De weg naar je ware zelf

Nieuws

Een wolf in NYC

Verhalen

"There is this bourgeoisie period in every man's life. A midpoint between birth and death where man is trapped alone."
('Steppenwolf', Herman Hesse)

Dit verhaal gaat over een wolf, een man en een wereldstad.

Er zijn al heel wat verhalen geschreven over wolven en mensen. Denk maar aan Romulus en Remus, een verhaal over de ontstaansgeschiedenis van Rome en waarin een wolvin de hoofdrol speelt. Zonder de wolvin die Romulus en Remus met haar moedermelk groot heeft gebracht, zouden de twee jongetjes het niet overleefd hebben en was de stad Rome nooit gesticht. Je kunt maar beter niet nadenken over de consequenties hiervan. Zou zonder Rome als zetelplaats de kerk zo groot zijn geworden? Hadden we dan misschien de bijbel niet gehad, maar een ander boek dat een geheel andere draai geeft aan de schepping van de kosmos en de plaats van de mens daarin? We zullen het nooit weten, want feit is: Rome is gesticht dankzij het moederinstinct van een wolf.

Overigens, de mythe van Romulus en Remus gaat in feite dus niet alleen over de relatie tussen mensen en een wolf, maar ook over wat het gevolg kan zijn van zo’n relatie: de stichting van een wereldstad. Daarom lijkt dit verhaal wel een beetje op dat van Romulus en Remus. Ook dit verhaal gaat over een wolf, een mens (een man van 34 jaar) en een wereldstad (NYC, de woonplaats van de man). Wel zijn er een paar belangrijke verschillen tussen de scheppingsmythe van Rome en dit verhaal.

Ten eerste gaat dit verhaal niet over de schepping van een stad – New York was al lang gesticht voordat deze man er geboren werd. Wel gaat dit verhaal over de wording van een man. Ten tweede speelt dit verhaal zich nu af, in een grote, moderne stad in Amerika en niet omtrent 753 voor Christus, het jaar waarin Rome werd gesticht. Verder zijn de beide verhalen aan elkaar verwant. In beide komen wolven en mensen voor. Beide gaan over de totstandkoming van iets belangrijks en beide verhalen hebben te maken met een stad. De ene stad, Rome, is gelegen in het oude Europa en vormt de bron van de Westerse beschaving. De andere stad, New York, is gelegen in het veel nieuwere Amerika en is de spil van de huidige Westerse beschaving en daarmee van de hele wereld.

Weerwolven

Stel je een klein appartement voor, verstopt in een van de zijstraatjes van een van de beroemde avenues van New York (in dit geval: Madison Avenue). Zo’n appartement waarvan er miljoenen over de hele wereld zijn – weinig bijzonder dus. In dit appartement, met een woonkamer, keuken(tje), badkamer (nou ja, een douche en een toilet) en slaapkamer, woont een man van 34 jaar. Zijn naam is Alexander en hij stamt af van Schotse immigranten, zijn opa en oma. Het is een verhaal apart te vertellen hoe de opa en oma van Alexander in New York terecht zijn gekomen, dus dat laten we hier achterwege. Wel is het interessant een draadje hiervan in dit verhaal te verweven. Alexander’s opa was namelijk kleermaker en zijn vrouw was coupeuse, iemand die de maten opmeet en kleren hun snit of vorm geeft. Haar man, Alexander’s opa, zette de kleren in elkaar, selecteerde de stoffen en bracht de kleren aan de man vanuit een klein winkeltje in hetzelfde gebouw als waar Alexander nu woont. Dit winkeltje bevond zich natuurlijk op de begane grond, aan de straatkant waar het winkelend publiek loopt. In een stad als New York, waar iedereen druk is en haast heeft, snellen de mensen over straat en slechts weinigen hadden tijd om voor de etalage van Alexander’s opa en oma halt te houden. Toch was er op een dag een vreemde man die dit wel deed.

De man was zo vreemd dat hij met recht de titel van ‘vreemde snuiter’ verdient. En dat is letterlijk bedoeld! De man had namelijk niet een neus zoals mensen die hebben, maar een snuit. Een harige, vooruit stekende uitstulping met twee gaten en een zwarte snoet. Je kunt je wel voorstellen dat zo’n snuit in een mensengezicht veel bekijks en aandacht trok. Sommige mensen waren zelfs bang voor de man omdat ze dachten dat hij een weerwolf was. Maar een weerwolf was hij beslist niet! En dat is gemakkelijk te verklaren. Weerwolven zijn mensen die, wanneer de maan vol is, zich laten overnemen door hun natuur en zich geheel door hun instincten laten leiden. Dan wordt deze mens weer tot een wolf (vandaar de naam weer-wolf) en gaat hij zich in blinde razernij te buiten aan zijn oorspronkelijke, dierlijke natuur. Weerwolven zijn daarom eigenlijk primitieve mensen, waar overigens helemaal niets mis mee is. In ieder van ons schuilt een primitieve natuur. De meeste mensen voeden deze natuur met eten, seks en het najagen van geld en macht. Voor wie dit alles niet voldoende is, is er de nacht van de volle maan. Tijdens deze nacht is het oude, primitieve gevoel zo vol dat deze het van de ratio en de bewuste wil overneemt. Dan wordt iemand weer even wolf.

Een eenzame man

Maar goed. Deze man met zijn vreemde snuit was dus geen weerwolf maar gewoon een vreemde snuiter. En op een dag stapte hij het winkeltje van Alexander’s opa en oma binnen en vroeg om een nieuw pak. De man vertelde dat, omdat zijn snuit zoveel aandacht trok, hij bang geworden was voor mensen die misschien wel jacht op hem wilden maken. Hij was bang dat hij op een dag zou eindigen als zijn oom, met een strop om zijn hals. Om dit te voorkomen vroeg de man om een zeer net en keurig pak. Dit pak had twee functies. Het zou de aandacht van zijn snuit afleiden en het pak zou meteen duidelijk maken waar de man voor stond. Het pak zou hem namelijk doen lijken op een zakenman met veel geld en aanzien en de mensen zouden weten dat ze met een keurige heer van doen hadden, in plaats van met een afstammeling van een wolf.

Terwijl de man dit alles aan de opa van Alexander uitlegde, was de oma van Alexander al begonnen met het meten van zijn maten. Driftig dribbelde ze om de vreemde snuiter heen en mat de lengte van zijn benen en armen, de omtrek van zijn taille en hals en de breedte van zijn schouders. Ze noteerde zijn maten en ging onmiddellijk achter in de winkel aan het werk om de stukken uit te tekenen. Terwijl ze dat deed zocht de opa van Alexander verschillende stoffen bij elkaar die hij aan de vreemde snuiter toonde.

Eén stof trok meteen de aandacht van de vreemde snuiter, die enthousiast knikte toen hij de stof zag. Het was een rol ribstof met een grijs gemêleerde kleur. Als je de stof in het zonlicht hield dan kreeg zij zelfs een beige gloed. En als je dan je ogen samenkneep dan leek zij zelfs een beetje goud te schijnen. Deze stof moest de man hebben want hij paste precies bij de vacht op zijn snuit. ‘Bovendien’, versprak de opa van Alexander zich, ‘doet deze stof u helemaal op een wolf lijken.’ Het was als een compliment bedoeld om aan te geven dat een pak van deze stof, in combinatie met de snuit, de man sprekend op een wolf deed lijken in plaats van op een vreemde snuiter. En de opa van Alexander hield van wolven. Dus het is niet zo gek dat hij de man complimenteerde met zijn wolven-look.

Even was de man van zijn stuk gebracht. Een wolf? Hij wilde juist op een keurige zakenman lijken. Zo een als zijn collega’s op het reclamebureau waar de man een baan als copy writer had. Hier moest hij de hele dag slogans verzinnen om merken aan te prijzen. De man was een meester in zijn vak. En hoewel al zijn collega’s stiekem een beetje bang waren voor zijn vreemde snuit, werd hij gewaardeerd om zijn vakwerk. Op sommige vrouwen, vertrouwde de man de opa van Alexander toe, oefende zijn snuit zelfs aantrekking. Was niet iedere vrouw uiteindelijk op zoek naar een man met een wolvennatuur? Zo een die zich in bed als een wilde man gedraagt. Waarop de opa van Alexander vroeg of hij dan niet al een vrouw had? Op het moment dat de opa van Alexander dit vroeg sneed zijn vrouw zich in haar vingers bij het uitsnijden van een stuk ribstof. Al die tijd had ze meegeluisterd en vanaf het moment dat de vreemde snuiter hun winkel was binnen gestapt had ze de eenzaamheid in zijn ogen opgemerkt. Alleen vrouwen weten echt wat er in de ziel van een man omgaat en er is dan ook het oog van een vrouw voor nodig om de eenzaamheid in een man te herkennen. De oma van Alexander wist dat haar man met zijn vraag onbedoeld een gevoelige snaar had geraakt. De man bevestigde dit met een diepe zucht, het enig mogelijke antwoord op de vraag.

Bozell, een reclamebureau in NYC

Om de pijnlijke stilte die op de zucht volgde te doorbreken, besloot de vrouw zich met het gesprek te bemoeien. De man – laten we hem geen ‘vreemde snuiter’ meer noemen, want dat is een oneerbiedig etiket – bleek ook een gentleman te zijn. Want terwijl de vrouw met de man sprak, haalde hij een zakdoek uit zijn broekzak en bond deze zachtjes om de snee in haar hand. Zij vroeg hem wat meer te vertellen over het reclamebureau waarvoor hij werkte. In haar achterhoofd was zij bezorgd over de zaken die de laatste tijd niet goed gingen en zij dacht dat deze reclameman hun kledingzaak wel kon redden. Dus vertelde de man met de snuit van een wolf die een gentleman bleek te zijn over Bozell, het reclamebureau waarvoor hij werkte.

Hij begon met het verklaren van de naam, want ‘Bozell’ vond bijna iedereen die hij ontmoette een vreemde naam. Hij vertelde dat de naam een acroniem was, afgeleid van de eerste letters van de drie oprichters: Bob, Zacharias en Ellroy. Ze hadden hun letters ongelijk verdeeld. Bob had de eerste twee letters van zijn naam aan het reclamebureau gegeven. De laatste letter hield hij voor zichzelf. Wanneer hij namelijk alle drie de letters gebruikt zou hebben, dan zou hij als enige van de drie met heel zijn naam in de bureaunaam zitten en dat wilden de andere twee niet. Zacharias had weliswaar de langste naam, maar had maar één letter aan de naam bijgedragen: de ‘Z’ van Zacharias. De reden hiervoor was dat zijn naam zo vreemd was dat noch Bob, noch Ellroy er meer dan een letter aan wilden spenderen. Het mogen duidelijk zijn dat dit vragen om ruzie was en bijna was de oprichting van het reclamebureau niet doorgegaan. Totdat Bob en Ellroy Zacharias beloofd hadden dat zijn letter in het midden mocht staan. Toen bleef alleen Ellroy nog over. Even was er verwarring over welke kant van zijn naam zij zouden gebruiken, want eigenlijk bestaat Ellroy uit twee namen. Aan de ene kant staat er ‘Roy’ en aan de andere kant ‘Ell’. ‘Roy’ kon niet in de naam gebruikt worden, die immers met ‘Bo’ begon en in het midden een ‘Z’ had. Dan stond er ‘Bozroy’ en dat leek nergens op. Althans, niet op de naam van een toekomstig gerenommeerd reclamebureau gezeteld op Madison Avenue (waar de meeste reclamebureaus in New York gevestigd zijn). Dus kozen de drie heren voor ‘Ell’ als afsluiting van hun nieuwe naam. Dat was in 1921, toen Bozell werd opgericht.

Hierop reageerde de vrouw verheugd. 1921, dat was tevens het jaar waarin zij en haar man hun kledingzaak waren begonnen! Nu vraag je je misschien af waarom zij hierover verheugd was? Dat zit zo.

Toeval bestaat niet

In haar vrije tijd hield de vrouw van lezen en van psychologie. Ze was bovendien gelovig. Niet gelovig in de gangbare zin. Ze was geen lid van een kerk (wat in die tijd ongebruikelijk was), maar ze hing haar eigen geloof aan. Diep in zichzelf geloofde de vrouw in een universeel, spiritueel wezen, door godsdienstige mensen ‘God’ genoemd. De vrouw hechtte geen waarde aan dergelijke concepten en geloofde dat dit universele, spirituele wezen alles doordrong, dus ook haarzelf en haar man. Ja, ook de man met de snuit. Al lezende kwam ze er achter dat haar geloof een naam had – ‘gnosis’ – en dat er talloze gnostieke bronnen waren, waaruit de vrouw dan ook naar hartenlust putte. Een van de bronnen was de beroemde Zwitserse psychiater Carl Gustav Jung die zijn analytische psychologie gefundeerd had op gnostieke ideeën, waaronder het centrale idee dat de mens uit twee kernen bestaat. Volgens Jung en andere gnostici bestaat de mens uit een waar zelf, dat zuiver spiritueel is, en een vals zelf dat fysiek van aard is. Omdat de mens denkt dat hij zijn lichaam is (iets wat een kleermaker vreemd voorkomt, want hoe kun je de kleren voor de essentie aanzien?), zegt hij: ‘Ik ben… die en die persoon, werkend daar en daar, afkomstig uit dit en dat, et cetera.’ Vandaar dat hij zijn fysieke zelf als ‘ik’ aanduidt, niet beseffend dat hij dit helemaal niet is en dat het dus onjuist is om hiertegen ‘ik’ te zeggen. Maar goed, als niemand meer ‘ik’ zou zeggen, dan zouden we geen conversaties meer met elkaar kunnen voeren, want aan een gesprek moeten tenminste twee ‘ikken’ deelnemen. Daarom is het OK dat mensen zichzelf ‘ik’ noemen als ze het over hun fysieke, valse zelf hebben.

Voor dit verhaal doet dit alles niet zo ter zake. Wat wel belangrijk is dat als je, net als de vrouw, gelooft in het bestaan van een alles doordringend spiritueel wezen, je niet meer in toeval kunt geloven. Zo’n alomvattend universeel zelf kent alles en iedereen als zichzelf en heeft bovendien geen besef van tijd. Dit ene Zelf (sommigen schrijven het met een hoofdletter als is het een soort van God) is immers alomvattend en bevat dus naast het heden tevens het verleden en de toekomst. Wanneer iemand in het heden dus zegt dat hij werkt bij een reclamebureau dat in 1921 is opgericht – hetzelfde jaar als de opa en oma van Alexander hun kledingzaak openden – dan kan dit geen toeval zijn, maar heeft deze overeenkomst een toekomstig doel. Wat dit doel is, dat kun je nu niet weten, want het ‘ik’ kent slechts het heden en het verleden. Vooruit kijken kan het ‘ik’ niet.

McGregor, 1921

Het trof dat de mijnheer met de snuit ook niet in toeval geloofde (dit was geen toeval, weten we nu). We noemen hem nu een mijnheer, want de man had zo lang met de opa en oma van Alexander staan kletsen dat dezen de man inmiddels een keurig pak aangemeten hadden. Alleen de stropdas en de knopen ontbraken nog. Zonder die rare lus om de nek en glimmende knopen op de ribstof leek deze mijnheer tevens sprekend op een wolf. Toen hij in de spiegel keek zag hij dit zelf ook en zijn mond, die tot dan toe wat verbeten had gestaan, vormde zich tot een glimlach. Dit was de eerste keer dat de mijnheer met de snuit er trots op was op een wolf te lijken! De opa en oma van Alexander keken elkaar veel betekenend aan. Zij wisten hoe ze een man een passend pak moesten aanmeten. De pakken van McGregor, vertelde het echtpaar trots, verhulden de essentie van de mannen die ze droegen niet, maar brachten deze juist naar voren. Alsof ze iets waardevols aan het licht brachten dat tot dan onzichtbaar was gebleven. Dit was de eerste keer dat de opa en oma van Alexander hun naam noemden. De heer met de snuit (en nu ook met het pak van een wolf) had geen naam op de kledingzaak buiten kunnen ontdekken. Nergens was een naam op de winkel te zien geweest. Niet op het raam van de etalage en niet boven de deur. En ook toen de man in de binnenzijde van zijn jasje keek, waar normaal het label met het kledingmerk genaaid was, zag hij niets.

Hij vroeg hen hoe de zaken ervoor stonden en bedrukt antwoordde het echtpaar dat het niet zo goed ging met hun kledingzaak. En dat, antwoordde de heer met de snuit en het pak van een wolf, terwijl elke reclameman op Madison Avenue een pak van McGregor zou moeten dragen! Hij liet erop volgen dat hun pak precies hetzelfde met een mens deed als een reclameman doet met een merk: het maakt de essentie zichtbaar. En daarop besloot hij enthousiast: ‘Een pak van McGregor is elke reclameman op zijn lijf geschreven!’

Dit werd de nieuwe reclameslogan voor de kledingzaak, die vanaf die dag met trots de naam McGregor droeg.

Vanaf toen gingen de zaken snel. De opa en oma van Alexander hadden de man aan een passend pak geholpen waardoor hij van een ‘vreemde snuiter’ in een heer met de snuit en het pak van een wolf was veranderd. Hij had hen op hun beurt aan een reclameslogan voor hun kledingzaak geholpen, waardoor het bijna failliete winkeltje uitgroeide tot een van de bekendste kledingmerken van New York. In korte tijd droeg elke zichzelf respecterende reclameman in New York een pak van McGregor. En naarmate de reclamebureaus van New York succesvoller werden en vestigingen over de hele wereld openden, werd het merk McGregor ook beroemd in andere wereldsteden, zoals London, Parijs, Amsterdam, Berlijn, Madrid en later nog de grote steden in het Verre Oosten. Het was een gelukkige wending van het lot dat uitgerekend een reclameman met een vreemde snuit het onbeduidende winkeltje van de McGregor’s was binnen gestapt. Om dit niet-toevallige feit te eren naaiden de opa en oma van Alexander vanaf dat moment in elk pak een labeltje, met daarop geborduurd: ‘McGregor, 1921’.

NYC, 2011

Het voorgaande deel van het verhaal lijkt wel een beetje op dat van Romulus en Remus. Net als in deze scheppingsmythe fungeert een wolf – of in ieder geval een mijnheer die er op lijkt – als hoofdfiguur. Zonder de reclameman van Bozell waren de opa en oma van Alexander – de ‘Romulus en Remus’ van dit verhaal – nooit zo succesvol geworden met hun kledingmerk. Dan was er nu geen McGregor imperium, evenmin als er zonder de wolf ooit een Romeins rijk was geweest. En zoals de mythe terugblikt op de stichting van iets, lang geleden, zo blikt Alexander, de erfgenaam van het McGregor imperium, terug op het succes van zijn opa en oma terwijl hij in zijn woonkamer zit op de tiende verdieping van het gebouw dat helemaal zijn bezit is.

Alexander’s appartement bevindt zich op de bovenste etage. Vlak boven hem, op het dak, prijkt in gouden letters het metershoge reclamebord van Alexander’s imperium: ‘McGregor, 1921’. Als je vanuit een van de reclamebureaus op Madison Avenue westwaarts blikt dan kun je, zeker bij laagstaande zon, de letters goudgeel zien oplichten. Dan is het net alsof te midden van de eindeloze zee van gebouwen die ‘Manhattan’ heet, er ergens een schip vaart met een groot licht in de mast, op weg naar nieuwe bestemmingen. Nou, zo’n schip zou Alexander ook wel kunnen gebruiken! Want hoewel hij de erfgenaam is van een wereldwijd imperium heeft hij tot op heden zijn erfdeel niet opgeëist. Hierdoor komt het dus dat, hoewel hij op papier het hele gebouw bezit waarin zijn opa en oma op de begane grond ooit een kledingwinkeltje zijn begonnen, Alexander genoegen neemt met een sober appartement.

De jonge erfgenaam staat bekend als een excentriekeling – een soort van vreemde snuiter – omdat hij met zo weinig genoegen neemt. En hoewel zijn opa en oma ook altijd trouw zijn gebleven aan hun eenvoudige Schotse roots zouden zij, als ze nog leefden, Alexander om de oren hebben geslagen over zoveel stompzinnigheid! Want welke jongen neemt genoegen met een eenvoudige opleiding als hij ook naar Harvard had kunnen gaan? Welke man neemt genoegen met een baantje werkloze schrijver als hij aan het hoofd van een imperium kan staan? Alexander had op z’n minst een succesvolle copy writer kunnen worden bij het inmiddels befaamde Bozell! En welke man neemt genoegen met een leven alleen in een klein appartement als hij samen met een leuke partner een penthouse in datzelfde gebouw kan betrekken? Alexander dus. Hoe dit alles zo gekomen is, daarover zit Alexander op dit moment te lezen in een verhaal dat de mythe van Atlas beschrijft.

Missing link

Atlas was een van de vier zonen van Iapetus, een titaan. Alexander weet alles van titanen, want hij wordt al een leven lang in beslag genomen door een fascinatie voor dit mythologische ras. De titanen vormden volgens de Grieken de primitieve voorouders van het menselijke ras. Zij zouden alle slechte eigenschappen bezitten die in de mens tot zuivere kwaliteiten zijn gecondenseerd. Zo zou Atlas gebukt gaan onder overmoed. Hij was zo hoogmoedig dat hij zelfs de titanen leidde in hun strijd tegen Zeus. Uiteraard gingen de titanen ten onder, want tegen een oppergod is geen strijd opgewassen. Als straf werd Atlas veroordeeld tot het dragen van een deel van het hemelgewelf. Op afbeeldingen wordt Atlas als een oude man weergegeven die een enorme bol op zijn, overigens brede, schouders draagt.

Toen Alexander voor de eerste keer een afbeelding van Atlas zag, dacht hij eraan dat hij een zelfde wereld op zijn schouders torste. Atlas deed hem denken aan hemzelf. Alexander was toen zeventien jaar en zijn ouders, die de zaak van de opa en oma van Alexander overgenomen hadden, hadden van McGregor een multinational gemaakt. De ouders van Alexander waren globetrotters geworden en deden niets anders dan de wereld rond reizen, ondertussen de ene McGregor winkel na de ander openend. Zo werden alle luxe winkelstraten in de wereld versierd met het logo van McGregor en eeuwig voorzien van dat belangrijke jaartal 1921.

Het succes van McGregor ging hand in hand met dat van Bozell. Al sinds de bewuste dag waarop de vreemde snuiter de winkel was binnen gestapt en er als een heer met een snuit en een pak van een wolf weer uit was gekomen, was Bozell het reclamebureau van McGregor. Sterker nog, de vader van Alexander – McGregor junior – was getrouwd met een dochter van een van de oprichters van Bozell. Zij was de dochter van Bob. Zacharius was als eenling en zonderling al vroeg gestorven aan de drank. Ellroy had, toen hij eenmaal ‘binnen’ was, de tent verlaten en had met zijn miljoenen een filmlabel in Californië opgericht. (Later kwam Alexander erachter, toen hij eens een film van het label Ellroy huurde, dat de films van net zo’n bedenkelijk allooi als Ellroy zelf waren. In de films figureerden evenveel naakte vrouwen als waarmee Ellroy in de tijd van Bozell na kantooruren op kantoor was betrapt.)

Toen Alexander nog jong was reisde hij samen met zijn ouders de wereld over. Omdat Alexander over een privéleraar beschikte en dus niet op een gewone school met andere kinderen zat, hoefde hij nooit vrij te nemen. Vandaar dat hij het maken kon om samen met zijn ouders alle wereldsteden op aarde te bezoeken. Maar het liefst was Alexander op zijn kamer in het grote appartement van de McGregor’s in New York. Daar sloot hij zich op met zijn boeken, de beste speelkameraden die hij had, want boeken spraken nooit verwachtingen uit. Bovendien hadden boeken altijd spannende verhalen te vertellen en dat was nog eens wat anders dan voor de zoveelste keer naar de ontstaansgeschiedenis van het bedrijf te moeten luisteren. Wel was Alexander nieuwsgierig geworden naar die man met de snuit en het pak van een wolf, maar over zijn lot was weinig bekend.

Nadat de man een tijd lang reclamecampagnes voor de opa en oma van Alexander ontwikkeld had, het kledingmerk in heel New York en de rest van Amerika beroemd makend, was hij van de een op de andere dag verdwenen. De eenzame copy writer – want eenzaam was hij altijd gebleven – was op een dag met de noorderzon vetrokken. Hij had niet eens ontslag genomen. Omdat niemand wist waar in New York de man woonde, wist niemand of hij daadwerkelijk de stad uit getrokken was of dat hij misschien een beter betaalde baan bij een concurrent genomen had. Hoe het ook zij, sinds zijn plotselinge verdwijning vonden de meeste mensen de man met de snuit weer een vreemde snuiter. Alleen de opa en oma van Alexander bleven hem uit respect en dankbaarheid een ‘heer met een snuit en het pak van een wolf’ noemen.

Naarmate Alexander ouder werd trok hij zich steeds verder terug in zijn boekenwereld. En omdat deze wereld al gevuld werd met verhalen over avonturen in allerlei exotische oorden, voelde Alexander steeds minder lust om met zijn ouders mee op reis te gaan. Alexander begon smoesjes te verzinnen om in New York te kunnen blijven. Hij verzon fictieve vrienden (echte vrienden had hij niet) bij wie hij zogenaamd op verjaardagsfeestjes was uitgenodigd. En hij bezocht lezingen van schrijvers die in de vele boekwinkels van New York signeersessies hielden en het verhaal achter hun eigen verhaal vertelden. Deze lezingen waren overigens niet verzonnen. Alexander bezocht ze echt. Eerst om een excuus te hebben om niet mee te hoeven gaan naar Lissabon of Nairobi. Daarna uit oprechte interesse toen hij erachter kwam dat hij, net als hen, schrijver wilde worden.

Je kunt je wel voorstellen wat dit teweeg bracht in het gezin, toen Alexander op een avond met zijn ouders aan het diner zat en hij vertelde dat hij geen interesse had om President-Directeur-Eigenaar van McGregor te worden, maar in plaats daarvan schrijver wilde zijn! Zijn vader kreeg van schrik stuiptrekkingen waardoor hij bijna uit zijn maatpak scheurde (iets wat nog nooit gebeurd was, want de pakken van McGregor werden dubbel gestikt zodat de naden niet konden scheuren). Even leek het erop dat Alexander in zijn moeder een bondgenoot had. Zij had nog wel bewondering voor de copy writer van Bozell die, nadat hij McGregor de hemel in geschreven had, plotseling vertrokken was. Maar nadat zij vernam dat Alexander geen interesse had in copy writing – schrijven in dienst van geld – verslikte ze zich zo erg in de soep dat zij deze uitproestte, over het nette pak van haar man heen (ook dit was nog nooit gebeurd).

Je begrijpt dat Alexander de enige was die met kleerscheuren uit zijn jeugd tevoorschijn kwam. Zijn vader had zijn handen van de jongen afgetrokken en had inmiddels een nieuwe kroonprins op het oog: het sluwe neefje van Alexander, een jongen met een roofdierinstinct waar geen weerwolf tegenop kan. De moeder van Alexander is altijd een goed woordje voor Alexander blijven doen, al liet ze haar zoon steeds vaker links liggen. Maar het is dankzij zijn moeder dat Alexander niet geheel onterfd is.

In theorie was Alexander nog steeds de enige erfgenaam van het McGregor koninkrijk. En hoewel Alexander geen bezwaar had tegen zoveel geld, kon hij er toch niet bij. Dit, terwijl zijn ouders jaren geleden met een lijndienstvlucht van Air Mexico neer gestort en omgekomen waren. In het contract dat de erfenis regelde had de vader van Alexander namelijk een voorwaarde laten opnemen. Alexander zou pas recht hebben op het nalatenschap van McGregor als hij voor het merk ging werken. Alexander mocht zelf weten of hij dit zou doen als directeur van het bedrijf of als reclameman bij Bozell, campagnes makend voor McGregor. Maar de jongen had slechts te kiezen tussen twee wegen: McGregor of Bozell. Beide wilde hij niet en daardoor was de nog jonge man voor eeuwig aan 1921 vast geketend. De geschiedenis had hem voor het blok gesteld. Wilde hij zijn erfdeel ontvangen, dan moest hij net als Atlas een gewicht dragen zo groot dat dit zeker zijn ondergang werd (althans, dat dacht hij zelf). Wilde hij dit niet, dan was hij net als Kronos die samen met zijn broer Iapetus voor eeuwig in tartarus, de onderwereld, vastgeketend was. Iapetus en Kronos werden bestraft omdat zij de strijd met Zeus hadden aangebonden, Alexander omdat hij de strijd met zijn vader was aangegaan.

Alexander’s noodlot

Zo gebeurde het dat anno 2011 Alexander zijn eenzaam lot droeg. Hij was tegen zijn eerdere generaties in gegaan en was alleen komen te staan. En hoewel hij plezier vond in het schrijven, was het hem tot nog toe niet gelukt om een bestseller te schrijven (de stiekeme droom van elke auteur). Wel had Alexander het geluk dat hij een achternaam droeg die weerklonk vond in heel New York. Hierdoor gingen deuren voor hem open die voor anderen gesloten bleven. Zo kreeg Alexander wel eens een onverwachte uitnodiging om ergens een lezing te geven. Een welwillende oude vriend van zijn ouders nam Alexander op sleeptouw om hem bij te staan in allerhande sociale zaken. Doordat Alexander eraan gewend was geraakt zich tussen boeken op te sluiten, had hij nauwelijks sociale vaardigheden ontwikkeld. Zodoende was Alexander tot op heden nog geen vrouw tegen gekomen. Ook had Alexander weinig vrienden. Eenzaamheid was zijn lot en dat terwijl hij in een stad met miljoenen inwoners woonde.

Alexander zit nog steeds in zijn appartementje de mythe van Atlas te lezen terwijl het hem daagt dat hij nog steeds op Atlas lijkt! Hij heeft zich tegen zijn lot gekeerd uit angst dat hij net als Atlas een loodzware last zou moeten tillen. Toch drukt zijn huidige lot hem minstens even zwaar op de schouders als het lot van directeur van McGregor of copy writer bij Bozell. Nu is hij eenzaam. Hij mist een vrouw en vrienden en hij wordt nauwelijks gezien door anderen, laat staan gelezen. Langzaam daagt Alexander de ironie van dit alles… Je lot ontlopen is minstens even zwaar als je lot dragen. Ook kan Alexander niet voorbij gaan aan een opmerkelijk feit uit de mythe. Een detail dat hij altijd als onbenullig heeft beschouwd, maar dat essentieel blijkt te zijn.

In de mythe draagt Atlas niet de wereldbol op zijn schouders, al dacht Alexander dit als kind wel (de bol lijkt immers op de aarde). Atlas draagt een stuk van het hemelgewelf en wel het stuk rondom Uranus. Uit esoterische literatuur weet Alexander dat Uranus in de oudheid als een godheid werd vereerd en wel als de god van de magie. De wereld die Alexander op jonge leeftijd door zijn ouders te dragen kreeg en die hij gedurende zijn kindertijd verdragen moest is dus niet dezelfde als de last van Atlas! De jonge Alexander dacht een wereld te moeten veroveren voor de eer en glorie van het McGregor imperium en deze wereld wilde hij niet. Echter, Atlas draagt geen wereld maar een stukje van de hemel. Zou Alexander, juist door het ontlopen van zijn lot, een last te dragen hebben gekregen? Namelijk de last van het ontstijgen aan wereldse verplichtingen. Is de hemel tussen zijn boeken die hij voor zichzelf gecreëerd dacht te hebben soms zwaarder te dragen dan de wereld zelf? Zou Alexander überhaupt iets te dragen hebben als hij zijn wereldse taken op zich zou nemen? (Dan wel als directeur van McGregor of als copy writer bij Bozell.) En, om deze angstaanjagende taak – althans, in de ogen van Alexander – op zich te kunnen nemen, zou Alexander dan nog iets kunnen leren van de godheid Uranus? Alexander vraagt zich af of Uranus ook iets weet van ‘omgekeerde’ magie? In plaats van het veranderen van lood in goud, moet Alexander iets verloochenen dat in zijn ogen zuiver of essentieel is. Hij moet zijn huidige bestaan als schrijver verloochenen voor een bestaan in lood, als man in dienst van de commercie. Kan Alexander zijn loden last afleggen door afstand te doen van zijn zelf gedefinieerde hemel door een bestaan als man van de wereld te aanvaarden? Gestoken in een keurig pak, met aan de binnenzijde van zijn jasje de signatuur van de McGregor’s genaaid: 1921. Het jaar waarin drie mensen onbedoeld het patroon van Alexander’s noodlot uitlegden.

Goud dat in lood verandert

Op het moment dat Alexander dit alles overdenkt wordt er op zijn deur geklopt. Eerst denkt hij dat het de directiesecretaresse van de negende verdieping is. Daar zit de directie van het McGregor imperium, met aan het hoofd Alexander’s neef die zich als een echte geldwolf ontpopt heeft. Voor sommige zeer belangrijke en gewichtige zaken heeft de directie formeel toestemming nodig van de laatste nazaat van de McGregor familie. Dan komt de directiesecretaresse (zijn neef weigert naar boven te komen) met een paar mooi ingebonden stukken naar Alexander’s kleine appartement en vraagt hem de stukken door te lezen en te ondertekenen. Alexander leest echter nooit iets door, want zakelijke stukken interesseren hem niet en hij heeft al genoeg boeken te lezen (en te schrijven). Waarom zou hij zich met wereldse zaken bezigen als hij alle grote filosofen, dichters en schrijvers in zijn uitpuilende boekenkast heeft staan? Wat weegt een handtekening van een paar miljoen tegen een helder idee van Plato? In Alexander’s beleving weegt de handtekening zwaar als lood en is een helder idee licht als ether. Maar als je, net als Alexander, uit een wereld van miljoenen (het aantal McGregor pakken dat verkocht is) komt en de wereld dus aan je voeten ligt, dan weegt een handtekening van een paar miljoen niets tegenover een helder idee. Met een Platonisch idee kun je geen marktaandeel veroveren en zij is daarom ook volkomen nutteloos in de wereld van Alexander, even waardeloos als lood.

Filosofisch onderlegd als Alexander is, heeft hij dit alles (nog) niet in de gaten. Totdat op de deur geklopt wordt en Alexander open doet. Daar staat niet de directiesecretaresse, zoals Alexander verwacht had (verder krijgt hij nooit bezoek). Daar staat een zeer oud mannetje met een snuit die Alexander aan een wolf doet denken. De man is gestoken in keurige snit dat Alexander onmiddellijk herkent als een peperduur maatpak uit de meest exclusieve collectie van McGregor. Alexander herkent het oude mannetje onmiddellijk als de ‘vreemde snuiter’, zoals zijn vader over de man schamperde, of de ‘heer met de snuit en het pak van een wolf’, zoals zijn grootouders hun respect voor de man waren blijven uitspreken. Hier stond de aanstichter van zijn noodlot! De man die van McGregor een wereldmerk heeft gemaakt en daarmee Alexander met de last van de wereld opzadelde.

Alexander, die nooit op een echte school heeft gezeten en daardoor nooit op het schoolplein gevochten heeft, is laf. In plaats van dat hij doet wat in hem opwelt – de man een dreun voor zijn wolvensnuit verkopen – zet Alexander snel een masker op en vraagt de man vriendelijk (maar ongemeend) binnen. De stokoude man met de snuit van een wolf neemt het aanbod aan en loopt naar binnen. Het valt Alexander op dat de man ongewoon kwiek loopt voor zijn ongetwijfeld zeer hoge leeftijd. Alexander schat dat de man wel zo’n honderd jaar oud is.

De man gaat zitten op de enige andere stoel die, naast de fauteuil van Alexander, in de woonkamer voor handen is. Hij zet zijn wandelstok (heeft hij deze echt nodig?) naast zich neer. Alexander vraagt of de man thee lust? Nadat deze instemmend heeft geknikt – gesproken heeft hij nog geen woord – gaat Alexander naar de keuken om thee te zetten. Als hij even later de woonkamer binnen komt met een dienblad met daarop een pot earl grey en twee kopjes, pakt het oude mannetje zijn stok en laat Alexander erover struikelen! De thee vliegt door de kamer, een decor van donkerbruine spetters achter latend en Alexander valt op de grond, tussen de scherven van de pot en kopjes. Verbijsterd kijkt Alexander het oude mannetje aan, die hierop zijn mond opent en zijn tanden laat zien. De oude man heeft heel zijn gebit nog en zijn hoektanden doen denken aan slagtanden, al steken ze niet uit zoals bij vampiers het geval is. Alexander wordt bang dat het mannetje hem zal aanvallen en bijten, zijn bloed drinkend als een vampier. Maar het oude mannetje met de wolvensnuit is zijn natuur waardig. Hij stelt Alexander gerust door te stellen dat alleen vampiers anderen leeg zuigen. Daar hij een afstammeling is van wolven zal hij nooit een mens aanvallen, tenzij hij van de honger op sterven na dood is. ‘En dat’, zegt hij met heldere stem, ‘zal nooit gebeuren. Ik eet thuis kaviaar met een gouden lepel.’ Hieruit maakt Alexander op dat het mannetje schatrijk moet zijn en dat zijn vertrek als copy writer bij Bozell hem dus zeker geen windeieren heeft gelegd.

Alexander zit vol vragen. Waarom is het oude mannetje zo gemeen tegen hem dat hij hem opzettelijk over zijn wandelstok laat struikelen? Hoe komt hij zo rijk? Wat heeft hij gedaan nadat hij de kledingzaak van zijn opa en oma zo groot had gemaakt? Waarom heeft hij Bozell destijds verlaten? En, bovenal, wie is deze oude man met de snuit van een wolf? Zei hij zojuist werkelijk dat hij van wolven afstamt? En als repliek op dit laatste, zegt Alexander dat hij een ding zeker weet. Alleen in mythen als Romulus en Remus stammen mensen van wolven af en worden mensen gezoogd door een wolvin.

De oude man vraagt hoe Alexander dit zo zeker weet als hij nooit iets van de wereld heeft gezien en zich altijd alleen opsluit tussen zijn boeken? Alexander sputtert nog tegen met te zeggen dat hij meer van de wereld heeft gezien dan wie ook. Samen met zijn ouders heeft hij alle wereldsteden bezocht! Maar de oude man is stellig. ‘Je hebt niets van de wereld gezien. Al die tijd leefde je in een luchtbel, opgetrokken uit gedachtespinsels en filosofische ideeën. Je had zelfs de overmoed je gelijk te stellen aan Atlas, een zoon van Iapetus.’ ‘Een titaan’, schreeuwt Alexander, ‘een primitieve voorouder van de mens! Zo ben ik niet!’

Op dat moment weten Alexander en het oude mannetje beiden het antwoord. Beiden zijn ze bekend met de psychologie van Jung die stelde dat we ons onbewuste projecteren op objecten die corresponderen met dingen die in ons leven, maar die we niet durven uit te leven. Het feit dat Alexander zich identificeerde met de zoon van een titaan spreekt boekdelen. Dit is de eerste keer dat een filosofisch idee voor Alexander een waarheid bevat die betrekking heeft op de echte wereld, die van geld en van vlees en bloed. (Alexander ziet nu ook dat hij zich gesneden heeft aan een scherf van de gebroken theepot.)

In Alexander’s onbewuste is al die tijd een titanenstrijd gaande. Heel zijn ik strijdt tegen zijn natuur die nog voor een deel dierlijk en primitief is. Al die tijd wilde Alexander deze waarheid niet onder ogen zien, bang als hij was dat het lood van materie hem verpletteren zou. Maar als je een fysiek wezen bent, dan voelt heel de rest van de fysieke wereld – al die miljoenen van McGregor – zo licht als een veertje. ‘De reden is helder’, spreekt het oude mannetje. ‘Het is de eerste wet van de magie. Al het gelijksoortige is aan elkaar gelijk en daardoor kenbaar voor elkaar. Als je van vlees en bloed bent, dan is het eten van vlees en het drinken van bloed natuurlijk, gelijk aan je eigen natuur. Kijk om je heen. Alle wolkenkrabbers die samen New York vormen zijn opgetrokken uit bloed. New York is gevormd uit het bloed van je grootvader en de zijnen die het bloed van hun concurrenten wel konden drinken. Zie je die toren daar?’ En het oude mannetje wijst op een kantoorgebouw, dubbel zo hoog, een paar blokken van het McGregor gebouw vandaan. Daar, boven op de toren prijkt de naam van Donna Karen, geschreven in acroniem. Alexander kent het kledingmerk DKNY maar al te goed. Het McGregor gebouw waarin hij woont is al oud en is al jaren niet meer gerenoveerd. Het ontbreekt de neef van Alexander aan marketingtalent waardoor McGregor de laatste jaren langzaam maar zeker marktterrein verloren heeft aan concurrenten als DKNY. De omzet van het bedrijf, hoewel nog hoog, daalt gestaag en van winst is de afgelopen jaren nauwelijks sprake geweest. De lage winst was, zo kon Alexander zijn neef keer op keer door de gehorige houten vloeren boos horen schreeuwen, het gevolg van twee dingen: het succes van DKNY en de hoge rekeningen van het reclamebureau Bozell.

Terwijl de oude man een zakdoek uit zijn broekzak haalt om de snee in de hand van Alexander te verbinden, zegt hij. ‘De last van een titaan is slechts zwaar zolang hij probeert de hemel te dragen. Jij wilt een spiritueel wezen zijn. En hoewel je dat in wezen bent en het Zelf de essentie van ieder mens typeert, draag je hier op aarde een pak. Een net pak, van goede snit, liefst gemaakt van weerbarstige stof, zoals ribstof.’ Alexander, die zijn ogen van de pijn van de wond in zijn hand samenknijpt, kijkt naar de oude man en ziet dat zijn pak precies de kleur heeft zoals zijn opa en oma hadden beschreven. De ribstof is van gemêleerd grijs en heeft een beige gloed nu de zon erop schijnt. Kijkend door de spleetjes van zijn ogen lijkt ze zelfs een beetje goud te schijnen. Het is het pak van een wolf, gemaakt van lood dat iets van goud weg heeft. Het commentaar van de oude man: ‘McGregor, 1921’.

Later die dag heeft Alexander zijn lot aanvaard en daarmee het heft in eigen handen genomen. Vergezeld door de oude heer die een snuit en een pak van een wolf had is hij, voor het eerst sinds jaren, de negende verdieping opgelopen en heeft hij zichzelf tot directeur benoemd. Hiermee heeft Alexander op aarde en in de hemel zijn rechtmatig erfdeel opgeëist. Zijn neef heeft een of andere adviesfunctie gekregen. Niemand weet precies wat de functie inhoudt, maar de titel klinkt goed en zijn salaris wordt in goud uitbetaald (dat kan het bedrijf na Alexander’s aantreden makkelijk betalen, want de zaken zijn ten goede gekeerd). Alexander, die zo goed is in zijn functie, doet het werk parttime. In de ochtend werkt hij bij McGregor, in de middag loopt hij door Central Park naar Bozell, waar hij reclamecampagnes voor zijn kledingmerk coördineert. En als hij dan tussen de middag door Central Park loopt, dan zie je hem altijd even stil houden bij een oud mannetje dat daar op een bankje gezeten is. Het is een heer in keurig pak en met de snuit van een wolf.

 

© Sander Videler, 2011