De weg naar je ware zelf

Nieuws

Het verhaal achter Genesis

Alle artikelen, Mystiek & gnosis

MYSTIEK & GNOSIS - Genesis, dé scheppingsmythe van het Avondland, beschrijft hoe God de kosmos creëert – een geestelijke bestaansorde waar ook de mens deel van is. Na de zondeval bewoont de mens een stoffelijke wereld waar lijden en dood regeren. Joden en christenen interpreteren dit als de straf van God. Aldus vormden zij een negatieve visie op het fysieke, ‘zondige’ leven.

De eenzijdige focus van de wetenschap op de bestudering van de materiële wereld hangt nauw samen met de judochristelijke visie. Hoewel deze het bestaan van een diepere, geestelijke werkelijkheid erkent, ziet zij geest als gescheiden van materie. De fysieke mens bestaat daarom buiten de geest van God. Hij is een onmachtig subject dat afhankelijk is van het oordeel van zijn godheid, of – in de wetenschappelijke visie – van de blinde werking van materie. Maar wie Genesis in de occulte betekenis leest, ziet een geheel andere visie op het menszijn geopenbaard.

De schepping

Het Boek van de Wordingen (Genesis 1) beschrijft hoe God in het begin de hemel en de aarde schiep. Nergens in Genesis wordt verder gesproken over de hemel. Over de schepping van de aarde wordt wel verhaald.

Genesis beschrijft hoe God in zeven fasen (dagen) de oorspronkelijke wereld schiep: het paradijs. Van het paradijs wordt gezegd dat het land zich tooit ‘met jong groen gras, zaadvormend gewas en vruchtbomen’. Herhaaldelijk wordt opgemerkt dat God, kijkend naar zijn schepping, zag dat het ‘goed’ was. Over de inwoner van het paradijs schrijft Genesis dat deze geschapen is naar het evenbeeld van God. Deze mens is daarom goddelijk, en dus geestelijk, van aard.

Overigens, het paradijs dat de Godmens bewoont is dialectisch van aard. Het scheppingsproces wordt in dualistische termen beschreven. Door het licht van de duisternis te scheiden schiep God de oorspronkelijke wereld. Deze wordt geordend door de afwisseling van dag en nacht. Hieruit kan geconcludeerd worden dat het hier niet de hemel of het nirwana betreft. De oorspronkelijke wereld behoort daarom niet tot het domein van puur zijn, maar tot het domein van wording. Zij is niet de absolute zijnsgrond waar subject en object verenigd zijn, waardoor van ervaring niet gesproken kan worden. Hemel en paradijs (oorspronkelijke wereld) mogen dus niet verward worden! De ene is de absolute werkelijkheid, het bestaan of God zelf. De ander is de relatieve werkelijkheid, de wereld van ervaring. Ofwel: ruimte en tijd in wording.

De oorspronkelijke wereld kent geen lijden

Het domein van wording wordt met lijden geassocieerd. Boeddhisten spreken in dit verband van ‘samsara’. Van ervaring weten we dat zij veelal met lijden gepaard gaat. Dit komt niet doordat ervaring vergankelijk is. Het feit dat ervaring van het ene van vandaag op morgen kan omslaan in ervaring van het andere is geen aanleiding tot lijden. Lijden ontstaat doordat de mens waarde hecht aan een specifieke ervaring. Zij wilt de ervaring van gezondheid, maar niet die van ziekte. Wanneer de mens aldus het ene nastreeft zonder het andere te willen, zal hij zeker lijden ervaren. Want zo zeker als in de dialectische wereld dag en nacht elkaar afwisselen, zo zeker zal het ene eindigen in de ervaring van het andere. Door de wereld van wording waait immers continu de wind van de verandering!

Deze ‘wind van de verandering’ waait ook door de oorspronkelijke wereld. Haar schepping alleen al is een proces van wording; in zeven fasen wordt de kosmos voltooid. “Het werd avond en het werd ochtend; dat was de eerste (tweede, derde etc.) dag”, schrijft Genesis. Toch wordt in de oorspronkelijke wereld nergens melding gemaakt dat de mens er lijdt. Ook de dood is er afwezig. Traditioneel wordt de dood met lijden in verband gebracht. We lijden omdat we het heengaan van het ene niet onder ogen willen zien, en de opkomst van het andere niet willen aanvaarden. In deze zin is de dood afwezig in de oorspronkelijke wereld. De Godmens leeft in volkomen harmonie met de kosmos. Zijn leven weerspiegelt het ritme van de tijd. Hij leeft in het paradijs.

Leven in lijden

Dan gebeurt er iets waardoor de bewustzijnstaat van de mens verandert. Levend in dezelfde relatieve werkelijkheid, bevindt hij zich niet langer in het paradijs, maar op aarde. Deze (huidige) aarde heeft veel weg van de hel: haar grond brengt ‘distels en doorns’ voort. Ook de mens is niet langer dezelfde. Was hij oorspronkelijk androgyne – “mannelijk en vrouwelijk schiep hij hen” (Genesis 1:27) – nu is hij man of vrouw. En in plaats dat deze twee aspecten met elkaar samenwerken, werken ze elkaar tegen. De vrouw wordt door de man geregeerd en de man is dankzij de vrouw vervloekt. Beiden leven in lijden. God maakt de lasten van de zwangerschap van de vrouw zeer zwaar. De man moet zich tot zijn dood in het zweet werken voor zijn brood. Genesis 3:19: “Tot je terugkeert naar de grond, waaruit je bent genomen: je bent stof, en tot stof keer je terug.”

Het oorspronkelijke bestaan in het paradijs is in een leven in lijden veranderd. De zondeval vertelt het verhaal van deze verandering: niet de wereld, maar het bewustzijn van de mens is veranderd.

De zondeval

De zondeval is de verdrijving van de mens uit de tuin van Eden. Aanleiding hiervoor is het eten van de verboden boom van de kennis van goed en kwaad. Traditioneel wordt de val uit het paradijs, in de materie, uitgelegd als de straf voor het overtreden van dit verbod Gods. Toch, Genesis verhaalt van de verstoffelijking van de mens voordat hij van de vrucht van de kennis van goed en kwaad gegeten heeft! De occulte traditie begrijpt de zondeval dan ook niet als de straf van God, maar als het natuurlijke proces van verstoffelijking. Dit proces kent twee fasen: eerst wordt de oorspronkelijke mens geschapen (Genesis 1), waaruit later de huidige mens evolueert (Genesis 2).

De oorspronkelijke mens wordt – in het evenbeeld van God – zuiver geestelijk geschapen. Hij lijkt zozeer op God dat nergens een punt onderscheiden kan worden waar God begint en de mens eindigt. Aldus zegt God in Genesis 1:26: “Nu gaan Wij de mens maken, als beeld van Ons, op Ons gelijkend (…).” Hier wordt de nog ongemanifesteerde mens betrokken bij zijn eigen schepping! De mysticus leest hierin dat de mens, net als alle bestaansvormen, een manifestatie van God zelf is. Wanneer Genesis dus over God spreekt, betreft het niet een entiteit die buiten de kosmos bestaat. Integendeel, de kosmos is de gerealiseerde godheid, of: zijn-in-wording.

Genesis 2 beschrijft de wording van de huidige mens. Deze evolueert vanuit zijn oorspronkelijke, geestelijke staat naar een nieuwe toestand toe: de stof.

De stoffelijke mens

Nu het bewustzijn van de mens zozeer verdicht is dat hij niet langer zijn oorspronkelijke, geestelijke staat waarneemt, wordt hij tot inwoner van de aarde: de tuin van Eden. De stoffelijke mens an sich is niet zondig. Nergens stelt Genesis het proces van verstoffelijking gelijk aan de verbanning uit Eden. Toch wordt de aarde traditioneel opgevat als een Siberisch verbanningsoord. Deze interpretatie is de grondslag van de negatieve visie op het bestaan in materie waarvan joden, christenen en moslims getuigen. Hoewel onjuist, geeft deze interpretatie uitdrukking aan een diep onbewust weten: de mens is oorspronkelijk een spiritueel wezen. De vraag is: waarom ondergaat het spirituele wezen het bestaan in materie?

De noodzaak van materie

De traditie van de tijdloze kennis beschouwt het bestaan in materie als een valide ervaring van God. Deze traditie onderscheidt twee orden van bestaan: de absolute en de relatieve werkelijkheid. De eerste is het domein van puur zijn: de oorspronkelijke, ongemanifesteerde staat van geest. De tweede is het domein van gewaar-zijn of ervaring: de geopenbaarde geest die aldus de eigen aard ervaart. Zijn is de werkelijkheid, ervaring is een illusie. Ervaring veronderstelt dat geest-als-subject zichzelf als object ervaart. Scheiding tussen subject en object noodzaakt tot de manifestatie van geest. Deze kan zichzelf alleen manifesteren door het aannemen van vorm. Maar de oneindige geest kan geen eindige vorm aannemen. Wilt geest zichzelf dus als godheid ervaren, dan moet zij doen alsof zij eindig is. Zo manifesteert de Ene werkelijkheid zich in de illusie van verscheidenheid. Of: het alomvattende subject (geest) ervaart zichzelf door de vorming van objecten.

Deze objecten of  bestaansvormen zijn in werkelijkheid geestelijk – en dus vormloos – van aard. Maar naarmate de illusie van manifestatie voortduurt, vergeten de bestaansvormen hun ene identiteit als geest en beschouwen zij zichzelf als losse subjecten: materie. Het proces van verstoffelijking is een natuurlijke fase in het scheppingsproces. Want door te manifesteren wat het is om niet-God (eindige materie) te zijn, ervaart God zichzelf als de oneindige geest.

Verdergaande differentiatie

Genesis beschrijft het proces van verstoffelijking. Nadat de geest tot stoffelijk bewustzijn is verdicht, (her)kent hij zichzelf niet langer als God. Door verdichting wordt de aarde – de tuin van Eden – gevormd. Deze bestaat binnen het paradijs. Het paradijs is de vroege fase van het scheppingsproces waarin de eindige werkelijkheid relatief ongevormd is. In deze tijd zijn subject en object nauwelijks gescheiden, waardoor zij elkaar als expressievormen van de ene geest kennen. Genesis symboliseert dit door de scheiding van fluïde vormen als licht en duisternis. In de schemering ontmoeten licht en duisternis elkaar en weten zij dat zij één zijn. Met de vorming van Eden bereikt de differentiatie van geest een nieuwe fase: de geest is tot stof verdicht. Uit de stof worden de aarde en de huidige mens gevormd. De Ene heeft zich nu zover opgesplitst, dat de androgyne mens in Adam en Eva uiteenvalt.

De val in onbewustheid

In zijn voorzienigheid heeft God in de tuin van Eden de boom van het leven geplaatst. Wie van haar vruchten eet, weet dat hij het leven zelf is. Deze mens is als God: hij is het bestaan dat de ervaring als een vat inhoudt. De andere boom, die van de kennis van goed en kwaad, symboliseert de onwetendheid hiervan.

Het duale bewustzijn kent goed en kwaad als onderscheiden machten. De mens die in dit bewustzijn leeft identificeert zich met ervaring; hij meent dat hij het goede of het kwade is. Omdat hij hierdoor zijn goddelijke eenheid uit het oog verliest, zou God gezegd hebben: “Van de vruchten van de boom die midden in de tuin staat mag je niet eten (…) anders zul je sterven.” (Genesis 3:3)

Genesis 2:21 vormt de aankondiging dat de mens toch van de vrucht van de dualiteit zal eten. God laat ‘de mens in een ‘diepe slaap’ vallen. Omdat nergens van zijn ontwaken wordt gesproken, mag worden aangenomen dat de huidige mens nog steeds in diepe slaap verkeert.

Opkomend egobewustzijn

Als de slapende mens zich door de slang laat verleiden om van de boom van de kennis van goed en kwaad te eten, wordt hij uit de tuin verdreven.

Van alle dieren staat de slang het dichtst bij de grond: zij kruipt over de aarde. Wanneer we iemand willen vernederen laten we hem, net als de slang, ‘door het stof kruipen’. De slang belichaamt het aardse bewustzijn. Deze is blind voor de aanwezigheid van geest achter de veelheid van verschijningsvormen. Dit bewustzijn is het ego: het geloof in een afgescheiden bestaan. Daar dit geloof in ‘separateness’ (gerelateerd aan het woord ‘serpent’ of ‘slang’) gebaseerd is op de valse identificatie met vergankelijke ervaring, moet zij wel in lijden resulteren.

De slang symboliseert het opkomende egobewustzijn dat de oorspronkelijke eenheid in delen waarneemt: goed versus kwaad. Het ego wilt van de boom van de kennis van goed en kwaad eten, want haar vruchten maken verdergaande differentiatie van de geest mogelijk. Laat over het nut van het onderscheidende egobewustzijn geen twijfel bestaan! Genesis geeft hiervoor twee aanwijzingen.

In Genesis 3:5 zegt de slang tegen Eva: “God weet dat je ogen open zullen gaan als je van die boom eet, en dat je dan gelijk zult worden aan God, door de kennis van goed en kwaad.” Ofwel: het ego weet dat door differentiatie de visie van de mens geheeld zal worden. Want door het maken van onderscheid – de functie van het ego – wordt uiteindelijk ingezien dat alle levensvormen uitdrukking geven aan de Ene. Genesis 3:22 bevestigt dit als God zegt: “Nu de mens in de kennis van goed en kwaad als een van Ons is geworden (…).”

Een tweede aanwijzing ligt in de dubbelzinnige betekenis van de slang. Zij is niet alleen een door het stof kruipend gedierte, maar zij representeert ook de kundalini: de in alle bestaansvormen werkende geest die hereniging in God nastreeft. Wanneer dit wordt bereikt bijt de slang in haar eigen staart. Door begin en einde te verenigen, wordt de cirkel – symbool van de oneindigheid – gesloten.

Verdrijving uit de tuin

Maar voordat de oneindigheid zichzelf realiseert, en de weg naar de boom van het leven zich openbaart, ondergaat de mens een periode van schijnbare degeneratie. De huidige tijd is hier het voorbeeld van.

De judochristelijke mythologie stelt de mens als een ‘gevallen engel’ voor. Deze heeft de natuurlijke orde verlaten voor een noodorde: de aarde. De met het ego geïdentificeerde mens lijkt uit de natuurlijke orde – de gratie Gods – gevallen te zijn. Iemand die blind is voor de wetten van de kosmos, ervaart tegenwerking in het leven. Dit is niet omdat hij geen deel uitmaakt van de natuurlijke orde, maar omdat hij er niet mee in harmonie is. Hetzelfde geldt voor de mens in Genesis. Door zich in de geest van God steeds verder van het licht van de kennis van het leven te verwijderen, verdicht zijn geestelijk lichaam tot blinde materie. Bedenk echter dat materie nog steeds geestelijk van aard is!

Alles bestaat in God

De mens is in wezen dezelfde, hij is voor eeuwig goddelijk. Maar het goddelijke principe moet in de huidige mens door een grofstoffelijke verschijningsvorm van geest heen werken. Hierdoor wordt haar licht verduisterd en wordt het kwaad geopenbaard. Genesis leert ons dat wij ons stoflichaam weer vergeestelijken door te bevatten dat alles altijd in God bestaat.