De weg naar je ware zelf

Nieuws

Freudiaanse psychologie

Alle artikelen, Dieptepsychologie, Wegen naar het Zelf

WEGEN NAAR HET ZELF - Net als over de psychologie van Jung, zijn over de psychologie van Sigmund Freud (1856-1939) bibliotheken vol geschreven.

Beide grootmeesters in de dieptepsychologie worden tegenwoordig aan universiteiten en hogescholen nog nauwelijks onderwezen. Beiden werden reeds in hun eigen tijd, en ook nog nu, als controversieel gezien. Jung omdat zijn visie op psychologie grote gebieden van de mystiek behelsde. Freud daarentegen ging uit van een zuiver biologische benadering. Hij schoot hierin echter door met zijn grote nadruk op seksualiteit in de psyche, welke in de loop der jaar tot steeds buitenissigere theorieën leidde. Toch moeten we Freud erkentelijk zijn voor het in kaart brengen van de donkere krochten van de menselijke psyche. Juist door zijn atheïsme en biologisch determinisme voerde hij het denken over de psyche tot in de uiterste consequenties van het materieel mensbeeld door.

Wat zijn deze consequenties?

In een wereld ontdaan van alle mystiek en hogere zingeving, heeft het ik of ego – een term van Freud – geen andere functie dan overleven. De mens hoeft in zijn bewustwording geen rekening te houden met morele eisen die godsdienst en religie aan hem stellen. Zingeving bestaat er slechts uit dat het ego zich weet te handhaven temidden van de instincten die vanuit het onderbewuste in het bewustzijn opwellen.

Bewust en onderbewust

Ere wie ere toekomt. De huidige psychologie dankt veel van haar begrippen aan Freud, zo ook de termen ‘bewust’ en ‘onderbewust’. Freud gaf hieraan binnen de westerse psychologie voor het eerst betekenis aan. Omdat Freud altijd binnen de grenzen van biologisch determinisme opereert, kan hetgeen onbewust is niet, als bij Jung of bij oosterse wijsbegeerte, vanuit een vorig leven overgeleverd zijn. Freud hield dan ook strikt vast aan de term ‘onderbewust’, waarmee hij wilde aangeven dat dingen die eerst bewust zijn geweest, vervolgens onderdrukt zijn, waarmee ze onderbewust zijn geworden.

Welke inhouden van het bewustzijn worden door de mens onderdrukt? Het antwoord is eenvoudig: alleen gebeurtenissen die als pijnlijk zijn ervaren worden onderdrukt, waardoor de psyche angst en pijn probeert te vermijden. Freud noemde deze pijnlijke gebeurtenissen ‘trauma’s’.

Ego, Id, Superego

Bijgevolg bestaat het onderbewuste van Freud dus uit trauma’s: pijnlijke herinneringen die door het ego uit het bewustzijn worden geweerd. Verbannen naar het onderbewuste kunnen trauma’s en de reacties hierop van fight, flight en freeze echter een autonoom leven leiden. De angstige herinnering aan een spin groeit buiten proporties en wordt zo tot een fobie, opnieuw een term van Freud. Je zou kunnen zeggen dat alle inhouden die zich aan de regulatie van het bewuste ego of ik onttrekken samen tot een gedrocht worden, welke Freud ‘Es’ noemde. In het Engels vertaald: ‘Id’.

Es of Id is een onzijdige term en hiermee wilde Freud de onpersoonlijke natuur van het onderbewuste onderstreven. Freud zag de mens, net als Darwin & Co., als een veredelde aap. Het grootste deel van de psyche werd volgens Freud door animale drijfveren, instincten bepaald. Tel daarbij de onderdrukte trauma’s, fobische reacties en complexen bij op, en je hebt een inktzwart onderbewuste, welke zich nog het best laat vergelijken met een donkere kelder waarin allerlei lugubere dingen zijn verstopt.

Overigens, het begrip ‘complex’ is eveneens van Freud afkomstig. Hiermee doelde hij op een netwerk van onbewuste associaties die georganiseerd zijn rondom een centraal thema. Een goed voorbeeld van zo’n (levens)thema is het de beleving minder waard te zijn dan andere mensen. Het hiermee verbonden minderwaardigheidscomplex beslaat alle onbewuste associaties die hiermee verband houden. Bijvoorbeeld de overtuiging dat je minder waard bent, omdat je jezelf te dik vindt. Of de herinnering aan een traumatisch voorval toen je op school gepest werd. Al deze betekenissen samen vormen vervolgens het minderwaardigheidscomplex van de persoon in kwestie.

We hebben dus het Id, het onderbewuste of de kelder waarin alle trauma’s en complexen opgeslagen liggen en het ego of ik: het bewustzijn, dat via het mechanisme van onderdrukking de kelder vult met onderbewuste inhouden. Omdat we als individu tevens onderdeel zijn van een sociale groep, hebben we ook nog te maken met normen en waarden die van invloed zijn op wat wel en wat niet onderdrukt wordt.

In de Victoriaanse tijd waarin Freud zijn theorieën formuleerde, was seksualiteit bijvoorbeeld een taboe. Bijgevolg moest de westerse mens uit die tijd alle seksuele drijfveren of instincten onderdrukken. Instincten, zoals libido of seksuele aandrang, zijn echter een normaal onderdeel van de natuur en kunnen door het ego alleen niet onder controle worden gehouden. Hiervoor beschikt de mens, in de visie van Freud, over nog een derde facet van zijn persoonlijkheid: het Superego. Dit is het aan de maatschappij aangepaste beeld dat we van onszelf laten zien en tevens het zelfbeeld dat we willen geloven.

Een voor de hand liggend voorbeeld is het feit dat sommige priesters, die de eed tot een celibatair leven hebben gezworden, een zelfbeeld erop na houden waarin ze zichzelf als ‘maagdelijk’ profileren, ondanks het feit dat de meeste priesters toch ook gewoon over libido beschikken. Vaak wil iemand koste wat kost blijven geloven in een dergelijk geïdealiseerd zelfbeeld, ondanks het feit dat de kelder van zo iemand wellicht gevuld is met onderdrukte seksuele verlangens en fantasieën. Je begrijpt dat de druk die vanuit het onderbewuste hierdoor wordt opgebouwd, zo groot kan worden dat zij op den duur tot een impulsdoorbraak leidt, zoals een vulkaan op gezette tijden tot uitbarsting komst. Op zo’n moment breekt, in de theorie van Freud, het Id, door het ego en zorgvuldig gecultiveerd Superego heen en ontpopt Dr. Jekyll zich tot een Mr. Hyde – een soort weerwolf of monster van Frankenstein, die zich seksueel vergrijpt aan een ander.

Toegeven, het voorbeeld is cliché, maar ze illustreert hiermee uitstekend de dynamiek tussen ego, Id en Superego.

Boven omschreven denkbeelden zijn helemaal zo gek nog niet. Nogmaals, de westerse psychologie heeft heel veel aan Freud te danken, al was het maar omdat tal van huidige ingeburgerde begrippen oorspronkelijk door Freud bedacht zijn. Ego, bewust, onderbewust, trauma, complex, Id en Superego zijn enkele van de bekendste concepten uit de Freudiaanse én westerse psychologie.

De dogmatiek van Freud

Freud is ook degene die voor het eerst binnen de westerse psychologie aan dromen een betekenis toekende. In de ‘Traumdeutung’ van Freud staat de analyse van dromen als boodschappen van het onderbewuste centraal. Het was Freud die opperde dat onbewuste inhouden zich in symbolische vorm in dromen kenbaar maken en dat het ontcijferen van dromen dus wel degelijk zin heeft.

Toch zie je dat Freud in de droomanalyse een enge, bijna sektarische bril draagt. Omdat hij alleen onderdrukte trauma’s en instincten als de bron van het onderbewuste erkende, kon hij in dromen geen andere symboliek zien dan de gecensureerde inhoud van het Id. Freud redeneerde dat het Id, in samenspraak met het Superego, haar inhouden niet zondermeer aan het ego of bewustzijn wilde prijsgeven en dat de onderdrukte trauma’s en instincten die ’s nachts via dromen naar boven komen daarom door het Superego gecensureerd waren. Deze visie ontkent dat er een positieve, hogere zingevende of zelfs religieuze betekenis aan dromen ontleend kan worden. Nee, volgens het dogma van Freud moet uiteindelijk alles herleid worden tot het Id – zelfs onze hogere kunstzinnige gaven zijn een sublimatie van het Id. In haar kunst heeft de mens zijn seksualiteit onderdrukt en vervolgens gesublimeerd tot een hoger doel, dat, paradoxaal genoeg, in de visie van Freud geen wezenlijk hoger doel dient. Immers, er is in het atheïsme van Freud bijvoorbeeld geen hogere macht die via de kunsten geëerd kan worden. Er is wel een godsbeeld dat, langs dezelfde weg van sublimatie, door de mens gecultiveerd is om de doeleinden van het Superego te dienen.

Je voelt misschien zelf al dat door de nauwe, verkokerde visie van Freud, psychologie op den duur tot bizarre gevolgtrekkingen leidt. Dit wordt nog eens versterkt doordat Freud in de loop van de jaren steeds meer gefixeerd raakte op zijn theorie van de seksualiteit.

Hysterie en neurose

Opnieuw moeten we Freud eerst weer een compliment maken: de beste man heeft in een zeer protestants milieu op het hoogtepunt van de Victoriaanse tijd het onderwerp van seksualiteit bespreekbaar gemaakt. Hij moest dit wel doen, want hij werd in zijn eigen praktijk – eerst in Wenen en later in Londen – geconfronteerd met voornamelijk hysterische vrouwen.

Hysterie – alweer een van origine Freudiaanse term. Tegenwoordig bestaat de term bijna niet meer, hoewel zij in de volksmond nog wel gewoon gangbaar is om een toestand mee aan te duiden waarin iemand overspoeld wordt door (negatieve) gevoelens en emoties en hiermee vaak ook de omgeving overspoeld. Freud zelf werd in zijn praktijk overspoeld met vrouwen die hysterisch waren. Op zoek naar de oorzaak van deze epidemische hysterie, ging hij een verband zien tussen de onderdrukking van libido en het overspoeld worden door onderbewuste inhouden. Logischerwijs ging Freud zich hierna steeds meer bezig houden met het onderwerp seksualiteit. En, nogmaals, dit was in zijn tijd revolutionair. Bovendien zorgde Freud hiermee voor een maatschappelijke catharsis: een uitzuivering van de westerse denkgeest die overdreven preuts met het fenomeen seksualiteit omging. Freud zelf zou misschien zijn eigen term hiervoor in de mond nemen en zeggen dat deze mens zich ‘anaal’ gedroeg.

Freud lezen en beter leren kennen is niet alleen zeer verrijkend, maar geeft op den duur ook aanleiding tot een (glim)lach. Alleen Freud zelf is in staat om doodserieus te verkondigen dat de westerse mens met zijn neurosen – opnieuw een term van Freud! – omtrent seksualiteit ‘anaal’ is ingesteld.

Voordat ik de psychologische betekenis van deze term toelicht, eerst een ‘recap’.

Freud is dus degene die het fenomeen van hysterie een plek geeft binnen de westerse psychologie. Later zou deze term door professionals vervangen worden door het equivalent ‘psychose’. Overigens zal een psycholoog of psychiater die streng in de leer is wat betreft de DSM (Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders) mij hierop tegenspreken. De DSM – de bijbel van de westerse psychologie – erkent de term ‘hysterie’ niet langer. Dit zou betekenen dat hysterie als psychisch fenomeen niet langer bestaat, maar dat is werkelijk onzin. Zelden of nooit heeft een maatschappij zoveel hysterische reacties voortgebracht als anno nu. Moeten we dan zeggen dat het begrip ‘hysterie’ vervangen is door ‘psychose’? Niet volgens de DSM, die aan de diagnose van een psychose zodanige voorwaarden stelt, dat zij veel minder makkelijk gegeven kan worden, dan de diagnose voorheen van hysterie.

Ik zal wel gek zijn. Dat ben ik toch al, in de ogen van veel cognitieve en klinische psychologen die een therapeut als ik – Jungiaans en Freudiaans geschoold – verwijzen naar de randgebieden van de pseudowetenschap: daar waar het westerse rationalisme afbrokkelt en ten onder gaat in de hysterie van Freudiaanse waanzin of, nog erger, in de religieuze psychose van Jung.

Als je maar onthoudt dat Freud beide termen – hysterie en neurose – heeft geïntroduceerd als een soort tegenpolen in de psyche. Hysterie duidt hierbij op de ontgrenzende werking van gevoelens en emoties die het bewustzijn overspoelen. Met de term ‘neurose’ doelde Freud op mensen die middels allerlei vormen van controle het monster van het onderbewuste in bedwang willen houden. Tussen beide zag Freud een oorzakelijk verband, waarbij een steeds grotere neurotische instelling tot hysterie leidt en een steeds hysterischer wordende denkgeest tot neurotische maatregelen noopt.

Over Freudiaanse termen als ‘anaal’ en ‘oraal’ kom ik nog te spreken. Nu moet ik eerst spreken over het libido van Freud. Pardon. Dit was een Freudiaanse verspreking.

Ik bedoel:

Libido volgens Freud

Eerst moeten we Freud’s naam in deze zuiveren.

Freud bedoelde met ‘libido’ iets anders dan de enge, seksuele betekenis die wij eraan geven. Hierin was Freud bij uitzondering nou eens niet seksueel sektarisch.

Voor Freud staat de term ‘libido’ min of meer gelijk aan ‘levensenergie’. Dit is echter in de Freudiaanse leer een lastig begrip, want de enige levensbron die Freud erkent is het biologisch leven: de animale natuur van de mens (Id), dat als een mengvat is van instincten en onderdrukte trauma’s en complexen. Libido heeft dus per definitie een wat negatieve lading. Haar opstuwende kracht streeft uit zichzelf niet naar vervolmaking van een of ander humanistisch of spiritueel ideaal. Haar enige functie is ontlading, of in Freud’s termen: catharsis. Vergelijk het met de uitbarsting van een vulkaan of een seksuele ontlading tijdens een orgasme.

Volgens Freud wordt de mens dus aangedreven door libido en de drang naar ontlading. Libido of levensenergie is psychische energie. Immers, in de enge zin van Freud wordt de psyche uitsluitend gereguleerd door instincten en de onderdrukking (door het Superego) en de onvermijdelijke ontlading (impulsdoorbraak) van onderdrukte trauma’s en complexen. In de theorie van Freud vormen libido en psyche dus één geheel; vandaar dat hij spreekt over psychoseksuele ontwikkeling. De ontwikkeling van psychische functies en bewustwording zijn als de dubbele helix van het DNA in één proces verstrengeld met de seksuele ontwikkeling.

Voor een deel heeft Freud hierin gelijk. Het probleem van Freud is echter dat hij één puzzelstuk voor de hele puzzel aan ziet. We zijn schatplichtig aan Freud voor zijn ontwikkeling van een theorie van de psyche die de biologische en seksuele driften in de mens integreert en die oog heeft voor de negatieve, ontwrichtende werking in het samenspel van Id en Superego. Daarnaast heeft Freud de trauma-analyse min of meer uitgevonden en zijn therapeutische school, ‘psychoanalyse’ genaamd, heeft grote waarde als het gaat om het opgraven van onderdrukte trauma’s en complexen. Zij erkent bovendien dat elk mens zich beter voordoet dan hij in werkelijkheid is en kijkt hiermee achter de maskers, persona’s of het Superego van de mens. Freud en de zijnen – de school van psychoanalytici – schrikken er bovendien niet voor terug om in de donkere krochten van de menselijke psyche te graven. Alleen gaan ze er in mijn ogen aan voorbij dat de mens meer is dan een Id, een biologisch monster dat via ego en Superego in toom moet worden gehouden. Daarom kan psychoanalyse mijn inziens nooit het hele therapeutische traject bestrijken. Zij vormt hierin een belangrijke puzzelstuk, maar psychoanalyse alleen kan nooit de hele puzzel van de menselijke geest oplossen.

Psychoseksuele ontwikkeling

Terugkomend op de belangrijke ontdekking van Freud: de ontwikkeling van de psyche en wat hierin mis loopt, kan voor een deel verklaard worden uit de psychoseksuele theorie van Freud.

Volgens deze theorie doorloopt de mens grosso modo vijf fasen in zijn psychoseksuele ontwikkeling, door Freud als volgt benoemd:

 

  • Orale fase (ca. eerste 21 maanden)
  • Anale fase (ca. 15 maanden tot 3 jaar)
  • Fallische of oedipale fase (ca. 3 tot 7 jaar)
  • Latentiefase (ca. 7 tot 11-12 jaar)
  • Genitale fase (vanaf ca. 11-12 jaar)

 

Overigens, als je hierover meer wil lezen, is het soms beter om niet de grootmeester zelf te lezen, maar zijn leerlingen als Melanie Klein. Zij hebben de psychoseksuele ontwikkelingstheorie van Freud tot in finesses uitgewerkt. Bovendien hebben leerlingen, in tegenstelling tot hun meester, er geen last van dat zij al schrijvende tot nieuwe ontdekkingen komen, wat de meesterwerken van psychologen als Freud en Jung al snel breedsprakig maken.

Nogmaals, een waarschuwing vooraf: de vijf ontwikkelingsfasen volgens Freud kunnen wel een deel van de psychische evolutie verklaren. Maar de fasen kunnen niet als een universeel verklaringsmodel gebruikt worden voor alle ontwikkelingsstoornissen die ontstaan zijn in de kinder- en adolescentietijd!

Orale fase

In de eerste levensfase, door Freud door orale fase genoemd, staat de beleving van veiligheid centraal. Ieder mens heeft als fundament voor zijn verdere ontwikkeling nodig dat hij of zij een gevoel van veiligheid om in de wereld aanwezig te zijn ervaart. Deze beleving van veiligheid hangt nauw samen met de mate waarin een kind voorzien wordt in zijn fysieke en psychische behoeften. Ieder kind heeft fysieke en psychische voeding nodig, niet alleen in de vorm van (moeder)melk en andere voeding, maar ook in de vorm van warmte, genegenheid en liefde. De orale reflex van een zuigeling – de naam zegt het al – is erop gericht de fysieke en psychische voeding op te zuigen. Een pas geborene moet deze voeding als het ware uit zijn omgeving zuigen, zoals een plant via osmose zonlicht opneemt en deze in het proces van fotosynthese omzet in waardevolle voedingsstoffen, waardoor zij in haar fysieke en etherische gestalte kan groeien. Dit laatste begrip – het etherlichaam – kwam in het vocabulaire van Freud uiteraard niet voor. Ik noem haar hier omdat ‘ether’ als term zo mooi aangeeft waar het in de orale fase op aan komt: psychische warmte en licht – geborgenheid en liefde – moeten de zuigeling als ether of lucht omringen; zij vormen de zuurstof waardoor een kind leven kan.

Het mogen duidelijk zijn dat er tijdens de orale fase vanalles mis kan gaan. Een kind kan niet gewenst zijn of de ouders kunnen door hun eigen psychische problemen psychisch-emotioneel afgesloten zijn van het kind, waardoor het kind nauwelijks of geen voldoende psychische voeding ontvangt. In dit geval zal iemand de rrest van zijn leven een fundamenteel gevoel van onveiligheid en gebrek blijven ervaren. Het kan ertoe leiden dat iemand zeer angstig in het leven staat, een diep gebrek aan eigenwaarde ervaart en zich autistisch in zichzelf opsluit, zoals een bloem kan sterven in de knop.

Een (ervaren) gebrek in de orale fase is niet alleen aan dergelijke symptomen te herkennen. Ze uit zich ook in een zogenaamde ‘orale ingesteldheid’ van de persoon. Als je het leven als fundamenteel onveilig ervaart, zul je, in een poging de bestaansangst te dempen, nooit het gevoel hebben dat je ‘genoeg’ hebt. Je zult altijd een fundamenteel gebrek, een innerlijke leegte, ervaren, die opgevuld moet worden. Helaas gaan heel veel mensen hier volledig de mist in. Want wat ze als een gebrek in de orale fase hebben beleefd, hebben ze gedurende hun latere psychoseksuele ontwikkeling proberen op te vullen middels allerlei overlevingsstrategieën in de anale, fallische, latentie en genitale fase. In de genitale fase, wanneer de seksuele behoeften ontluiken, kan iemand bijvoorbeeld een fixatie op seks hebben ontwikkeld, dat als een roes de bestaansangst moet dempen. Zo ‘ontsporen’ talloze oraal ingestelde (jong) volwassenen in hun ongeremde behoefte aan seks. Hierbij is sprake van een verwarring van niveaus. De mens verwart de behoefte aan veiligheid en genegenheid – een behoefte op het eerste niveau van ontwikkeling – met de behoefte aan seksueel genot, dat een veel hogere gradatie van psychoseksuele ontwikkeling inhoudt, wil zij tot voldoening leiden. De behoeften op de hogere niveaus van psychoseksuele ontwikkeling kunnen de orale behoeften nooit bevredigen. Dit weet iedereen die in de armen van een seksuele partner de veiligheid van een substituut moeder- of vaderfiguur heeft gezocht. Een leegte in de orale fase kan alleen middels wezenlijke geborgenheid en (zelf)liefde worden opgevuld.

Anale fase

Volgens Freud bestrijkt de orale fase circa de eerste 21 maanden van het leven. De anale fase, die vanaf circa 15 maanden begint, overlapt dus deel met de orale fase. Zij loopt tot een kleuter de leeftijf van drie jaar heeft bereikt.

Wat bedoelde Freud met die curieuze term ‘anale fase’?

Deze houdt verband met de zindelijkheidstraining van een kind, welke rond de leeftijd van drie jaar erin resulteert dat een kleuter zijn eigen behoeften kan ophouden (uitstellen van gratificatie) of kan ontlasten (bevrediging of gratificatie).

Ik besef dat ik hier moeilijke woorden gebruik voor zoiets basaals als het kunnen ophouden van poep en plas. Toch, het is ontegenzeglijk dat een kind in het leren ophouden van zijn behoeften totdat hij het toilet heeft bereikt, leert dat het ‘loont’ om de eigen behoeften tijdelijk op te houden. Via het aanspannen van de kringspier leert het kind tevens dat hij via een wilsinspanning controle kan uitoefenen op zijn eigen lichaam en zijn omgeving. De anale fase gaat er dus in feite om dat een kind leert dat het een eigen wil heeft en dat hij deze, allereerst in de zindelijkheidstraining, leert ontwikkelen. Via de wil leert het kind het eigen lichaam en zijn behoeften controleren, waarmee een kind tevens controle uitoefent op zijn omgeving. Immers, hoeveel ouders worden niet ongerust als een kind vanaf de anale fase ofwel last krijgt van obstipatie (omdat hij zijn behoeften te zeer ophoudt en inperkt), ofwel weigert om zindelijk te worden en in zijn broek en bed plast en poept. Het is niet gezegd dat een kind dit alles (volledig) bewust doet. Maar het staat vast dat tijdens de anale fase de wil wordt getraind, waarmee het kind en de latere volwassene tevens een nieuw overlevingsmechanisme voor handen krijgt: de neurotische instelling of (dwangmatige) controle.

Je ervaart misschien hoe waardevol de psychoseksuele theorie van Freud is, want zij geeft in ieder geval inzicht in twee van de belangrijkste tendensen in de psyche: de psychotische versus de neurotische instelling.

Overigens, beide instellingen zijn elk mens aanwezig, alleen de dominantie van de ene instelling (neurotisch/psychotisch) ten op zichte van de ander verschilt. In dit verband gebruik ik het woord ‘psychotisch’ op een nog andere manier gebruik dan in het psychiatrisch jargon gebruikelijk is, waarbij een psychose duidt op een overspoeling van het ik-bewustzijn door onbewuste inhouden. ‘Psychotisch’ houdt hangt in dit verband samen met een defect in de oraal-anale fase, waarbij een mens een gebrek aan veiligheid ervaart, welke hij tijdens de anale fase onvoldoende weet te compenseren door middel van een sterke wilskracht, waarmee hij alsnog voor zijn behoeften leert opkomen. In dit geval ervaart de mens dus en een oraal gebrek, een innerlijke leegte, wat vrijwel zeker tot angst leidt. Sommige angstig ingestelde kinderen echter, kunnen in de volgende, anale fase hun angst niet compenseren met een sterke wilskracht en een neurotische ingesteldheid, waarmee zij zichzelf en hun omgeving controleren (controle fungeert als hét afweermechanisme voor angst). Een kind die bijvoorbeeld dominante ouders heeft die zelf psycho-emotioneel alle ruimte innemen, omdat zij zelf als behoeftige, oraal ingestelde kinderen zijn, kan temidden van dit samenspel van psychische krachten middels zijn wil nauwelijks nog invloed uitoefenen. De neurotische verdediging – de ‘fight’-respons – is in dit geval geen optie, waardoor er eigenlijk maar één ander verdedigingsmechanisme – de ‘flight- respons overblijft. Dit is de psychotische vlucht, waarbij een kind, en later de volwassene, bijvoorbeeld zijn heil zoekt in de fantasiewereld. In dit geval gebruikt hij zijn wilskracht nauwelijks nog om er iets van te maken in deze wereld. Iemand kan bijvoorbeeld oplossen in de roes van een verslaving, een vorm van een psychotische afweer. Of inderdaad regelmatig overspoeld worden met angst- en paniekaanvallen of juist in tegengestelde richting ‘oplossen’, zoals in het geval van een manische periode of, nog sterker, een religieuze psychose, waarbij iemand opgaat in een werkelijke of illusionaire mystieke, transpersoonlijke beleving.

Over de flinterdunne grens tussen een psychose, waarbij altijd wanen en illusies in het spel zijn) en een werkelijke transpersoonlijke, mystieke ervaring, kunnen boekwerken vol worden geschreven. Maar deze horen niet thuis in de bibliotheek van Freud.

Of toch wel?

Wie de oude praktijk van Freud in Londen bezoekt, zal de interessante ervaring opdoen het gevoel te hebben in een religieuze ruimte te zijn. De kamer staat namelijk vol met primitieve, religieuze artefacten, niet zelden in de vorm van een fallus. Dit laatste heeft alles te maken met Freud’s eigen fixatie in de fallische fase, waarover dadelijk meer. Maar het blijft een wonderlijke beleving te zien hoe de atheïstisch ingestelde Freud, die in godsdienst niets anders zag dan de sublimatie van libido als een afweer tegen de oerpijn van het Id, zich omringde met religieuze artefacten. Bovendien was Freud zelf dogmatisch in het geloof in zijn eigen theorie, alsof dit een godsdienst op zichzelf was. We kunnen in ieder geval concluderen dat Freud een sterke neurotische instelling had. Met zijn wilskracht beet hij zich dogmatisch vast in het gelijk van zijn eigen theorieën.

Gelukkig is er Melanie Klein, een psychoanalytica die met name de psychoseksuele fasen verder heeft uitgewerkt. Eén belangrijk gemoed dat aan de anale fase gekoppeld kan worden is woede. Deze emotie houdt verband met frustratie, dat optreedt wanneer we met onze wil de situatie niet kunnen beïnvloeden. Bij kinderen die veel onmacht ervaren, kan zich tijdens de anale fase veel frustratie en woede opbouwen, die echter vast komt te zitten wanneer het kind geen mogelijkheid heeft om zijn woede te uiten. Dit kan, met name in combinatie met ‘splitting’, in de theorie van Melanie Klein tot fasen leiden als de anaal-saddistische fase.

Het klassieke voorbeeld is het verschil tussen de ‘goede’ en de ‘slechte’ moederborst. De eerste behoort (symbolisch) toe aan de moeder die toegeeft aan de behoeften van het kind. De ‘slechte’ moederborst wordt gekoppeld aan de situatie waarin het kind in de bevrediging van zijn behoeften op een grens stuit, gesteld door de ouders. Of deze grens al dan niet terecht is, doet niet ter zake. Waar het om gaat is dat het kind onmacht en woede ervaart, die hij echter niet zondermeer op de gehele moeder kan projecteren, omdat dit een (psychische) bedreiging van de goede moederfiguur inhoudt. Ervaren dat moeder ook ‘slecht’ kan zijn, is voor de meeste kinderen te bedreigd. Om toch met de negatieve situatie om te kunnen gaan, zoekt de psyche haar heil in ‘splitten’. Het beeld en de ervaring van de ‘slechte’ moeder wordt afgezonderd en middels onderdrukking naar de hades van het onderbewuste verwezen. Van daaruit zal het beeld echter haar giftige uitwerking op de psyche gaan uitoefenen, doordat het kind een onbestemde woede voelt. Deze woede is dan niet meer gericht op het oorspronkelijke object – de ‘slechte’ moeder – maar neemt middels projectie vorm aan zondebokken en zwarte schapen die ver genoeg van het oorspronkelijk imago af staan. Later, het boze kind is inmiddels een boze volwassene geworden, kan deze de nog steeds onderhuids aanwezige woede gaan projecteren op bijvoorbeeld buitenlanders of, zoals in de jaren dertig, op Joden.

In de eerder genoemde ‘anaal-sadistische’ fase, kan een volwassen met een gevoel van wrokkigheid dit tevens langs sadistische weg gaan uitleven op medemensen, zichzelf, dieren, etc. Indien dit zich tevens vermeldt met de beleving van seksualiteit, wat gaat over de uitleving van libido, welke bij Freud nooit gescheiden is van de levensenergie, dan krijg je vanaf de genitale fase seksuele vormen en vervormingen, zoals SM en parafilie, waarbij de naar buiten toe geprojecteerde libido gericht wordt op een symbolisch geladen object  of fetisj.

Het is werkelijk dankzij de theoretische grondslagen van Freud en andere psychoanalytici, die tevens vorm hebben gegeven aan de belangrijke object-relatietheorie, dat we de soms moeilijker te begrijpen en te accepteren donkere excessen van de menselijke psyche kunnen begrijpen en behandelen.

Fallische of oedipale fase

So far, so good.

Met de ontdekking van de orale en anale fase heeft Freud een belangrijke bijdrage geleverd aan het begrip van de psychoseksuele ontwikkeling van de mens. Met de fallische of oedipale fase, welke Freud in de leeftijd van 3 tot 7 jaar situeert, komt er mijn inziens meer ruis en dogmatisme in de leer.

De fallische fase, welke weinig feministisch is in de naamgeving, gaat over de gerichtheid van het kind op de eigen genitaliën. Vanaf de leeftijd van drie jaar leren jongetjes zichzelf als jongen herkennen aan de hand van hun penis en meisjes leren zichzelf als meisje herkennen aan de hand van de vagina. Voor zover niets nieuws onder de zon.

Freud stelde vervolgens dat het heel natuurlijk en gezond is wanneer elk kind een auto-erotische fase beleeft, waarin het kind genot ervaart aan de hand van het eigen geslachtsorgaan. Opnieuw hulde voor Freud dat hij in het verstikkend preutse milieu van het Europese christendom van een eeuw geleden een frisse wind heeft laten waaien.

Ook verdient Freud erkenning voor het feit dat hij de narcistische persoonlijkheidsstoornis in het vizier van de psychologie heeft gebracht. Freud heeft werkelijk een heel idioom en begripskader toegevoegd aan de westerse psychologie, waarbij dus ook de term ‘narcisme’ door Freud is geïntroduceerd. Zelf heeft hij dit begrip ontleend aan de mythe van Narcissus, die over de jongeling gaat die in de ban raakt van zijn eigen spiegelbeeld, weerspiegeld in het wateroppervlak. Hoewel Freud dus een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan een beter begrip van narcisme, begeeft hij zich in de ontwikkeling van deze theorie op glad ijs. Freud maakt van de mythe van narcisme een psychologisme, hoewel de mythe een veel diepere, geestelijke betekenis in zich draagt. Om je dit duidelijk te maken, hoef je slechts de eerste zin van Genesis voor de geest te halen: “In het begin schiep God de hemel en de aarde. De aarde was woest en leeg en de geest van God zweefde over de wateren.”

So be it.

Freud koppelde de narcistische neiging aan het gefixeerd zijn op het eigen geslacht. Dit is een dynamiek die binnen het narcistische spectrum heel gewoon is. Immers, iemand met een narcistische inslag of zelfs persoonlijkheidsstoornis is ten diepste niet in staat om zich kwetsbaar op te stellen en zich diepgaand te verbinden met een ander. Dit heeft ermee te maken dat de narcist lijdt aan de verwonding van een gebrek aan zelfliefde en eigenwaarde, waardoor hij een grote angst voor en afkeer van afwijzing heeft. Het laatste wat een narcist dus zal doen is zich kwetsbaar opstellen, zoals het geval is tijdens de genitale fase, waarin twee mensen zich diepgaand, intiem met elkaar verbinden.

Freud sprak in plaats van ‘fallische’ fase ook wel van de ‘oedipale’ fase, verwijzend naar die andere mythe welke hij psychologisch geduid heeft: de mythe van Narcissus. Hier begeeft Freud zich echt op glad ijs, want deze mythe beschrijft veeleer de ondergang van de Egyptische gnosis op de overgang naar de Grieks-Romeinse tijd. Zoals in het geval van Narcissus, maakt Freud van Oedipus een psychologisme, welke hij uitwerkte in de theorie van het oedipuscomplex. Over dit complex dadelijk meer.

Wat er in dit verband over geschreven moet worden is dat Freud stelde dat jongens tijdens de fallische fase zich gaan identificeren met hun vader, waardoor ze zich tevens als zijn concurrent beleven en opstellen in het dingen naar de liefde van de moeder. Daarnaast zouden jongens een heimelijke seksuele aantrekking tot moeder beleven, wat echter tot een enorm taboe in de psyche leidt. Zo zag Freud in de oedipale fase een nieuwe aanleiding om het onderbewuste monster Id te voeden met onderdrukte schuld en schaamte. Tja, het is op dit punt dat het getheoriseer van Freud dubieuze wegen op leidt. Natuurlijk is er een kern van waarheid in de natuurlijke ontwikkeling van erotische gevoelens van het kind voor een van de ouders. Maar dit is zeker geen wet van Meden en Perzen. Dit inzicht verdient het zeker niet dat zij tot hoeksteen wordt waarop de Freudiaanse ontwikkeling een belangrijk deel van haar mensbeeld baseert.

Latentiefase

Persoonlijk vind ik Freud’s beschrijving van de latentiefase, de vierde fase in de psychoseksuele ontwikkeling (ca. 7 tot 11-12 jaar) van meer waarde dan de ophef die veel psychoanalytici maken over de oedipale fase en het daaraan gekoppelde oedipuscomplex.

Met het begrip ‘latentie’ introduceert Freud in de westerse psychologie één van de mooiste ideeën, namelijk het idee dat een kind het verdient om in een omgeving van respectvolle koestering de eigen seksuele ontwikkeling kan ontdekken, om zo binnen de grenzen van de eigen fantasie of beleving tot adolescent geïnitieerd te worden.

In het algemeen neigt de omgeving naar twee uitersten. Of het onderwerp seksualiteit wordt als een taboe behandeld en dood gezwegen, met alle schadelijke gevolgen vandien. Of er wordt te laconiek gedaan over seks, waarbij oude kinderen en jong volwassenen aangespoord door de maatschappij, tot vroegtijdig en grensoverschrijdend seksueel gedrag worden verleid. Teveel kinderen worden in deze consumptiemaatschappij via internet blootgesteld aan porno, wat tot een pornificatie van het mensbeeld leidt. Niet alleen beïnvloedt porno de kijk naar anderen, die alleen nog op uiterlijke seksuele kenmerken worden beïnvloed Eveneens gaat het eigen lichaams- en zelfbeeld ten onder in de pornificatie die deze samenleving legitimeert.

In de Victoriaanse tijd van Freud was het tegenovergestelde het geval. Je kunt dan ook stellen dat juist in het benoemen van de noodzaak tot bescherming van de seksuele ontwikkeling van kind zijn tot adolescent zijn, Freud met terugwerkende kracht een tegenwicht biedt aan de seksuele ontsporing van de huidige maatschappij.

Genitale fase

De laatste fase in de psychoseksuele ontwikkeling van kind tot adolescent is uiteraard de genitale fase, vanaf de leeftijd van 11-12 jaar.

Een eerste belangrijk gegeven in de psychoseksuele ontwikkeling van het kind vindt plaats op de brug van de latentie- naar de genitale fase. Dit is de norm-aliteit van een homo-erotische fase. Misschien is het bestaan hiervan nog wel het grootste taboe, welke helaas niet door Freud, noch Jung in de eigen tijd doorbroken is.

Je zou er versteld van staan hoeveel kinderen enige seksuele ervaring hebben opgedaan met leeftijdsgenoten van hetzelfde geslacht. Freud zelf associeert de genitale fase vanaf de leeftijd van 11-12 jaar, maar het veelal tijdelijke experiment op homoseksueel vlak vindt vaak al eerder plaats, in de periode vanaf 6-7 jaar.

Alleen een masculiene machocultuur die gericht is op ‘scoren’ bij het ander geslacht, maakt van de natuurlijke, veelal tijdelijke homoseksuele fase in de ontwikkeling van kinderen een taboe. Met wie anders kan een jongen in de overgang van de latentie- naar de genitale fase zijn piemel vergelijken en ontdekken wat er allemaal mee kan, dan met een vriendje? Hij is er nog niet klaar voor om dit met een meisje te beleven en heeft de veilige ruimte nodig om zonder oordeel of taboe het eigen lichaam te ontdekken in het spiegelbeeld van een seksegenoot. Ditzelfde geldt natuurlijk voor meisjes, die er aan het eind van de latentieperiode niet aan moeten denken dat ze het reeds met een jongen moeten ‘doen’, waarbij iemand hen voor het eerst in hun leven penetreert. Voor veel meisjes is dit, terecht, onveilig. Maar dit betekent niet dat zij niet reeds seksueel genot kunnen beleven aan hun eigen lichaam of dit voor het eerst ondergaan in het spiegelbeeld van een ander.

Freud zelf schrijft over de vele noodzakelijke, veilige seksuele mogelijkheden die de menselijke natuur op de overgang van de latentie- naar de genitale fase biedt weinig. Dit was zelfs voor hem taboe. Homoseksualiteit – tijdelijk of permanent – werd gezien als een stoornis in de psyschoseksuele ontwikkelingsfase, welke Freud verklaarde aan de hand van onnodig complexe intellectualismen. Hetzelfde geldt voor masturbatie: dé seksuele activiteit bij uitstek in de latentiefase. Dit alles werd door Freud ingekaderd binnen, wat ik noem, ‘de uitwassen van het oedipuscomplex’.

De uitwassen van het oedipuscomplex

Aangekomen bij het eind van deze beschouwing van de psychologie van Freud, kunnen we ons te goed doen aan het dessert: een ‘trifle’ van Freudiaanse rariteiten. Helaas (of niet) heeft Freud in een latere levensfase steeds meer curiositeiten gebakken. De genialiteit van Freud schuilt erin dat hij zelf zijn eigen patiënt was, ook al wilde hij niet erkennen dat veel van zijn inzichten op eigen ervaring gebaseerd waren.

In 1913 namen Freud en Jung samen de boot naar Amerika, om er een congres over psychoanalyse bij te wonen. Tot die tijd was Jung de meest veelbelovende leerling van Freud. Jung ging in zijn denken echter steeds meer een eigen weg, geïnspireerd door religieus-mystieke ideeën, die hij niet als hersenspinsels voortgekomen uit het Id zag, maar als valide expressies van de transpersoonlijke of religieuze functie van de psyche. Door het leeftijdverschil met de oudere Freud, zag Jung in zijn leermeester tevens een soort vaderfiguur. Deze meester-leerling / vader-zoon relatie ging een tijd goed, totdat de leerling zijn meester in theorievorming voorbij was. Toen doorzag Jung ook zijn projectie van het vadercomplex en nam deze terug. Dit wil zeggen: hij adoreerde Freud niet langer zondermeer als de autoriteit op geestesvlak, wat hij in zijn eigen vader, die dominee was, gemist had. Na zijn onttroning gaf Freud blijk van een hysterische reacte, die als schoolvoorbeeld in studieboeken over psychoanalyse niet zou misstaan: Freud viel flauw. Meer Freudiaans kun je het niet hebben! Na deze reis zouden Freud en Jung geen contact meer met elkaar hebben. Beiden gingen voort op hun eigen pad en Jung stichtte zijn eigen school die hij, verwarrend genoeg, ‘analytische psychologie’ noemde, een begrip dat dicht tegen de psychoanalyse van Freud aan ligt.

De fenomenen ‘vadercomplex’ en ‘moedercomplex’ zijn ingeburgerde begrippen in het Freudiaans jargon. Ze omvatten alle onbewuste associaties omtrent vader en moeder en dus voorbeelden van mannelijk en vrouwelijk. De complextheorie neemt binnen de dieptepsychologie een belanrijke plaats. De dieptepsychologie is weliswaar begonnen met Freud, maar is verder uitgewerkt door pioniers als Jung (analytische psychologie), Assagioli (psychosynthese) en vele anderen. Complexen worden in dit verband veel ruimer gezien dan in de enge Freudiaanse zin, waarbij ze alleen onderdeel kunnen zijn van het onderbewuste. Jung bijvoorbeeld kende aan het onbewust zijn een veel groter gebied toe, dat hij de schaduw of het persoonlijk onbewuste noemde. Complexen zijn dus zeker belangrijk binnen de psychologie, maar dan moeten ze wel ruimer dan in Freudiaanse zin worden beschouwd.

Als kers op de taart van Freudiaanse misbaksels is er dan het oedipuscomplex. Natuurlijk ligt in de theorievorming hieromtrent een kern van waarheid. Maar zoals gezegd, de theorie gaat wellicht voor enkelen op, maar kan zeker niet als universeel verklaringsmodel worden gebruikt, zoals Freud deed.

Oedipus was de mythische figuur die zijn eigen vader doodde en met zijn moeder trouwde. Freud leidde hier twee psychologismen uit af, die hij tot dogma verhief.

Ten eerste, zouden jongens met hun vader concurreren om de liefde van de moeder en hierbij de eigen vader psychisch doden. Dit moeten zij wel doen, want vader is veel machtiger en bijgevolg lijden jongens aan castratieangst: de angst dat de eigen vader uit wraakneming voor de incestueuze verlangens van het kind, de eigen zoon zal castreren.

Het tweede psychologisme luidt dat jongens heimelijk seksuele fantasieën hebben over de eigen moeder, wat leidt tot schuld en schaamte die geassocieerd worden met (hetero)seksualiteit.

Omdat de hele theorie eenzijdig paternalistisch is, werd later het ‘elektracomplex’ binnen de psychoanalyse geïntroduceerd. Deze is afgeleid van de mythische figuur Elektra en in dit verband werd een nieuw psychologisme bedacht, die luidt: meisjes hebben last van penisnijd. Hiermee neemt het paternalistisch gehalte van de psychoanalyse alleen maar toe, want nu wordt een deel van de werking van de vrouwelijke psyche verklaard aan de hand van het feit dat meisjes geen piemel hebben, wat voor velen traumatisch zou (kunnen) zijn.

Freud heeft de westerse mens zeker een goede dienst bewezen. Uit dit artikel mag blijken hoeveel theorie- en begripsvorming de (diepte)psychologie aan Freud heeft ontleend. Hulde voor Freud! Maar mogen artefacten als castratieangst en penisnijd bijna tachtig jaar na Freud’s dood eveneens een stille dood sterven.