De weg naar je ware zelf

Nieuws

It’s all God

Alle artikelen, Boeken & films, Mystiek & gnosis

BOEKEN - Dit artikel is geschreven in de geest van de Amerikaanse mysticus en auteur Walter Starcke.

Als we over God spreken, spreker we per definitie in metaforen. Geen enkel symbool is groot genoeg om het goddelijke te kunnen bevatten, maar sommige metaforen lenen zich wel beter dan andere. De God-de-vader-metafoor is anno 2017 hopeloos outdated. Je het hoogste levensprincipe voorstellen als een bebaarde man is vrouwonvriendelijk en psychosofisch volkomen incorrect. Het goddelijke is geen god of godin, niet mannelijk of vrouwelijk en transcendeert elke dualiteit. De metafoor van de schroef leent zich vele malen beter om God te te beschrijven.

Ik heb de metafoor niet zelf bedacht; zij is afkomstig van de Amerikaans mysticus Walter Starcke. Naar aanleiding van de metafoor herschreef Starcke tevens de bijbel, welke hij omdoopte tot ‘The Double Thread’.

De schroef en (dubbele) schroefdraad of ‘double thread’.

De metafoor is geniaal. Een schroef kan alle kanten opdraaien: links, rechts, boven en onder – net als God is de schroef overal. Een schroefdraad vormt bovendien twee ogenschijnlijke tegenbewegingen: de spiraal draait tegelijk centrifugaal (middelpuntvliedend) en centripetaal (middelpuntzoekend). Volg je de spiraal naar buiten toe, dan kom je net als God overal (zoals na de Big Bang). Volg je de spiraal naar binnen toe, dan ben je net als God overal: ook in het kleinste deeltje, ontstaan door een oneindig middelpuntzoekende beweging. Last but not least – de belangrijkste troef van de schroef om als metafoor van God te dienen: een schroef heeft een zichtbare en een onzichtabare kant en beide zijn even belangrijk. De schroefdraad gemaakt van staal (zichtbaar) boort overal gaten (onzichtbaar) in. Zo zie je maar weer hoe zelfs een ogenschijnlijk banaal en profaan voorwerp als een schroef als hoogste symbool van het sacrale kan dienen. Dankzij het beeld van een schroef kan iedereen zich een voorstelling maken van de alomvattendheid van het goddelijke, die bovendien tegelijkertijd zichtbaar en onzichtbaar is en waarbij de een – de zichtbare, fysieke kant – niet zonder de ander – de onzichtbare, geestelijke kant – kan bestaan. Dankzij de schroef begrijpt iedereen dat lichaam en geest één zijn. Dankzij de schroef is elke polemiek omtrent de dualiteit van het universum opgelost: God is zichtbaar en onzichtbaar tegelijk. Punt. Er is geen dualiteit. Punt. De een (geest) is niet belangrijker dan de ander (lichaam). Punt. De fysieke werkelijkheid is geen stinkende drol dat per ongeluk als afvalproduct is ontstaan. (Als zou God na de schepping van de hemelse hiërarchieën en engelenscharen nog een potje zijn gaan schijten, waar de zondige fysieke wereld en de mens uit voortkwam.)

En dit alles dankzij de schroef.

Halleluja!

Thank God for the screw and its double thread!

Walter Starcke, dank je wel voor het schrijven van je exegese ‘The Double Thread’ (het boek is alleen in het Engels verkrijgbaar).

God is everywhere

Alleen een Amerikaan zou op het idee komen om God te vergelijken met een schroef(draad). Alleen in een land waarin de aanbidding van materiële dingen tot in de finesses is ontwikkeld, kunnen de onbegrensde mogelijkheden van zoiets ‘dingelijks’ als een schroef worden begrepen.

Starcke had als Amerikaan één ding heel goed begrepen: ‘God is everywhere’. Een hamburger van McDonald’s is even goddelijk als de mijter van de paus, en hiermee even goddelijk. In de atomen van beide voorwerpen zit evenveel ‘God’. Het is een realiteit die weinig mensen kunnen of willen bevatten: de atomen die de gaskamers van Auschwitz vormden zijn even ‘geestelijk’ of ‘goddelijk geladen’ als de atomen die samen de mooiste kathedraal vormen. Zo bezien leent goddelijke kracht zich evengoed voor het bouwen van de hel op aarde, als het paradijs op aarde. Voor God maakt het geen verschil: elk atoom bestaat dankzij de goddelijke levensgeest. Het is de menselijke geest die beslist hoe hij de atomen rondom hem rangschikt: naar het beeld van God of als contrast van God. Het zal de schroef worst wezen in welke richting je deze draait: om dingen mee vast te schroeven tot een geordend geheel, een kosmos, of om dingen los te schroeven, waardoor constructen uiteen vallen tot entropie en chaos. De menselijke geest is de vrijmetselaar die beslist of hij zichzelf als ruwe steen polijst tot een diamant – een steen der wijzen – of dat hij zichzelf en de wereld om hem heen in stukken splijt, waartoe Hitler met zijn diabolische geest besloot.

Jarenlang heeft een oude advertentie van MTV, eens toonzettend, mijn woonkamer gesierd. De advertentie toonde een foto van een oude, schlemielig uitziende boer die een dode kip vasthield, met als heading: ‘God is everwhere, even in this chicken.’ Hoewel ik het een onsmakelijk tafereel vind – ik ben overtuigd vegetariër – drukt de advertentie voor mij wel in extrema het non-duale karakter van God uit.

God is letterlijk overal.

Punt.

De stropdas van Descartes

Eén van de meest vereerde denkers zou in hindsight onthoofd moeten worden. Dood zou hij zeker tot betere inzichten komen dan in zijn beroemde uitspraak: ‘Ik denk, dus ik ben.’ Zonder lichaam of brein om mee te denken, zou hij tot het besef komen dat ‘we niet ons brein’ (of lichaam) zijn.

Natuurlijk, dit alles is een kwestie van geloof, evenals positivistische wetenschap een kwestie van geloof is, waarbij hypothesen experimenteel onderzocht worden om theorieën te kunnen bewijzen. Maar een theorie is op z’n best een geheel van denkbeelden: opvattingen die we over de werkelijkheid geloven, maar nooit 100% zeker weten.

Mijn hypothese: als je jezelf zou onthoofden, dan zou je erachter komen dat er een bewustzijn is dat voortleeft en dat dus volledig onafhankelijk van het lichaam bestaat.

Je bent. Punt.

Geïncarneerd – vorm aangenomen hebbend in een lichaam – denk je en kun je over je eigen bestaan nadenken. Maar de gedachten die je over je ‘zijn’ bedenkt, zijn niet meer dan dat: gedachten. Ze zijn als jassen die je aan de kapstok van je zijn hangt. Neem je de jassen – het hoofd met haar gedachten – ervan af, dan blijft de kapstok gewoon staan. Je bent.

Het statement van Descartes heeft een stropdascultuur gecreëerd. ‘Ik denk, dus ik ben’ heeft de kloof tussen lichaam en (denk)geest vergroot. Vanaf de Victoriaanse tijd hebben veel mensen hun bewustzijn teruggetrokken in hun hoofd. Voor velen is het lichaam een vier-benig aanhangsel dat erbij hangt. Het lichaam is tot object geworden: niet alleen in de wijze waarop we over ons lichaam denken (‘lelijk, dik, rimpelig’, etc.), maar ook waarop we het behandelen: als een ‘ding’ dat je aankleedt, waar je eten in stopt en liefst veel van alles: eten, alcohol, nicotine, drugs, seks. Zo kunnen we dit ‘ding’ verdoven en hoeven we haar gevoelens en emoties van angst en pijn niet te voelen.

Dank je wel Descartes voor het vergroten van onze innerlijke gespletenheid. Als eerbetoon tooien we u met een prachtige stropdas, waaraan we u vervolgens ophangen. Geen nood, want ook zonder lichaam blijft u gewoon bestaan.

Testament van religieuze schizofrenie

Nu we Descartes opgeknoopt hebben, kunnen we voorbij de dualiteit van lichaam en geest, het nieuwe, non-duale godsconcept verkennen, zoals beschreven in de metafoor van God-als-schroef – ‘the double thread’ van Walter Starcke.

God is dus geest en lichaam tegelijk en kent absoluut geen scheiding tussen de twee. Zoals kwantumfysici weten, het universum bestaat tegelijk in de vorm van deeltjes, die als materie zichtbaar zijn, en zij bestaat als golvende geest – een hoedanigheid die voor het fysieke oog niet waarneembaar is. De non-duale God is tegelijk beide: lichaam en geest.

De mens heeft altijd gehad om deze paradox in één non-duaal godsconcept te vangen. Tot op heden is dit, in ieder geval de Westers denkende mens, nog niet gelukt, getuige het feit dat ons belangrijkste heilige boek uit twee delen bestaat: het oude en nieuwe testament.

Leg de twee boeken naast elkaar en je begrijpt wat schizofrenie inhoudt. Afgeleid van het Grieks, betekent schizofrenie letterlijk ‘gespleten’ (‘schizo’) ‘geest’ (‘phrenos’). Deze gespletenheid komt op tal van niveaus tot uitdrukking, bijvoorbeeld in het schichma tussen joden en christenen, waarbij de joden alleen het oude testament als ‘thora’ of wet erkennen. Voor joden is het nieuwe testament, dat van de leer van Jezus Christus getuigt, geen onderdeel van het religieuze onderricht.

De twee heilige boeken – de vijf boeken van Mozes (Pentateuch, Thora – oude testament) en de vier evangeliën (Matteüs, Marcus, Lucas, Johannes) die samen de kern van het nieuwe testament vormen – zijn in verschillende tijdperken ontstaan. Het oude testament stamt uit het tijdperk van de Ram, de 2160 die aan de geboorte van Jezus vooraf gaan. Het nieuwe testament is het handboek van het tijdperk van Vissen, waarvan de start met het begin van de Westerse jaartelling overeenkomt. Momenteel bevinden we ons dus in de staart van Vissen, met nog zo’n 140 jaar te gaan.

Ram en Vissen, twee sterrenbeelden, representeren twee tegenovergestelde Gestalten van energetische principes. In principe vormt Ram, zoals ook in het dier tot uitdrukking komt, het zinnebeeld van een strijdend principe. Dit principe wordt prachtig verwoord in het oudtestamentische Leitmotiv ‘oog om oog, tand om tand’.

Lees het oude testament er maar op na; zij vormt grotendeels een beschrijving van een gigantisch strijdtoneel, met als hoofdakte de strijd van de Israëlieten om aan de slavernij in Egypte te ontsnappen en zich een weg te banen door de wildernis van de woestijn, op weg naar het beloofde land. Helaas stoppen joden letterlijk met lezen wanneer zij het beloofde land, die grenst aan de Jordaan, bereikt hebben. Voor joden, die dogmatisch blijven steken in het Ram-tijdperk, is hier blijkbaar de grens van hun bewustzijn bereikt. Dit komt ook tot uiting in de dogmatische visies en ouderwetse levensstijl van veel chassidische joden, die zich strikt aan de codes van het strijdend levensprincipe houden en hierbij helaas de gevolgen van hun eigen Thanatos-levensinstelling ondervinden.

De god Thanatos is de Griekse personificatie van de dood. Ik ben me ervan bewust dat ik hier zeer gewaagde uitspraken doe, maar volgens de kosmische wet ‘zo binnen, zo buiten’, kan het niet anders dan dat wie de dood als levensprincipe omarmt, de dood in collectieve gedaante, zoals in de demon van de Holocaust, door het leven waart.

Mea culpa. U mag mij gelijk Descartes voor deze krankzinnigheid opknopen. Ik draag helaas geen stropdas, dus u zult een andere manier moeten verzinnen. Mag ik een suggestie doen? Spijker mij aan een kruis, zoals u met andere boodschappers heeft gedaan, dan sterf ik tenminste de dood van een messias. Of schiet ik nu te ver door in mijn Ram-drive?

Beter schakel ik over naar het nieuwe testament. Haar boodschap, geschreven in de tijd dat het Vissen-beeld de collectieve ontwikkeling begeleidt, staat haaks op het testament van Thanatos uit het Ram-tijdperk.

Anders dan wat God in het oude testament, het oude volk onder leiding van Mozes, als leidraad voor het leven meegaf, fluisterde God Jezus op de berg de volgende woorden in:

“Biedt geen weerstand aan degene die goddeloos is; maar slaat iemand u op uw rechterwang, keer hem dan ook de andere toe.” (Mattheüs 5:39)

Alleen iemand met religieuze schizofrenie kan beide spelregels in het leven tegelijkerijd toepassen. Er is ook geen logische oplossing voor dit geestelijk conflict. Descartes konden we nog opknopen om een einde te maken aan de schizofrenie die het denken in de geest teweeg brengt. Zonder denkend brein leeft de geest vrolijk verder. Jezus bewees hetzelfde. Spijker een mens op de hoogte van zijn spirituele ontwikkeling aan een kruis en hij beleeft zijn hemelvaart: de wederopstanding in zijn geestelijk lichaam. Zonder de aardse persoonlijkheid Jezus leeft de Christus-geest vrolijk verder. Dit was de blijde booschap, het evangelie van Jezus Christus. Jammer dat christenen, net als joden, zijn blijven steken in hun bewustzijnsontwikkeling. Blijkbaar vroeg het een te geestverruimende kwantumsprong om de boodschap van Jezus op zichzelf te betrekken: God, de heilige geest, woont in ieder zelf (zelfs in elk atoom). Wil je deze hypothese bewezen zien? Neem een kruis, vraag familie, vrienden of buren om je aan het kruis te spijkeren en zie: er is geen dood, alleen eeuwig voortgaand leven.

God is everywhere.

Eenheid van lichaam en geest

“The biggest hurtle we have in our spiritual search is in coming to the realization that the flesh and the spirit are one, just different dimensions of the one presence. That Presence is God.” (Walter Starcke)

Waarom hebben we twee heilige boeken, twee spelregels voor het leven meegekregen?

Omdat leven een schijnbaar antagonistische inspanning van de mens vraagt. De paradoxale tweespalt waarin ons huidig bewustzijn gevangen zit, is niet alleen, zoals hierboven beschreven, een sediment van twee verschillende tijdsbeelden: Ram en Vissen. Zij is ook meer dan de dualiteit waarin de descartiaanse mens gevangen zit.

De mens lijdt aan antagonisme, omdat we gewend zijn maar één zijde van de werkelijkheid te zien.

We geloven dat als we de fysieke werkelijkheid waarnemen, we de immanifeste, geestelijke dimensie niet zien. Met het fysieke oog kunnen we deze inderdaad niet waarnemen, maar we kunnen wel weten dat zij er tegelijk is. Het is in de ogenschijnlijke leegte of vormloosheid van de geest, dat ruimte vorm aanneemt in vier dimensies: lengte, hoogte, diepte en de vierde dimensie: tijd (de duur waarin ruimte vorm aanneemt).

Wanneer we ons geestelijk afstemmen op de immanifeste werkelijkheid, zijn we gewend om de fysieke werkelijkheid buiten te sluiten, zoals in het geval van meditatie en diepe staten van trance, waarin de scherpe contouren van het fysieke universum oplossen in onze beleving van de geest.

In beide staten van bewustzijn – gericht op de materiële of op de immateriële dimensie van het bestaan – staan we nog in een spagaat, gevangen in het dialectisch denken, dat het ene alleen kan kennen door het andere uit te sluiten. Onze duaal geprogrammeerde denkgeest, met haar dialectisch opererende software – het verstand – is het residu van homo sapiens: de mens die, gevormd door de tijdperken van Ram en Vissen, geleerd heeft om twee zijden van het bestaan te aanschouwen, maar hij kan dit nog niet simultaan. Dit is de ontwikkelingsopgave voor de nieuwe tijd: het tijdperk van Waterman, waarin alles transparant wordt, waardoor we de schijnbare dualiteit van lichaam en geest kunnen ontstijgen. Er zal een tijd komen, waarin de mens (weer) in staat zal zijn om over de grenzen van de dood heen te kijken, omdat het fysieke geen barrière meer vormt. Deze nieuwe vorm van bewust-zijn kan aangeduid worden als een ‘synthetiserend’ bewustzijn, dat de oude dualiteit of dialectiek tussen lichaam en geest transcendeert.

Nu bepalen onze fysieke zintuigen nog goeddeels ons wereld- en mensbeeld. Al wat we zien zijn fysieke begrenzingen. Logisch dat we descartiaans denken (‘ik denk, dus ik ben’) of dat we het oude testament indachtig, het leven ervaren als een survival of the fittest.

Binnen dit (oude) paradigma past de spelregel: ‘oog om oog, tand om tand’. Om fysiek te overleven, moet je af en toe om je heen slaan. Het leven wordt als een (concurrentie) strijd beleefd. De Israëlieten uit het oude testament zijn de slaaf van de farao, die symbool staat voor het lichaam en haar grofstoffelijk ik-bewustzijn. De Israëlieten zelf zijn de geïncarneerde godsvonken die hun geestelijke afkomst vergeten zijn, nadat de ziel ‘gevangen’ is geraakt in de kerker van materie.

An sich is materie geen kerker of gevangenis. Zij wordt dit pas nadat de geïncarneerde ziel het bewustzijn van zijn geestelijke navelstreng met God verliest. Er ontstaat een vorm van agnosie, een comateuze toestand waarin het zicht van de geestelijke dimensie verloren gaat. Het bewustzijn vernauwt zich steeds verder, totdat alleen het eigen lichaam overblijft als bewust beleefde identiteit. Vergeleken met onze geestelijke woning, waarin we niet alleen de hele kosmos als speelveld hebben, maar de oneindigheid en eeuwigheid bovendien, is het lichaam inderdaad als een kerker. Voor de in exodus levende godsvonk gelden daarom de spelregels van het oude testament: het handboek voor de in de stof gevangen zittende ziel.

Het laatste, vijfde boek van de Pentateuch (hebreeuwse naam voor het oude testament), behandelt de dood van Mozes. Mozes heeft de in de stof gevangen zittende godsvonken uit Egypte, symbool van het materiële rijk, geleid, door de woestijn heen, naar de grenzen van het beloofde land, het land van de geest. Mozes zelf haalt in zijn leven het einddoel niet. Vlak voordat hij bij de Jordaan, de grens tussen psyche en geest, de hemel op aarde zou binnentreden komt hij tot val. Hij heeft zijn geestelijke gaven misbruikt om naar eigen inzicht te handelen, niet in overeenstemming met de wil van God. Mozes heeft zijn ziel dus niet helemaal als perfect beeld of microkosmos van de goddelijke macrokosmos weten te herscheppen. Maar hij heeft de mens wel een uitweg geleid uit een ééndimensionaal bestaan in een materieel flatland, de woestenij en barbarij van een zuiver fysiek georiënteerd bestaan. Met de komst van Johannes de Doper en Jezus kan de gevallen ziel de volgende, laatste fase van het transformatieproces voltooien: een doop in de Jordaan of in het rijk van de geest, zodat de mens zich in zijn bewustzijn weer geheel verbonden weet met de (heilige) geest.

Een nieuw hoofdstuk in de evolutie was aangebroken en een nieuw handboek met spelregels moest geschreven worden. Dit is het nieuwe testament, dat grotendeels geïnspireerd is op geestelijke wetten die niet van materiële afscheiding uitgaan, maar van de eenheid van en in geest getuigen.

Getuigenis van Jezus en het nieuwe testament

Op dit punt gekomen moet een onderscheid worden gemaakt tussen het nieuwe testament zoals we dit kennen en de woorden van Jezus, zoals deze in apocriefe geschriften als de Dode Zeerollen en de geschriften van Nag Hammadi zijn weergegeven. In de laatste twee bronnen zijn tal van voorbeelden te vinden waarin Jezus van de eenheid van geest – en dus van die van God en de mens – getuigt. Jezus spreekt er duidelijk van dat Christus, de inwonende godheid, in ieder mens aanwezig is en dat de titel ‘enig geboren zoon van God’ zeker niet alleen aan hem toegeschreven kan worden. De uitspraak verwijst er juist naar dat er slechts één zoonschap is: een eenheid van geest. In apocriefe geschriften spreekt Jezus eveneens over reïncarnatie: de godsvonk die steeds opnieuw geboren wordt in een fysiek lichaam, wat een tijdelijke illusie van afscheiding creëert.

Het is duidelijk en logisch dat de kerkvaders van de eerste eeuwen veel van de oorspronkelijke uitspraken van Jezus uit de bijbel hebben geschrapt. Het kwam hen simpelweg niet goed uit om de mens tot goddelijke status te verheffen, omdat de functie van kerkelijke machthebber hierdoor overbodig wordt. Als God overal is, dan hoef je geen kerk naar binnen te gaan of de bemiddeling van een priester te aanvaarden om God te leren kennen. In logion 113 van het apocriefe evangelie van Thomas antwoordt Jezus in niet mis te verstane woorden het volgende als zijn leerlingen vragen wanneer het koninkrijk van God komt?

“Het zal niet komen door erop te wachten. Men zal niet zeggen: ‘Kijk, daar is het’ of ‘Kijk, dat is het’. Maar het Koninkrijk van de Vader is verspreid over de aarde en de mensen zien het niet.”

Helaas is het nieuwe testament een slap aftreksel geworden van de oorspronkelijke gnostieke boodschap van Jezus. Veel van de directe verwijzingen naar de alomtegenwoordigheid van God zijn eruit gehaald, inclusief alle verwijzingen naar reïncarnatie. Want stel je voor dat de westerse mens beseft dat hij heel wat levens heeft om de alomvattendheid van God te bevatten…. Dan zal hij zich in dit leven wellicht helemaal niet meer inspannen om de richtlijnen uit de bijbel, opgesteld in naam van de kerk, op te volgen.

Omnipresent, omniscient, omnipotent

Toch is ondanks de kerkelijke censuur de kernboodschap van het nieuwe testament intact gebleven. Deze luidt: God is liefde.

Heel het nieuwe testament is een getuigenis van de liefde van God. Jezus heeft het belang van deze goddelijke kwaliteit kracht willen bijzetten door te spreken in de metafoor van God de vader die zich tot de mens relateert als zijn zoon. Door een verkeerde interpretatie heeft deze veel gebruikte metafoor als neveneffect gehad dat de mens God als mannelijk is gaan zien – alsof geslacht überhaupt aan de orde is op geestelijk niveau! Daarnaast zijn we God als een vader buiten ons blijven zien, waardoor we het oudtestamentische exoterisch godsbeeld intact hebben gelaten.

In zijn boek ‘The Double Thread’ gaat Starcke terug tot de zuivere kern van het nieuwtestamentische godsbegrip, welke hij weergeeft in drie kwaliteiten van God. Ik geef deze drie kwaliteiten hier in het Engels weer, om niet af te doen aan de kracht van de oorspronkelijke woorden. Aldus somt Starcke het nieuwe testament samen als:

‘God is omnipresent, omniscient, omnipotent.’

Ik weet nog wat voor een impact deze woorden op mij hadden toen ik Starcke’s nieuwe bijbelvertaling las. Je kunt deze woorden op geen enkele wijze verdraaien of kleineren. God is letterlijk overal. In elk molecuul en atoom (en kleiner dan dit).

De alomvattendheid van God kent twee dimensies: God is immanent en transcendent. Dat wil zeggen: God is overal in de schepping van ruimte en tijd aanwezig, maar hij is er tevens transcendent aan – God is veel omvattender dan ruimte en tijd. Om dit begrip te kleuren, kun je het universum waarin wij bestaan opvatten als een atoom in het lichaam van God. Dan krijg je een besef van wat de alomvattendheid van God inhoudt.

‘Alomvattend’ is overigens synoniem met ‘oneindig’: aan de presentie van God komt letterlijk nergens en nooit een einde. Dit heeft een belangrijke bijwerking: God is alwetend. Als je, zoals God, in alle dimensies van ruimte en tijd aanwezig bent, maar tevens als eeuwigheid alle tijd omspant en als oneindigheid alle universa in je draagt, dan weet je letterlijk van het bestaan van alles in alle dimensies van tijd en ruimte. Niet alleen van het bestaan van het alles in het huidig moment, maar ook van het bestaan van alles tot in de verste toekomst of het diepste verleden. God is zodoende alwetend wat betreft alle aspecten van de mens en alle andere wezens in alle werelden of gradaties van bestaan.

Persoonlijk vind ik de laatste gedachte geruststellend. God is altijd op de hoogte van mijn bestaan en in zijn voorzienigheid weet hij en elke fase van mijn evolutie wat het beste is voor mij in relatie tot alle andere wezens. Maak echter niet de vergissing dat, dankzij de voorzienigheid van God, je lui achterover kunt gaan hangen wat betreft je eigen rol in het zich ontvouwende scheppingsproces. No way! Vergeet niet dat je zelf goddelijk bent en dus co-creator bent in het scheppingsproces. Het feit dat je je, in je huidige fase van evolutie, waarschijnlijk niet bewust bent van je goddelijke status en bijkomende privileges als alwetendheid, ontslaat je niet van je opdracht om je bewustzijn te scheppen naar het evenbeeld van God om zo – ‘zo boven, zo beneden’ – analoog aan de Vader in de hemel, de hemel op aarde te creëren.

Tot slot beschrijft Starcke hoe God – zijnde alomvattend en alwetend – almachtig is. In God is alles mogelijk. Letterlijk. Omdat alle universa in de oneindige geest van God bestaan, zijn er letterlijk geen grenzen aan wat mogelijk is. Opnieuw geldt echter dat de almacht van God je niet van de eigen verantwoordelijkheid als medeschepper ontslaat. Het feit dat we er als mens momenteel een puinhoop van maken, is onderdeel van ons leerproces als scheppende wezens. Het zal zeker niet zo zijn dat God in zijn almacht de puinhoop in onze levens zal opruimen. Bidden helpt niet. Je bidt immers tot je Zelf. En zolang je in jouw leven niet de noodzakelijke actie onderneemt voor een upgrade van je bewustzijn, kan de goddelijke almacht en alwetendheid je niet bereiken. Je zult je hiervoor moeite moeten doen, net als Jakob die de ladder naar de hemel stap voor stap beklom. Blijf je onderaan de Jakobsladder staan, dan zul je wellicht in wanhoop uitroepen: ‘Waarom heeft God de Holocaust toegestaan?’ Het simpele feit is: de mens, als co-creator, heeft vanuit zijn vrije wil de schepping in een nachtmerrie scenario gestuurd. En zelfs dit is voorzien, in de alwetendheid van God. En zelfs dit heeft een hoger doel tot bewustwording, voorzien door God. En zelfs deze nachtmerrie zal uiteindelijk een happy ending krijgen – dat garandeert de goddelijke almacht. Het zal alleen een (hele) lange tijd duren totdat de mens in zijn bewustzijn kan tippen aan de alwetendheid en almacht van God en hij zich zal realiseren dat hij – de mens – in zijn geest alomvattend is.

It’s all God.