, behalve hij. Maar ondanks dat voelde hij zich nog even triest en kwetsbaar als een overstekend stekelvarken. Hij kon niet vooruit en niet acheruit. Maar, ooit, ja ooit zou hij van zich laten horen, beloofde hij zichzelf.”