De weg naar je ware zelf

Nieuws

De strategie van de geest

Alle artikelen, Dieptepsychologie

DIEPTEPSYCHOLOGIE - Door: Peter Levine - Psychiatrie in de visie van Ronald David Laing.

“Kunnen menselijke wezens tegenwoordig nog mens zijn? Kan iemand echt zichzelf zijn, samen met een andere man of vrouw? Voordat we zo’n optimistische vraag kunnen stellen als ‘wat is een persoonlijke relatie?’ moeten we ons afvragen of een persoonlijke relatie mogelijk is en of het in onze huidige situatie mogelijk is individu te zijn? Wij hebben te maken met de mogelijkheid van de mens. Deze vraag kan alleen gesteld worden door middel van haar facetten. Is liefde mogelijk? Is vrijheid mogelijk?”

(R.D. Laing)

Het is meer dan honderd jaar geleden dat Henry David Thoreau (in Walden) opmerkte dat, “de meerderheid der mensen een leven leidt van stille vertwijfeling. Wat berusting genoemd wordt is verstokte wanhoop,” en ondanks dat sinds die tijd toch veel veranderd is, is die tragische toestand dat niet. Rijk of arm, zwart of wit, man of vrouw, gezond of ongezond, communist of kapitalist, wij – of in ieder geval de meesten van ons – leiden nog steeds een leven dat minder is dan wij ons hadden voorgesteld en vaak meer dan we aankunnen. Hoe we dat zo doen is natuurlijk niet eenvoudig te beantwoorden. Het enige wat ik kan doen is proberen een aantal van de manieren te beschrijven waarop wij ons ten opzichte van elkaar hebben gedragen en dan hopen dat de beschrijving een begin kan maken van de verklaring van ons gedrag. De geschiedenis van ons tijdperk is een tragische catalogus van wat wij anderen hebben aangedaan, wat wij anderen in onze naam hebben laten aanrichten, wat anderen ons hebben aangedaan en wat wij onszelf hebben aangedaan. Ik hoop dat dit boek een begin maakt met een hernieuwd onderzoek naar het terrein van onze verdeelde werelden.

De Britse psychiater R. D. Laing, stelt de kwestie als volgt aan de orde:

Op dit moment van de geschiedenis zitten we gevangen in de hel van krampachtige passiviteit. Wij voelen ons bedreigd door uitroeiing, die wederzijds zal zijn, die niemand wil, waar iedereen bang voor is en die ons zou kunnen overkomen “omdat” niemand weet hoe daar een halt aan toegeroepen kan worden. Er is maar één mogelijkheid en dat is als wij de structuur kunnen begrijpen van de vervreemding van onze ervaring, van onze ervaring van onze daden en van onze daden van het menselijke daderschap. Iedereen voert opdrachten uit. Waar komen die vandaan? Altijd van elders. Is het dan toch nog mogelijk om uit deze helse en onmenselijke onontkoombaarheid opnieuw ons lot te bepalen?

Als wij iets proberen te willen leren van onze geschiedenis, zou het zinnig kunnen zijn om te beginnen met het wezenlijke onderscheid dat Laing maakt tussen ervaring en gedrag. Met ervaring wordt de manier bedoeld waarop wij de wereld waarnemen en begrijpen. Met gedrag wordt de manier bedoeld waarop we handelen naar aanleiding van ons waarnemen en begrijpen van de wereld. Ervaring zou dus gezien kunnen worden als de manier waarop wij naar de wereld kijken. In de woorden van Laing:

“Ik kan jouw ervaring niet ervaren. Jij kunt mijn ervaring niet ervaren. Wij zijn beiden onzichtbare mensen. Iedereen is voor de ander onzichtbaar. Ervaring is de onzichtbaarheid van de mens voor de mens.”

“Ik ervaar jouw ervaring niet”, zegt Laing. “Maar ik ervaar jou als ervarend. Ik ervaar mijzelf als iemand die door jou wordt ervaren. Enzovoort.” Volgens Laing zijn alle sociale verhoudingen de uitvoering van deze ingewikkelde interactie tussen gedrag en ervaring, tussen het zelf en de anderen. Wij ervaren het gedrag van anderen en gedragen ons vervolgens volgens onze ervaring.

Ons gedrag is een functie van onze ervaring. Wij handelen naar de manier waarop wij de dingen zien. Als onze ervaring is vernietigd, zal ons gedrag vernietigend zijn.
Als onze ervaring is vernietigd, hebben wij ons zelf verloren.

Dat is de essentie van Laings argument: “Als onze ervaring is vernietigd, zal ons gedrag vernietigend zijn. Als onze ervaring is vernietigd, hebben wij ons zelf verloren.” Maar hoe kan iemands ervaring vernietigd worden? Hoe kan het meest eigene en individuele dat wij bezitten – ons ervaren van ons zelf en de wereld – ons afgepakt worden? In dit boek zullen we een aantal van de fundamentele manieren onderzoeken, waarop sommigemensen anderen hun ervaring ontzeggen. Uit die ontzegging komt ons hoofdthema voort: verdeeldheid. In Knots beschrijft Laing de situatie als volgt:

Het is onze plicht om onze kinderen op te voeden zodat zij
ons liefhebben, respecteren en gehoorzamen.
Als zij dat niet doen, moeten ze gestraft worden,
anders zouden wij onze plicht verzaken.

Als zij opgroeien en ons liefhebben, respecteren en gehoorzamen,
prijzen wij ons gelukkig omdat we ze goed hebben opgevoed.

Als ze opgroeien en ons niet liefhebben, respecteren en gehoorzamen,
hebben we hen óf goed opgevoed,
óf niet:
Als we het goed hebben gedaan,
moet er iets met hen aan de hand zijn.
Als we het niet goed hebben gedaan,
is er iets met ons aan de hand.

Zoals zoveel maatschappijcritici begint Laing met de kwestie vervreemding, het probleem waar de jonge Marx mee bezig was, rond dezelfde tijd dat Thoreau de levens van “stille vertwijfeling” rondom zich beschreef. “Met vervreemding,” schrijft Erich Fromm, “wordt de manier van ervaren bedoeld, waarbij de betrokkene zichzelf als een vreemde ervaart. Je zou kunnen zeggen dat hij van zichzelf is vervreemd. Hij ervaart zichzelf niet als het middelpunt van zijn wereld, als de schepper van zijn eigen daden, maar zijn daden en de gevolgen ervan zijn zijn meester geworden, die hij gehoorzaamt of zelfs zou kunnen verheerlijken. De vervreemde persoon staat evenmin in contact met zichzelf als met enig ander iemand.” Het kernpunt van deze vervreemding is dat de betrokkene zichzelf niet als het subject van zijn wereld, maar meer als een object in zijn wereld ervaart. Fromm verwoordt dat als volgt, “Het is het feit dat iemand zichzelf niet ervaart als de actieve drager van zijn eigen vermogens en rijkdom, maar als een verarmd “ding,” dat afhankelijk is van krachten buiten zichzelf, waarop hij zijn levende substantie heeft geprojecteerd.”

Ook voor Laing is vervreemding het fundamentele gegeven van onze huidige toestand: “Onze vervreemding reikt tot kern van het probleem. Dat besef vormt het wezenlijke startpunt voor elke serieuze beschouwing over elk aspect van het huidige intermenselijke leven.” Maar deze toestand van vervreemding is niet natuurlijk voor de mens. “Wij worden geboren in een wereld waar vervreemding ons te wachten staat. Wij zijn in aanleg mens, maar in een vervreemde toestand en die toestand is niet gewoon een natuurlijk systeem. Vervreemding als onze huidige bestemming wordt alleen bereikt door middel van buitensporig geweld, toegepast door menselijke wezens op menselijke wezens.”

Laing beschrijft dus, meteen vanaf het begin, machtsverhoudingen die toestaan dat sommige mensen geweld tegen anderen gebruiken: met andere woorden, Laing heeft het over strategieën. We zullen echter zien dat het een heel persoonlijk idee over strategieën is. Het onderzoekt zowel strategieën als dat het een rol speelt bij persoonlijkheid en personen. Edgar Friedenberg zegt over Laings visie: “Het is zoiets als het volgende: in ieder van ons ontwikkelt de menselijke persoonlijkheid zich op de manier waarop wij reageren op de specifieke machtsituaties waarin wij ons bevinden; onze persoonlijkheid wordt grotendeels bepaald door de gebruikelijke manieren waarop wij het hoofd bieden aan de eisen die aan ons worden gesteld en aan de angst die opgeroepen wordt door die eisen en onze verwachting op een mogelijk falen of bestraffing.”

De belangrijkste macht die elke sociale groep of “nexus” heeft, is “de macht om de werkelijkheid te definiëren.” Het is juist deze macht, die we zullen zien optreden in Frantz Fanons beschrijving van racisme in de volgende pagina’s; de macht van de blanken om de werkelijkheid te beschrijven voor de zwarten. Op eenzelfde manier zullen we deze macht zien optreden in Doris Lessings beschrijving van seksisme; de macht van mannen om de werkelijkheid voor vrouwen te definiëren. Tot slot is dezelfde macht te zien in Ivan Illichs beschrijving van armoede; de macht van rijke landen om de werkelijkheid te definiëren voor arme landen. Voor Laing, net als voor Fanon, Lessing en Illich, is de vraag of we subject van onze eigen wereld moeten zijn of object in de wereld van iemand anders. “Voor Laing,” stelt Friedenberg, “is de manier waarop iemands ervaring wordt bevestigd of verworpen door machthebbende anderen – doorgaans de ouders – de sleutel voor de daarop volgende ontwikkeling van de persoonlijkheid.” In de woorden van Laing:

Er moet iets met hem aan de hand zijn,
anders zou hij niet doen wat hij nu doet
tenzij er iets met hem is
daarom doet hij wat hij doet
omdat er iets met hem aan de hand is

Hij vindt niet dat er iets met hem aan de hand is
omdat
een van de dingen die er
met hem aan de hand is
is dat hij niet vindt dat er iets met hem aan de hand is
daarom
moeten wij hem helpen dat te beseffen,
het feit dat hij niet vindt dat er iets met hem aan de hand is
is een van de dingen die er
met hem aan de hand is

De titel van Laings beroemdste boek, De Strategie van de Ervaring, laat doorschemeren dat de politieke macht van de maatschappij en haar vertegenwoordigers – van psychiaters tot kerngezinnen – een situatie heeft gecreëerd, waarin wij ons aanpassen om te overleven, maar dat wij alleen maar overleven ten koste van onze vervreemding van onze ervaring. De vraag wie de werkelijkheid zal definiëren is niet eenvoudig. Telkens als wij de werkelijkheid voor onszelf definiëren, definiëren we die in ieder geval ook gedeeltelijk voor mensen die ons terrein betreden:
‘Als ik een woord gebruik,’ zei Humpty Dumpty nogal schamper, ‘betekent het gewoon wat ik wil dat het betekent. Niet meer en niet minder.’
‘De vraag is,’ zei Alice, ‘of je woorden zoveel verschillends kunt laten betekenen.’
‘De vraag is,’ zei Humpty Dumpty, ‘wie de baas moet zijn. Dat is alles.’

“Wie kunnen bepalen, zijn de baas,” merkte Stokely Carmichael op. Deze gang van zaken is duidelijk alom verbreid in onze maatschappij. Ouders doen het voor hun kinderen; leraren voor hun studenten; dokters voor hun patiënten; werkgevers voor hun werknemers; politici doen het voor hun kiezers. Misschien doe ik het op dit moment zelfs voor u.

Maar er bestaat een verschil tussen een gedeelde en een voorgeschreven werkelijkheid, tussen een voorgestelde en een opgelegde. De Braziliaanse pedagoog Paulo Freire spreekt over het verschil tussen “het banksysteem-idee voor onderwijs” waarbij de leraar kennis in de leerling “stort” en het idee van de “dialoog” waarbij de leraar en leerling beiden deelnemers zijn. “Onderwijs moet beginnen met het opheffen van de leraar/leerling-tegenstelling, door de tegengestelde polen met elkaar te verzoenen, zodat beiden tegelijkertijd leraar en leerling zijn. Op een soortgelijke manier beschrijft Laing de “polaire tegenstellingen” liefde en geweld. “Liefde laat de ander zijn, maar met genegenheid en betrokkenheid. Geweld probeert andermans vrijheid in te perken, hem te dwingen om te handelen zoals wij dat willen, maar met een fundamenteel gebrek aan betrokkenheid en onverschillig jegens het eigen bestaan en bestemming van de ander.”

Het is echter soms niet eenvoudig om het verschil te zien. Wie van u Alexander Solzhenitsyns Het Kankerpaviljoen hebben gelezen of Alan Sillitoe’s De Eenzaamheid van de Lange-afstandloper, of de films If…(1968 Lindsay Anderson) of Nobody Waved Goodbye (1964 Don Owen) hebben gezien, zal begrijpen wat ik bedoel. Hoewel het een zich afspeelt in een Russisch ziekenhuis en het andere in een Engelse jeugdgevangenis, het derde op een snobistische particuliere kostschool en de laatste in een buitenwijk van Toronto, hebben ze allemaal dezelfde situatie gemeen: iemand bepaalt voor anderen de werkelijkheid….en voor hun eigen bestwil. Net zoals de openlijke bedoeling van het kankerpaviljoen het genezen van de patiënt is en van de jeugdgevangenis de reclassering van de bewoner, is het doel van de particuliere kostschool de opvoeding van haar leerlingen en van de het gezin in de buitenwijk van Toronto het voeden van zijn kinderen. Met andere woorden, wat de dokter (in het Kankerpaviljoen), de gevangenisdirecteur (in De Eenzaamheid van de Lange-afstandloper), het schoolhoofd (in If…) en de vader (in Nobody Waved Goodbye) gemeen hebben, is hun geloof dat zij handelen voor de bestwil van hun “beschermelingen.”Maar wat de “beschermelingen” – Oleg, de patiënt; Smith, de gevangene; Travis, de student; en Peter, de zoon, – bindt, is hun gevoel dat ze onderdrukt worden door de instellingen die zich ten doel stellen om hen te bevrijden. De patiënt Oleg, spreekt namens hen allen als hij zegt:

“Weet u, u gaat uit van een volstrekt onjuist uitgangspunt. Zo gauw een patiënt bij u komt begint u alles voor hem te denken. Daarna wordt dat denken gedaan door uw vaste regels, uw vijfminutenoverleg, uw programma’s, uw plan en de eer van uw medische afdeling. En weer word ik een korrel zand, precies zoals ik dat ik het kamp was. En weer ben ik nergens voor verantwoordelijk.”

Wat deze vier stukken beschrijven is nou net de poging van de vertegenwoordigers van de maatschappij om voor een aantal van haar leden de werkelijkheid te bepalen. In Asylums signaleerde Erving Goffman de neiging van bepaalde maatschappelijke instanties om “totale instellingen” te worden in de zin dat zij het leven van hun bewoners volledig regelden. Hoewel ze bestemd zijn om te genezen, weer aan te passen of te onderrichten, proberen totale instellingen, zoals psychiatrische inrichtingen, gevangenissen en kostscholen vaak een bepaalde werkelijkheid op te leggen aan hun bewoners en daarmee tevens de ervaring voor hen te definiëren. Dat is wat Oleg bedoelt als hij tegen zijn arts zegt “waarom vindt u dat u het recht hebt om voor iemand anders te beslissen? Bent u het niet met mij eens dat het een vreselijk recht is, dat zelden tot iets goeds leidt? U zou voorzichtig moeten zijn. Niemand heeft daar het recht toe, zelfs artsen niet.”

“Maar artsen hebben dat recht wel – vooral artsen,” riep zijn dokter uit. Zonder dat recht zou er geen geneeskunde bestaan!”

Dat is een sprekend voorbeeld van wat Laing bedoelt met “de strategie van de ervaring.” De dokter definieert de werkelijkheid niet alleen ter wille van de patiënt maar ook ter wille van haar zelf: “zonder dat recht zou er een geneeskunde bestaan!” De politieke dimensie is onthuld; de macht van de dokter berust op haar vermogen om voor de patiënt de werkelijkheid te definiëren. In het proces wordt zij de absolute beheerster van de werkelijkheid. “Totale instellingen zijn niet een afzonderlijk soort maatschappelijke instellingen, merkt Samuel E. Wallace op, “maar eerder specifieke instellingen, die in hevige mate bepaalde kenmerken vertonen, die in alle instellingen worden gezien. De kwestie is niet welke instellingen totaal zijn en welke niet, maar hoeveel totaliteit vertoont elk?” Volgens deze maatstaf ziet Laing de psychiatrie als een gevaarlijk politiek wapen: “de psychiatrie heeft te maken met politiek, met wie de wet maakt.”

In de ogen van Laing kan de psychiatrie worden gezien als een ideoloog die, als die in dienst treedt van een dominante maatschappelijke visie, zou kunnen functioneren als een onderdrukkende maatschappelijke tussenpersoon. Volgens de opvatting van Dr. Thomas Szasz zou de psychiatrie de nieuwe seculiere religie kunnen zijn in een tijdperk van pseudo-wetenschap:

“De oplettende lezer zou hier een zweem van vertrouwdheid kunnen proeven. De huidige psychiatrische ideologie is een aanpassing – aan een wetenschappelijk tijdperk – van de traditionele ideologie van de christelijke theologie. In plaat van in zonde geboren te worden, wordt de mens in ziekte geboren. In plaats van dat het leven een tranendal is, is het een dal van ziekten. En terwijl hij vroeger op zijn weg van de wieg tot het graf door de priester werd begeleid, wordt hij nu begeleid door de dokter. Kortom, terwijl in het ‘Tijdperk van het Geloof’ de ideologie christelijk was, de technologie klerikaal en de deskundige priesterlijk, is in het ‘Tijdperk van de Waanzin’ de ideologie medisch, de technologie klinisch en de deskundige psychiatrisch.”

Zo wordt de psychiatrie, net al het kerngezin, een gedienstige drijfkracht bij het tot stand brengen van een totale maatschappelijke instelling; door middel van een mystificatieproces bepalen beiden wat normaal is en kneden ze het individu tot de eendimensionale vorm van maatschappelijke bruikbaarheid. Laing noemt deze mystificatie een politieke daad waarbij “geweld vermomd wordt als liefde.” Zijn vroegere collega Dr. David Cooper spreekt over het “geweld in de psychiatrie” als “het subtiele, bedrieglijke geweld dat andere mensen, de ‘waanzinnigen,’ toepassen op de geëtiketteerde gekken. In zoverre de psychiatrie het belang of zogenaamde belang van de gezonden vertegenwoordigt, zullen we kunnen ontdekken dat het geweld ín de psychiatrie in feite het geweld ván de psychiatrie is.”

Maar het ‘normale’ dat het gezin eist, is niet minder vervreemdend dan de gezondheid die door de psychiater gedefinieerd wordt. “Vanuit het vervreemde uitgangspunt van onze pseudo-gezondheid, is alles dubbelzinnig,” schrijft Laing. “Onze gezondheid is geen ‘echte’ gezondheid. Hun waanzin is geen ‘echte’ waanzin.”

De waanzin die wij tegenkomen bij “patiënten” is een grove travestie, een aanfluiting, een groteske karikatuur van wat het natuurlijke genezingsproces van die vervreemde aanpassing, die wij gezondheid noemen, zou kunnen zijn. Echte gezondheid brengt op de ene of andere manier het uiteenvallen van het normale ego met zich mee, dat onechte zelf, dat zo kunstig in overeenstemming is gebracht met onze vervreemde maatschappelijke werkelijkheid; brengt het optreden mee van de “innerlijke,” archetypische, met een goddelijke kracht toegeruste middelaars, en door die dood een wedergeboorte, en het uiteindelijke herstellen van een nieuw soort functioneren van het ego, waarbij het ego dan de dienstknecht is van het goddelijke en niet langer de bedrieger ervan.

Ronald David Laing werd in 1927 geboren in een arm gezin in Glasgow, deed zijn doctoraal medicijnen in 1951 en bracht twee jaar door in militaire dienst, waar hij psychiatrische werkzaamheden verrichte. Na zijn afzwaaien keerde hij naar huis terug om in een psychiatrisch ziekenhuis te gaan werken en om te zien of hij het gedrag van zijn patiënten kon veranderen door gewoon hun behandeling te wijzigen. In die tijd, in de vijftiger jaren, dacht Laing nog dat schizofrenie een psychiatrische ziekte was en dat de basis van de psychotherapeutische genezing een menselijke maar conventionele behandeling was. Een collega-psychiater, Dr. James S. Cordon, tekende het verhaal op dat Laing vertelde:

“Hij beschreef, met een vermakelijke relativering van zijn eigen “wetenschappelijke procedure,” het sociometrische proces waarmee hij de twaalf meest “contactarme” chronische schizofrene patiënten uit zijn paviljoen had uitgekozen. Hij liet de twaalf uitgekozen patiënten elke dag door twee verpleegsters naar een aangename zaal in een ander gedeelte van het ziekenhuis brengen. Zij werden daar gewoon als menselijke wezens met passende bezigheids- en ontspanningstherapieën behandeld en konden doen wat zij zelf wilden. De eerste dag moesten de patiënten, van wie velen jarenlang nauwelijks hadden bewogen of gesproken, het paviljoen uit worden gereden of gebracht. “Op de tweede dag,” herinnerde hij zich, “hadden zij zich, een uur voordat de deur van het paviljoen open werd gemaakt, daar verzameld, pratend, lachend en springend en dansend: het was vreselijk aandoenlijk.”

Binnen achttien maanden waren alle twaalf, van wie de meesten tien of vijftien jaar opgenomen waren geweest, het ziekenhuis verlaten en waren weer naar hun gezinnen teruggekeerd. Nog geen jaar later waren ze allemaal terug in het ziekenhuis.

Laings ervaring gaf aanleiding tot twee gedachten: de eerste, zoals hij dat verwoordde, dat “een verandering van de manier waarop schizofrenen behandeld werden, hun schizofrenie radicaal kon veranderen.” En de tweede, dat de “ziekte” niet in de individuele patiënt zat, maar in zijn gezin. Vanuit deze twee conclusies zou Laings radicale herdefinitie van schizofrenie en waanzin voortkomen.

Op het eerste gezicht lijkt Laings analyse bedrieglijk eenvoudig. Zoals Juliet Mitchell het verduidelijkt:

“Het model is handig – als we mensen niet als mensen behandelen, maken we hen gek: als we onze gekken niet als mensen onderzoeken houden we ze gek. Als we echter mensen als mensen behandelen, accepteren we zelfs dat zij vreemde en gekke dingen doen, omdat we hen als mens accepteren. Als we mensen die gedepersonaliseerd en gek gemaakt zijn, nog een keer onderzoeken alsof ze mens zijn, worden ze weer mens en worden ze ‘genezen’ van een ziekte, die om te beginnen niet ’in’ hen zat.”

Maar er speelt duidelijk meer dan dat. Om zijn patiënten als mens te kunnen behandelen, moest Laing eerst begrijpen hoe zij zichzelf zagen.

Nadat hij in 1957 naar de beroemde Tavistock-kliniek in Londen was vertrokken, publiceerde Laing zijn eerste boek, Het Verdeelde Zelf, waarin hij gebruik maakte van het existentialistische vocabulaire om de toestand van zijn jonge schizofrene patiënten te beschrijven. Bij het pogen om hun ervaring te reconstrueren, ontdekte Laing een logica in hun ogenschijnlijke grillige gedrag. Terwijl hij lijdt aan een acute “ontologische onzekerheid” – het verlies van “een solide gevoel van iemands eigen autonome identiteit” – probeert de schizofreen om “een bestaan te handhaven dat onzeker is gestructureerd, door zijn ervaring en gedrag te scheiden in twee afzonderlijke gebieden.” Zoals Laing het stelt:

“De term schizoïde slaat op een individu, waarbij het geheel van zijn ervaring op twee manieren is gespleten: op de eerste plaats bestaat er een tweespalt in zijn relatie met zijn wereld en op de tweede plaats is er een verstoring van zijn relatie met zichzelf. Zo iemand is niet in staat om zichzelf ‘samen met’ anderen of ‘thuis in’ de wereld te ervaren, maar hij ervaart zichzelf juist in een wanhopige toestand van alleen en geïsoleerd zijn; bovendien ervaart hij zichzelf niet als een complete persoon, maar eerder als op diverse manieren ‘gespleten,’ misschien als een geest die min of meer subtiel met een lichaam verbonden is, als twee of meer ‘ikken’ enzovoort.”

“’Het verdeelde zelf,’ is dus het resultaat van een wanhoopspoging om een identiteit te bewaren, die haar gevoel van integriteit al verloren heeft. “Met dit verliezen van eenheid, behoudt de persoon een gevoel van een ‘innerlijk’ ‘echt’ zelf, dat echter niet verwezenlijkt is, terwijl het ‘uiterlijke,’ ‘werkelijke,’ of ‘feitelijke’ zelf ‘vals’ is.” Een van de patiënten van Laing verwoordde dit gevoel van verdeeldheid en desintegratie heel helder, toen ze zei: “Ik ben duizenden. Ik ben over jullie allemaal verdeeld. Ik ben een niemand.” Gevangen in deze situatie “ontwikkelt het individu een microkosmos in zichzelf; maar deze autistische, eigen, intra-individuele ‘wereld’ is geen geschikt substituut voor de enige bestaande, de gedeelde wereld.”

In het najagen van deze “gedeelde wereld,” verschoof de belangstelling van Laing van de bestudering van individuele schizofrenen naar de gezinnen van de schizofrenen. Eerst bracht hij in “Het Zelf en de Anderen,” de complexe strategieën in kaart die interpersoonlijke relaties tot stand brengen. Terwijl hij stelde dat “elke relatie een definiëring inhoudt van het zelf door de ander en van de ander door het zelf,” vervolgde hij met het laten zien van de knopen waarin wij onszelf en de anderen vastbinden. “Er zijn mensen die uitmunten in het knopen van knopen en anderen die uitmunten in het zich in knopen laten vastknopen,” schreef Laing. “Knoper en geknoopte zijn zich er vaak niet van bewust hoe dat gebeurt, of zelfs dat het gebeurt. Het is opvallend hoe moeilijk het voor de betrokken partijen is om te zien wat er gebeurt. We moeten bedenken dat het niet zien van de knoop een gedeelte van de knoop is.”

Jack weet niet dat hij het weet
en hij weet niet
dat Jill het niet weet

JiIl weet niet dat zij het niet weet
en weet niet
dat Jack niet weet dat hij het weet
en hij niet weet dat Jill het niet weet
Zij hebben geen probleem.

Op dit punt leek Laing op Gregory Batesons beroemde verklaring van schizofreen gedrag, de zogenaamde “dubbele-binding”-theorie. De “dubbele-binding” is een bijzondere knoop: een situatie waarin een individu wordt gedwongen om te reageren op twee tegenstrijdige bevelen, die tegelijkertijd worden gegeven. “Het is,” zegt Bateson, “een situatie waarin iemand ‘niet kan winnen’, wat hij ook doet.

Laing merkt op:

Ze spelen een spel
Ze spelen dat ze geen spel spelen
Als ik ze laat zien dat ze dat wel doen,
Overtreed ik de regels
en zullen ze mij straffen.
Ik moet hun spel spelen,
Dat ik niet zie dat ze een spel spelen.

Het was precies dit “spel” dat Laing en Arnold Esterson [sic] beschreven in hun onderzoek van gezinnen van schizofrenen: Gezin en Waanzin. Schizofrenen werden niet geboren; ze werden letterlijk gecreëerd door hun gezinnen. Niet alleen hun werkelijkheid werd door het gezin gedefinieerd, maar elke poging om hun eigen identiteit te bevestigen werd als een afwijking bestempeld. Door royaal gebruik te maken van het net verschenen geschrift van Jean Paul Sartre over de oorsprong van de maatschappelijke organisatie, was Laing nu klaar om zijn theorie te construeren over de oorzaken van waanzin, gebaseerd op zijn onderzoek van waanzin binnen het gezin.

Deze theorie wordt uiteengezet in twee boeken met de veelzeggende titels De Strategie van de Ervaring en Gezinspatronen. Zoals ik al eerder heb uitgelegd bedoelt Laing met strategie het vermogen om een ervaring te bevestigen of te ontkennen. De maatschappij doet dat door middel van haar vertegenwoordigers, die de “werkelijkheid” definiëren als normen en vervolgens die normen gebruiken als maatstaven voor het ideaal. De primaire vertegenwoordiger is het gezin. “Het is,” volgens Laing, “op de eerste plaats het gebruikelijke instrument voor wat socialisatie wordt genoemd, dat wil zeggen, ervoor zorgen dat elk nieuw lid van de mensheid zich gedraagt en ervaart op een wezenlijk zelfde manier als de al aanwezigen.” Als vertegenwoordiger van de maatschappij reproduceert het gezin in het kind een gedragspatroon dat het toerust voor een leven in wat Herbert Marcuse de “ eendimensionale maatschappij” noemt. “Kortom, de functie van het gezin is,” volgens Laing, “het tot stand brengen van een eendimensionale mens; het propageren van respect, aanpassing en gehoorzaamheid; het kind het spel afhandig maken; faalangst teweegbrengen; het propageren van respect voor werken; het propageren van respect voor respect.”

“Vanaf het ogenblik van de geboorte, waarop de stenentijdperk-baby zich oog in oog met de twintigste-eeuwse moeder bevindt, is de baby onderworpen aan de krachten van het geweld dat men liefde noemt, zoals dat met zijn vader en moeder het geval is geweest en daarvoor met hún ouders. Het gaat deze krachten er voornamelijk om baby’s mogelijkheden grotendeels uit te roeien. Deze onderneming slaagt over het algemeen zeer wel. Tegen de tijd dat het nieuwe mensje vijftien is, zitten we met een wezentje dat net zo is als wij zijn. Een half waanzinnig schepsel, min of meer aangepast aan een krankzinnige wereld. Dat is normaliteit in de tijd waarin wij nu leven.”

Sommige mensen kunnen zich aan dit systeem aanpassen. Die noemen wij normaal. “De maatschappij stelt haar normale mens zeer op prijs. Zij voedt haar kinderen op om zichzelf te verliezen en absurd te worden en op die manier normaal te zijn,” vertelt Laing ons. “In de afgelopen vijftig jaar hebben normale mensen misschien wel 100,000,000 van hun normale medemensen vermoord.” Maar sommige mensen kunnen zich niet aanpassen aan dit opgelegde normaal zijn. Zij storten in en bedenken een strategie om hun onvermogen te hanteren, om hun nietig verklaarde ervaring en hun beeld van zichzelf bijeen te houden. Zoals Laing dat stelt, “het is voor ons alsof, zonder uitzondering, ervaring en gedrag dat schizofreen wordt geëtiketteerd, een speciale strategie is, die iemand bedenkt om in een onleefbare situatie te overleven.”

Hoewel het in de uitspraak van Cooper zou kunnen lijken alsof de schizofreen iemand is, wiens “logica” “ziek” is, is hij in feite iemand die invalide is gemaakt omdat zijn ervaring nietig verklaard is. Voor Laing en Cooper is schizofrenie niet “iets dat zich ín iemand afspeelt, maar eerder iets tussen twee personen.” Als de ene psychiater schizofrenie dus “een falen van de menselijke aanpassing” noemt, antwoordt Laing dat het evengoed een “een geslaagde poging is om zich niet aan te passen aan pseudo-sociale relaties.” Het lijkt allemaal een kwestie van standpunt te zijn: “schizofrenie is een etiket dat door sommige mensen op anderen wordt geplakt, in situaties waarin zich een speciaal soort scheiding voltrekt. Dat is de beste benadering die men op dit moment kan krijgen voor iets als een zogenaamde ‘objectieve’ uitspraak.”

De geldigheid van een definitie wordt uiteindelijk bepaald door de identiteit van degene die definieert. En in die context betoogt Laing: “Er bestaat niet zoiets als ‘schizofrenie,’ maar het etiket is een maatschappelijk gegeven en dat maatschappelijk gegeven is een politiek gebeuren.” Gezien vanuit dit radicale standpunt, zouden al onze definities ondersteboven en binnenstebuiten kunnen worden gekeerd. “Wat wij ‘normaal’ noemen,” is volgens Laing, “een product van onderdrukking, ontkenning, splitsing, projectie, introjectie en ander vormen van destructieve activiteit tegen de ervaring…De ervaring is radicaal vervreemd van de structuur van het bestaan.” Het is dus geen wonder dat “de toestand van vervreemding, van in slaap verkeren, van onbewustheid, van gekte, de toestand van de normale mens is.” Anderzijds zou schizofrenie kunnen worden gezien als een vervreemding van die vervreemding, waarbij de patiënt, “ondanks zijn rampzalige toestand en volslagen desintegratie,” “de opperpriester van het heilige” kan zijn. Tot slot “hoeft waanzin niet een volledige instorting te zijn. Het kan ook een doorbraak zijn. Het biedt de mogelijkheid tot bevrijding en vernieuwing, maar evenzeer tot slavernij en existentiële dood.”

In De Strategie van de Ervaring, beschrijft Laing hoe in sommige gevallen een inzinking een doorbraak wordt, waarbij de “schizofrene ervaring” verandert in een “transcendentale ervaring.” Gregory Bateson beschrijft hoe de schizofreen op reis gaat vanuit de “buitenwereld” van het “ego” naar de “binnenwereld” van het “Zelf” – en weer terug naar buiten. Hij beschouwt het als een archetypische reis, die erg veel lijkt op de beschrijvingen van de religieuze ervaring:

Het lijkt wel alsof het zo is, dat als de patiënt eenmaal in een psychose is vervallen, hij een weg af moet leggen. Hij is als het ware op ontdekkingsreis gegaan, die pas voltooid is door zijn terugkomst in de normale wereld, waarin hij weerkeert met inzichten die anders zijn dan van de bewoners die nooit zo’n reis hebben gemaakt. Eenmaal begonnen zou het kunnen lijken, dat een schizofrene episode een even welomlijnd verloop heeft als een inwijdingsceremonie – een dood en geboorte – waarin de nieuweling terecht kan zijn gekomen door gezins- of toevallige omstandigheden, maar waarvan het verloop grotendeels door een endogeen proces wordt gestuurd.

Vanuit dit beeld is een spontane remissie geen probleem. Dat is dan alleen maar de uiteindelijke en natuurlijke uitkomst van het hele proces. Wat wel nog verduidelijkt moet worden is waarom velen die zich op die reis begeven daar niet van terugkeren. Komen zij of in het gezinsleven of in de geïnstitutionaliseerde zorg dan zo’n grove ongunstige omstandigheden tegen, dat zelfs de waardevolste en best gestructureerde ervaring hen niet kan redden?

Hoewel er ongetwijfeld vele redenen zijn waarom sommige mensen verdwaald blijven in de innerlijke ruimte, legde Laing de primaire verantwoordelijkheid daarvoor bij de gang van zaken in de psychiatrie. In plaats van dat ze waanzin als een mogelijk natuurlijk genezingsproces zien, houden veel analytici dat proces tegen doordat ze de patiënt beter proberen te maken (to cure). Maar merkt Cooper op, “’Curing’ is een vreselijk dubbelzinnig woord: je kunt ham, huiden en rubber verduurzamen (to cure) en patiënten beter maken (ook to cure).” Met andere woorden, het is een behandeling die het product verandert en “verbetert.” “Beter maken houdt zich bezig met de patiënt aanvaardbaarder maken voor anderen (waaronder de artsen en verpleegsters, zodat ze minder bezorgd voor hem zijn en hij minder zijn nood kan klagen). Anderzijds heeft helen te maken met mensen helpen heel te worden, als zij min of meer in stukken zijn gevallen.” Volgens Laing hebben we, in plaats van totale instituties die gericht zijn op genezing, menselijke gemeenschappen nodig die zich wijden aan helen.

In plaats van het psychiatrische ziekenhuis, een soort reparatiebedrijf voor menselijke mankementen, hebben we een plek nodig waar mensen die verder zijn gereisd en misschien dus meer de weg kwijt zijn dan psychiaters en andere gezonde mensen, hun weg naar een innerlijke ruimte en tijd kunnen vervolgen, en weer terugkomen. In plaats van de vernederende ceremonie van het psychiatrisch onderzoek, diagnose en prognose, hebben we behoefte, voor degenen die daar klaar voor zijn (in de bewoordingen van de psychiatrie vaak degenen die op het punt staan om in een schizofrene psychose te vervallen), aan een initiatieceremonie waarmee de betrokkene door mensen, die er al geweest en teruggekeerd zijn, met een volledige maatschappelijke aanmoediging en instemming zullen worden begeleid naar de innerlijke ruimte en tijd. Vanuit het oogpunt van de psychiatrie zou dat lijken alsof ex-patiënten toekomstige patiënten behulpzaam zijn met het waanzinnig worden.

Het is een stoutmoedig voorstel: “ex-patiënten die toekomstige patiënten gek helpen worden.” Maar gezien de huidige staat van de geestelijke gezondheid waarbij, volgens Laing, “een kind dat tegenwoordig in het Verenigd Koninkrijk wordt geboren een tienmaal grotere kans heeft om opgenomen te worden in een psychiatrisch ziekenhuis dan toegelaten te worden tot een universiteit,” zou dat op zich helemaal niet vreemd zijn. Als de waanzin van de mens een hemelse betekenis heeft, moet de reis van de hel naar de hemel tot het einde toe gevolgd worden.

Op dit speciaal soort reis moeten we de richting terug en naar binnen nemen, omdat de weg die we gegaan zijn naar beneden en naar buiten liep. Ze zullen zeggen dat we achteruitgegaan zijn en ons hebben teruggetrokken en het contact met hen hebben verloren. En omdat ze zo menselijk en bezorgd zijn, zelfs van ons houden en heel bang zijn, zullen ze proberen om ons te genezen. Het is mogelijk dat het ze lukt. Maar toch blijft de hoop bestaan, dat ze zullen falen.

Op zijn eigen pelgrimstocht heeft R.D. Laing een lange weg afgelegd, van zijn vroege loopbaan als orthodoxe psychiater naar zijn recente faam als leider van wat sommigen de beweging van de “antipsychiatrie” noemen. Als criticus van de gevestigde orde van de seculiere religie, de psychiatrie, waarin de dokter de plaats van de priester heeft ingenomen, is Laing begroet als een pionier van een nieuwe gespiritualiseerde therapie, waarin de dokter de priester is geworden. Zijn loopbaan als praktiserend psychiater heeft hem gebracht van een traditioneel psychiatrische inrichting in Glasgow naar de experimentele therapeutische gemeenschap, die hij hielp opzetten in Kingsley Hall. Zijn loopbaan als sociaal en psychologisch theoreticus was nog radicaler en leidde hem van een meevoelende analyse van de situatie van de schizofrenen naar een verreikende kritiek op de maatschappij, die haar meest gevoelige leden vernietigt, waarbij zij haar meest destructieve eigenschappen tentoonspreidt.

Terwijl R.D. Laing misschien het beroemdst is als de persoon die de grenzen van onze definitie van waanzin opnieuw heeft vastgesteld, is zijn belangrijkste prestatie geweest dat hij voor ons de effecten van de “strategie van de ervaring” heeft verduidelijkt. Als wij namelijk onze vervreemde en gefragmenteerde Zelven willen omvormen tot bevrijde en hele mensen, moeten wij van onze ervaring opnieuw onze strategie maken, zodat wij haar kunnen terugvorderen, voor onszelf kunnen bevestigen en zodoende de hoofdrolspelers in onze eigen wereld kunnen worden. Wat Laing heeft gedaan is het ontmaskeren van de mystificatie waardoor wij onszelf en elkaar in knopen hebben vastgebonden en een verdeeld zelf en een verdeelde wereld tot stand hebben gebracht. Hij vat dat als volgt samen:

“Zolang wij ons denken niet kunnen opvijzelen voorbij Wij en Zij, de goeierikken en slechterikken, zal het steeds maar doorgaan. De enige mogelijkheid om daar een einde aan te maken is als alle goeierikken alle slechterikken hebben gedood, en alle slechterikken alle goeierikken, wat niet zo moeilijk of onwaarschijnlijk lijkt, omdat Wij in onze eigen ogen de goeierikken zijn en Zij de slechterikken, terwijl in Hun ogen wij de slechterikken en zij de goeierikken zijn.”

Deze eeuw zijn al miljoenen mensen gestorven en miljoenen zullen dat nog doen, waaronder – wij hebben alle redenen om dat te verwachten – velen van ons en onze kinderen, omdat wij deze knoop niet kunnen verbreken.

Het lijkt een betrekkelijk eenvoudige knoop, maar die is heel, heel strak rond de strot van, als het ware, het hele menselijke soort geknoopt.