De weg naar je ware zelf

Nieuws

Contact met de ziel en de geesteswereld

Alle artikelen, Mystiek & gnosis

VERHANDELINGEN OVER DE ZIEL, DEEL 2 - De mens bestaat uit drie delen: lichaam, ziel en geest. We kunnen ook zeggen: ego (persoonlijkheid), ziel en geest.

De drie delen bestaan niet afzonderlijk van elkaar, maar zijn met elkaar verweven. Ze zijn in voortdurende interactie met elkaar. De kunst is om vanuit het ik- of egobewustzijn van de persoonlijkheid de boodschappen van de ziel te ontcijferen.

Geestziel en natuurziel

De ziel zelf bestaat als het ware uit twee delen: een deel dat met de persoonlijkheid is gefuseerd en gericht is op de aardse werkelijkheid. Het andere deel is gericht op de geestelijke werkelijkheid. Juist omdat de ziel twee ‘gezichten’ heeft kan zij twee kanten op kijken: richting de oneindige en eeuwige geestelijke werkelijkheid en richting de eindige, aardse realiteit van tijd en ruimte. De ziel kan zo tussen beide werelden, vergankelijkheid en eeuwigheid, intermediëren. Dit is essentieel, want zonder de aansturende werking vanuit de oneindige intelligentie die besloten ligt in de eeuwigheid, zou de aardse persoonlijkheid verloren zijn. Het ego en de natuurziel – het deel van de ziel dat op de fysieke natuur is gericht – zijn immers zo geïdentificeerd en verweven met de vergankelijke, materiële werkelijkheid, dat zij de geestelijke waarden en de daaraan verbonden gewetensfunctie gemakkelijk uit het oog verliezen. Geweten is een ‘weten’, een herinneren van het ware, goede en schone – de essentiële kwaliteiten van de geest. Zonder de verbinding met de geestziel – het deel van de ziel dat op de geest is gericht en waarin het geweten zetelt – zou de evolutie al heel snel op een dood spoor terecht komen.

Het ontstaan van het ego

Je vraagt je misschien af waarom we überhaupt een ego en een natuurziel hebben? Was het niet voldoende om zuiver als geestelijke entiteit – een geestziel in communie met de geest – te bestaan. Engelen zijn zo’n wezens. Zij hebben geen ego: geen ik-bewustzijn waarmee ze zich als afgezonderde geestelijke wezens ervaren. Ze kennen alleen het één zijn met het goddelijke en haar ten deel vallend kosmisch of universeel bewustzijn.

De mythe van Lucifer en de val van de engelen verhaalt echter hoe een deel van de engelen langzaam maar zeker het bewustzijn van één zijn met de geest verloor. De mens is hiervan het resultaat: wij zijn gevallen engelen die in de loop van onnoemelijk lange tijden ons eenheidsbewustzijn verloren hebben. Althans, voor een deel. Een deel – de geestziel – is zich nog volledig bewust van haar één zijn met het goddelijke. We zijn immers naar het evenbeeld van onze schepper geschapen en dragen zodoende de godsvonk in ons wezen. Dit goddelijk beginsel dat in ieder wezen bestaat is onvernietigbaar. Zij kan op geen enkele wijze verloren gaan. Wat wel verloren kan gaan is het bewustzijn van de godsvonk in het diepst in ons wezen. Dit is wat gebeurd is tijdens de val, waarbij een deel van de engelen als het ware in slaap viel voor het bestaan van de godsvonk in hen en zij, parallel aan hun geestelijke, onvergankelijke natuur een tweede natuur, vergankelijk en materieel, ontwikkelden. Hieruit is het ego of ikbewustzijn voortgekomen en haar vergankelijke persoonlijkheid en fysieke lichaam.

Omdat altijd alles bestuurd wordt via onveranderlijke, geestelijke wetten, werden ook het ego, dat zijn zetel heeft in de natuurziel, onderworpen aan deze geestelijke wetten. Dat wil zeggen: binnen het goddelijke plan werd het ontstaan van het ego, welke uit vrije wil van een deel van de engelen is ontstaan, meegenomen als een evolutionaire mogelijkheid. Met het ontstaan van het ego verkregen de gevallen engelen ook onderscheidingsvermogen en dit bracht geheel nieuwe evolutionaire mogelijkheden met zich mee. Nu was een deel van de wezens immers in staat onderscheid te maken, bijvoorbeeld tussen goed en kwaad – iets wat binnen het eenheidsbewustzijn van de alomvattende geest ondenkbaar is. Binnen de geest is er immers sprake van eenheid, die bijvoorbeeld als absolute liefde en kennis worrdt ‘ervaren’. Met de komst van het ego kwam ook de relativiteit tot leven. Plotseling verviel absolute kennis in gradaties van bewustzijn en werd zij relatief. Afhankelijk van het bewustzijn of het perspectief van het waarnemend ego is iets meer of minder waar. Hoe groter het bewustzijn, des te alomvattender is haar perspectief en neigt relatieve kennis naar waarheid. Maar vanuit het ego gezien kan de waarheid, welke alomvattend en absoluut is, nooit gekend worden – zij kan alleen benaderd worden. Hetzelfde geldt voor absolute waarden als liefde en het goede. De ego kent beide alleen in het tegenlicht van angst en haat enerzijds en het kwaad anderzijds.

De kunst van het leven is om, levend vanuit het ego en de natuurziel, steeds meer doordrongen te raken van de waarheid van de geestziel. Dit is de evolutionaire tegenhanger. Eén deel van de evolutie van de gevallen engelen is erop gericht geweest om via het ego en de wederkerende incarnatiecyclus ervaring op te doen in de materie, waarbij alle aspecten van goed en kwaad onderzocht en beleefd worden. Een ander deel van de evolutie sindsdien is erop gericht de ervaringen, opgedaan tijdens een incarnatie, af te wegen tegen de absolute standaarden van de eeuwigheid, om aldus hun evolutionaire ‘meerwaarde’ te bepalen. Door angst en haat te ervaren, krijgt liefde diepgang, want nu weet een deel van de engelen – zij die gevallen zijn – wat het is om verstoken te zijn van liefde en een leven te leiden dat bijvoorbeeld wordt gekenmerkt door zorgen, angst en psychische aandoeningen als depressie. Echter, deze tijdelijke ervaringen hebben alleen waarde in het licht van het absolute, omdat zij als het ware het absolute meer inhoud geven dan voorheen – dit is de functie die de val van de engelen binnen het goddelijk plan gekregen heeft.

We moeten dus in twee richtingen ons onderzoek doen.

Via het ego en ons fysiek leven verkennen we alle mogelijkheden dat het leven op aarde te bieden heeft, zowel in licht, als in duisternis. Hierin rekken we als het ware de ervaringsreikwijdte van het ego steeds verder op; steeds diepere mogelijkheden in de materie onderzoekend en belevend. Via de brug die tussen de natuur- en de geestziel bestaat, houden we onze ervaringen opgedaan in de relatieve werkelijkheid tegen het licht van de absolute werkelijkheid en leren we ons te ontdoen van hun relatieve, tijdelijke waarde. Ervaringen in deze tijdelijke, materiële werkelijkheid zijn flinterdun. Door identificatie met de geestziel leert het ego zich er steeds meer van te onthechten, zodat het ik slechts de geestelijke waarde ervan leert beschouwen. Het ik geeft de opgedane ervaringen als het ware terug aan de geest en laat zijn krampachtige neiging tot hechting eraan los. Zo maken we de relatieve werkelijkheid tot een instrument van geestelijk onderzoek. Dit is de (enige) functie die zij heeft.

Contact met ziel en geest

We hebben ons echter zo diep in de materiële ervaring ingegraven, dat het voor heel veel mensen moeilijk is om een wezenlijk contact met hun dieper gelegen geestziel – het hoger Zelf – te ervaren. Veruit de meeste mensen zich alleen bewust van hun ego en lichaam.

Tot op een bepaalde hoogte van de evolutie hoeft dit geen probleem zijn.

Nadat een deel van de engelen gevallen waren, verloren zij in eerste instantie alle besef van de geestelijke werkelijkheid waaruit ze voortgekomen zijn. Zij vervielen tot, wat Rudolf Steiner noemt, een dof saturnaal bewustzijn, welke gelijk staat het bewustzijn van het mineralenrijk.

Ik weet dat dit velen als ‘absurd’ in de oren zal klinken, maar wij zijn allen eonen van tijd in ons bewustzijn verdoofd geweest tot op het bestaansniveau van het mineralenrijk. Daarna klom een deel van de gevallen wezens op tot het iets ruimer bewustzijn van het plantenrijk, waarin het etherlichaam meer mogelijkheden geeft tot voeling met zowel de fysieke, als de geestelijke werkelijkheid. Op de volgende trede van de evolutieladder verscheen het bewustzijn in dierlijke vorm, dat eveneens over een astraal lichaam beschikt, en daarmee instincten en emoties kan ervaren. Tot slot klom een deel van de gevallen engelen op tot het niveau van mens zijn, waarin we voor het eerst weer de mogelijkheid hebben om vanuit ons gegroeid bewustzijn contact te maken met de geestziel en haar verbinding met de goddelijke werkelijkheid. Dit kan doordat de mens, naast een fysiek (mineralenrijk), etherisch (plantenrijk) en astraal (dierenrijk) lichaam, ook een mentaal lichaam heeft. Via zijn denkvermogen is de mens in staat op zichzelf en zijn afkomst te reflecteren. Zo kan hij zich langzaam maar zeker zijn goddelijke afkomst weer voor de geest halen.

Zo lang je nog als mineraal, plant of dier bestond, was er van vrije wil nog geen sprake. Het bewustzijn in deze levensvormen is zo verdoofd, dat zij nog geen verantwoordelijkheid over een eigen leven kunnen dragen. Pas op de trede van het mens zijn en het daarmee gepaard gaande zelfbewustzijn is er sprake van keuze en vrije wil. De mens moet, vanuit zijn ik, voortdurend keuzes maken in het leven. De mens die nog voor het grootste gedeelte vanuit zijn grofstoffelijke, animaal ingestelde natuurziel leeft, kijkt in het maken van keuzes over het algemeen niet verder dan zijn neus lang is. Hij is gericht op kortstondig fysiek en emotioneel genot. Maar wanneer de ziel als het ware begonnen is aan de terugreis – zijn mentale blik richtend op zijn onsterfelijke natuur – dan ontstaat er in de mens het verlangen om het goede te doen, de waarheid omtrent zijn leven en het universum te weten en een verlangen om bij te dragen aan het creëren van schoonheid, door het ware en het goede in de wereld te verwezenlijken. In deze fase van ontwikkeling worden zelfkennis en religie – een op spirituele waarden gegrondvest leven – steeds belangrijker. Er ontstaat weer bewust contact met de eigen ziel en via de geestziel, met de geestelijke werkelijkheid, de schoot waaruit we allen voortgekomen zijn. In de evolutie van ego en ziel ontstaat nu een heel belangrijke fase die, paradoxaal genoeg, in eerste instantie tot een verwaring van het leven leidt.

Arbeid adelt

Naarmate het bewustzijn van het ego van zijn ware, geestelijke natuur toeneemt, wordt het ik geconfronteerd met een alsmaar groter wordende myriade van mogelijkheden. Je word je bewust van de ongekende complexiteit die aan het leven in het algemeen en dat van jou als individu ten grondslag ligt. Je kunt je levensomstandigheden niet meer af doen als ‘toevallig’, want in een goddelijk bestuurde wereld regeren alwetendheid en voorzienigheid en is ieder atoom in het universum op elk moment gekend. In een dergelijke context hebben alle gebeurtenissen in je leven een diepere of hogere betekenis. Alleen kent het ego deze betekenis in eerste instantie vaak niet. Het is alsof je van de een op de andere dag in een andere wereld ontwaakt. Je bent je er opeens bewust van dat jouw ziel met jouw leven volgens een zeer ingenieus plan bepaalde bewustzijnsdoelen wil verwezenlijken, alleen ken jij – dat wil zeggen: het ego – het groter plan niet! Je ervaart dat je leven een betekenis heeft die voorbij gaat aan de uiterlijke omstandigheden, alleen tast je innerlijk nog in het duister over het verband tussen binnen en buiten. Ja, alles dat zogenaamd ‘buiten’ je om bestaat, is een heel exacte afspiegeling van je eigen binnewereld. Je schept ook steeds minder genoegen in een hedonistisch en egocentrisch leven. Kortstondig genot en egoïsme zijn voor de ziel als fast food – ze stillen de honger van de ziel naar bewustwording niet, maar ze stompen af. Het is heel goed mogelijk dat de aspirant zoeker naar waarheid op een bepaald moment de moed verliest: je voelt je verloren in de myriaden bewustzijnsdoelen en -mogelijkheden, waarmee de geestziel de natuurziel en het ego heeft omkleed.

Op dit punt van de reis is er nog iets. Het leven kan ook daadwerkelijk zwaarder zijn en het lijden neemt toe. Het is namelijk ook zo dat, wanneer de ziel weet dat zij op een bepaald punt van haar evolutie over hogere mogelijkheden tot bewustwording beschikt, de ziel de geïncarneerde persoonlijkheid zwaarder zal belasten. Vergelijk het maar met een werkpaard of een trekezel. Wanneer de eigenaar, de ziel, beseft dat het dier een zwaardere last kan dragen, zal hij het dier zwaarder belasten. Hetzelfde geldt voor de (geest)ziel, die haar blik op de oneindigheid gericht houdt en die de tijdelijke lijdenslast van een moeilijke incarnatie relativeert, in de wetenschap van de hogere, meer omvattende bewustzijnsdoelen die een ziel tijdens een incaratie realiseert. Echter, dit alles samen – bewustwording van de toegenomen complexiteit en de daadwerkelijke ervaring dat het leven meer eisen stelt – kunnen de aardse persoonlijkheid het gevoel geven een ‘ondraaglijke’ last te dragen. Sommigen bezwijken zelfs onderweg. Ze keren hun blik ziel en geest af en proberen over te gaan tot de orde van de dag. Dit kan echter niet, zonder het knagend besef te weten dat er ‘meer’ is te dempen, bijvoorbeeld via een verslaving, een geestesziekte en, in de meest tragische gevallen, zelfdoding.

Toch loont het om juist in de donkerste nacht van de ziel door te zetten. Niet alleen omdat de bewustzijnsdoelen in dit en volgende levens zeer lonend zijn, maar ook omdat juist in de strijd van het ego om de diepere beweegredenen van de ziel te leren kennen, het bewustzijn als een diamant geslepen wordt. Volharding en wislkracht zijn zeker twee eigenschapppen die elke aspirant zoeker moet ontwikkelen, wil hij de waarheid, bijvoorbeeld omtrent zijn eigen leven, bereiken.

Hoe kom je tot zelfkennis?

Een belangrijke vraag is hoe tot zelfkennis te komen?

Hoe weet je wat het incarnatieplan is voor jouw leven? Hoe weet je wat er in een bepaalde tijd en onder bepaalde omstandigheden van je verwacht wordt? Hoe kun je weten of je de juiste keuze maakt – dat wil zeggen: een keuze in overeenstemming met het hogere, meer omvattende perspectief van de ziel?

De vraag hoe tot zelfkennis te komen is zo oud als de mens zelf. En zoveel wegen als er naar Rome leiden, zoveel wegen en dwaalwegen leiden naar zelfkennis…

Ik zelf heb op dit gebied elke mogelijkheid aangegrepen.

Omdat ik al op jonge leeftijd met een voor mijn gevoel intens lijden werd geconfronteerd (welke ik niet kon verklaren), moest ik wel in vrijwel alle richtingen naar kennis zoeken; het was simpelweg een kweste van overleven.

Na de aanvankelijke incubatieperiode, waarin ik alle mogelijke boeken over spiritualiteit en dieptepsychologie las, stokte mijn aanvankelijke progressie. Er komt een punt dat het leven wil dat je de opgedane boekenwijsheid praktisch gaat toepassen. Dit is als het afleggen van een (eerste) examen, om te toetsen of je de theoretische inzichten ook in de praktijk kunt brengen. Dat bleek in mijn geval maar in mondjesmaat te lukken. Ik bleef (dood)ongelukkig en bleef met essentiële vragen zitten. Toen begon mijn exploratie van alle praktische wegen, waarbij ik dozijnen vormen van therapie (en een veelvoud aan therapeuten) heb doorlopen, aanvankelijk zonder veel succes. Ook bezocht ik tientallen ‘zieners, helers en goeroes’, waardoor ik niet alleen vrijwel alle facetten van de mogelijkheden tot bewustwording heb onderzocht, maar eveneens geleerd heb om de (vele) charlatans te onderscheiden van de enkele ingewijde. Overigens, de meeste charlatans zijn goed bedoelende mensen die anderen willen helpen, maar zelf nog veel te weinig weg hebben afgelegd om werkelijk te kunnen doordringen in de ongelooflijke complexiteit van de zielen- en geestelijke wereld. Toch, mijn progressie bleef in het niets staan tegenover de steeds zwaarder wegende problemen die zich van binnenuit en van buitenaf aan me opdrongen. Onderwijl was mijn bewustzijn wel zodanig ontwikkeld, dat ik een heel grote fijngevoeligheid begon te ontwikkelen voor mijn droomleven. Ik begon de vele dromen die ’s nachts tot me kwamen te regisseren en heb er in de loop der jaren vele duizenden opgeschreven en geanalyseerd. In eerste instantie kon noch ik, noch mijn psychosofisch begeleider er een touw aan vastknopen. (Hij noemt zichzelf liever geen ‘therapeut’, omdat deze term erg nauw is en beladen is door de vele ‘magere’ vormen van therapie die nauwelijks in de diepte reiken.) Toch, na hard doorwerken – vele jaren intensieve bewustzijnsontwikkeling – begonnen er rode draden in mijn dromen te verschijnen, die me op het juiste spoor zetten. De geestziel begon, eerst heel zachtjes, door de dichte mist van mijn vele wanen, illusies, splitsingen en dissociaties (onbewust zijn), heen te schijnen. De via de dromen aangereikte persoonlijke thema’s (complexen) en collectieve thema’s (archetypen) heb ik verdiept door zelfstudie. Door de thema’s te verbinden met gelijkende sprookjes en mythen kon ik naar de, vanuit de mythos aangereikte zielskennis van de mens, naar oplossingen speuren voor mijn problematieken. Daarnaast begon ik steeds ontvankelijker te worden voor de ontelbare synchroniciteiten die zich in het dagelijks leven voordoen: gebeurtenissen die betekenis hebben, omdat zij resoneren met innerlijke thema’s. God heeft er een handje van om je via de buitenwereld dingen duidelijk te maken, maar dan moet je er wel open staan voor synchroniciteiten. Langs deze, en nog andere wegen, ben ik de ‘internetverbinding’ tussen mijn ego en de geestziel steeds beter gaan gebruiken. In de loop der jaren heb ik ook mijn ‘software’, zeg maar mijn ‘bewustzijnspakket’, diverse malen vernieuwd, waardoor ik de binnenkomende informatie in steeds grotere hoeveelheden en met meer begrip van de complexiteit kon verwerken.

Contact met de geesteswereld

Op een bepaald moment echter, en dit moment ligt nog niet ver achter me, realiseerde ik me dat, met de beste wil van de wereld, er nog een aantal zeer zware karmische thema’s op een heel indringende wijze mijn leven doordrongen en dat, om hier tot slot definitief mee af te rekenen, ik er behoefte aan had om nog verder te reiken in bewustzijn. Alleen, als je op dat moment zelf niet over dat bewustzijn beschikt, dan kun je er dus voor kiezen om te raden te gaan bij zieners, mediums die in contact staan met geestelijke begeleiders die de mens vanuit de geestelijkse sferen bijstaan. Hier lag voor mij één van de grootste beproevingen: een loepzuiver onderscheidingsvermogen te ontwikkelen, om zo de duidingen vanuit gene zijde steeds subtieler te interpreteren.

Hier liep ik tegen het probleem aan dat zelfs goede mediums blinde vlekken hebben en vertekende boodschappen doorgeven. Daarnaast vraagt onze evolutie niet om een willoos volgen van de goede raadgevingen vanuit gene zijde, de sterrenhemel (astrologie), tarotkaarten of I Tjing. Het is voor de aaneenschakeling van natuur- en geestziel van essentieel belang dat het ego als het ware oplost in het hoger bewustzijn. Hiervoor is een waar hoger bewustzijn noodzakelijk. Een dergelijk bewustzijn getuigt niet alleen van zelfkennis, maar eveneens van een grote zuiverheid op het gebied van ethiek en moraliteit. Uiteindelijk kan een hoger bewustzijn zich alleen ‘bewijzen’ door de zuiverheid van haar beweegredenen: de diepgang van haar liefde, voor zichzelf en de wereld om zich heen. Alleen een bewustzijn dat in voldoende mate door liefde is geslepen, is zuiver als diamant en helder als een kristal en kan het licht van de waarheid reflecteren. Liefde, welke zich spiegelt in een hoge moraliteit, gaat in deze fase gepaard met een ijzeren wilskracht: het absolute verlangen om de waarheid omtrent je leven (of een facet ervan) te weten. Deze attributen worden genoemd: een nietzschiaanse wil en geestkracht. Dat wil zeggen: je stelt je met je wil boven het (nood)lot door je op geen enkele wijze van je stuk te laten brengen, maar je lot, in weerwil van je eigen emoties en lijden, te voldragen, hierbij een steeds grotere geestkracht opbouwend. Een dergelijke geestkracht temt de natuurziel en zorgt voor een steeds meer constante gerichtheid op de geestziel. Dan kan het antwoord vanuit de eigen ziel of door contact met de geesteswereld tot je komen.

 

© Sander Videler, 2018