De weg naar je ware zelf

Nieuws

Evolutie van bewustzijn en waardencreatie

Alle artikelen, Creatie, Dieptepsychologie, Mystiek & gnosis, Ziel

Naar universele authenticiteit (of authentieke universaliteit)

DIEPTEPSYCHOLOGIE & MYSTIEK – Een centraal begrip in de dieptepsychologie van Jung is het proces van individuatie of zelfwording. Ook anderen in de school van ‘human potential’, zoals Abraham Maslow (positivistische psychologie), stellen het idee van zelfrealisatie centraal. De psychologische visie op zelfrealisatie gecombineerd met metafysische en mystieke concepten over de evolutie van bewustzijn levert een integrale theorie op over bewustwording, waardencreatie en manifestatie.

Om deze integrale theorie goed te kaderen, moeten we beginnen met een centraal idee in de dieptepsychologie (en vele spirituele stromingen), volgens welke de mens uit twee kernen bestaat: een ego, ik of vals zelf en het Zelf, dat zijn geestelijke kern vormt en samenvalt met het theosofisch-antroposofisch begrip ‘geestzelf’. Dit is de nucleus of godsvonk waarin ziel en geest (God) een volkomen eenheid met elkaar vormen. Volgens de bekende metafoor is de ziel van de mens een druppel in de oceaan van de geest.

De mens kan zichzelf alleen als deel van de oceaan beleven als hij de identificatie met het afgescheiden zelf – de ik-persoonlijkheid of het ego – heeft opgeheven. Ondanks de schitterende beloften van met name de new age dat dit in een handomdraai gebeurd zou kunnen zijn, lijkt het proces van verlossing (van het ego) of verlichting een eonen durend proces dat vele incarnaties op veel verschillende bestaans- of bewustzijnsniveaus omvat. Een spoedcursus verlichting verkoopt goed, maar werkt niet.

Ego & Zelf

Een klassiek Jungiaans model is de zogenoemde ‘ego-Zelf’ as.

Het beeld illustreert waar het individuatieproces om gaat: het fuseren van ego en Zelf tot één nucleus of geestelijke kern.

De vraag is: hoe komt het dat er überhaupt zoiets als een ego of afgescheiden ik bestaat?

Hoe komt het dat wij als geestelijke wezens met één kosmisch-universeel geëxplodeerd zijn in ontelbare ogenschijnlijk losse fragmenten? Natuurkundig hebben we hier een verklaring voor in de vorm van de Big Bang theorie. Het metafysisch-religieus equivalent kent vele vormen, met culturele en religieuze verschillen.

Vrijwel alle scheppingsverhalen hebben één ding met elkaar gemeen, dat overigens heel vaak over het hoofd wordt gezien. Er wordt gesproken over ‘goden’ (de ‘Elohim’ in het Oude Testament), waar dan vaak één god tot oppergod door een volk wordt uigeroepen. De Grieken aanbaden Zeus, (klein)zoon van hogere oppergoden als Chronos en Uranus. Bij de Joden werd Jahweh uitverkoren tot hoogste god. Telkens weer gebeurt hetzelfde. Na verloop van tijd raken de andere goden op de achtergrond en fixeert het volk zich op één exclusief godsbeeld. Dit is funest voor een werkelijk begrip van de kosmos, welke een vrijwel oneindige hiërarchie van via bewustzijn scheppende wezens kent: van de mens, tot engelen en aartsengelen onderaan de kosmische hiërarchie, tot aan de hoogste geestelijke wezens als cherubijnen en serafonen die voor de troon van de échte God staan. Besef wat er gebeurt! Volgens Rudolf Steiner is Jahweh bijvoorbeeld weliswaar een hoog ontwikkeld geestelijk wezen (aartsengel), maar hij is geenszins de hoogste god. Hetzelfde geldt voor Zeus. Deze had voor het Griekse volk weliswaar een bijzondere betekenis, maar als ver ontwikkeld bewust wezen met veel creatieve kracht is hij een kleinduimpje ten aanzien van de hoger scheppende bewustzijnsenergieën in de kosmos.

Zondeval

Waar ik naar toe wil is het volgende.

Ooit, aan het begin van de tijd, heeft een deel van de oneindige geest van God zichzelf in myriaden aspecten naar buiten geprojecteerd. Omdat alle delen nog steeds in de oneindige geest bestaan, vormen alle delen samen een perfect georchestreerde kosmos. Na verloop van tijd zijn sommige delen in hun bewustzijnsontwikkeling steeds meer op zichzelf georiënteerd geraakt in plaats van op het universele Zelf dat alle delen met elkaar delen. Hieruit is uiteindelijk een ego of een vals zelf bestaan, dat zichzelf ten onrechte is gaan ervaren als een afgescheiden deeltje. Met de geboorte van het ego, dwaalden deze geestelijke wezens in hun bewustzijn steeds verder van de Bron af. In de Westers-christelijke variant van dit verhaal leidt Lucifer een opstand tegen God en raakt hierdoor van zijn Bron vervreemdt. In de daarop volgende val van bewustzijn, verliest de aartsengel Lucifer zijn verbinding met het kosmische Zelf en vervreemdt tot Satan, de duivelse tegenpool van het goddelijke. Het Griekse woord voor ‘duivel’ luidt ‘diabolos’, dat ‘scheider’ betekent. Het afgescheiden zelf was een feit en de wezens die Lucifer in zijn val volgden kwamen in de kosmos bekend te staan als ‘mensen’. De bijbel beschrijft dit verhaal als de ‘zondeval’ van Adam en Eva of de val in de illusie van af-zonde-ring. Merk op dat de mens in Genesis twee keer wordt geschapen: eerst als Adamas, later als Adam en Eva, waarbij de vrouw uit de rib van de man wordt gecrëerd. De tweede mens wordt in feite niet geschapen, maar deelt zichzelf op in een mannelijk en een vrouwelijk deel, zoals sinds de afsplitsing van het ego van het universele Zelf alles in polariteiten wordt opgedeeld. Sinds de geboorte van het afgescheiden ik wordt heel de kosmos in gescheiden delen beleefd, zoals het bestaan van een binnen- en buitenwereld. Dit alles is ten diepste een illusie of zinsbegoocheling ontstaan door het vals besef van afscheiding.

De val in bewustzijn leidde dus tot een collectieve dementie omtrent onze ware universele of goddelijke aard. Van een geestelijk wezen werd de mens tot een fysiek wezen dat zichzelf als een nietig, afgescheiden ik ging ervaren in een immens universum. De val luidde het begin in van een kosmisch verlossingsplan, waarbij afgescheiden ikken gedurende een eonen durende reïncarnatiecyclus in steeds weer andere levensvormen incarneren, om zo bewustwording op te doen. De ziel die het besef van haar geestelijke natuur heeft verloren, moet op eigen kracht en vanuit vrije wil de terugtocht maken naar bewustwording van haar goddelijke bron. Hiervoor is het op een bepaald punt in de evolutie noodzakelijk dat het ego of afgescheiden zelf zichzelf ondergeschikt maak aan de leiding vanuit het universele Zelf.

Zolang het ego nog niet als dienaar van het Zelf is omgeschoold, verkeert de mens in dualiteit (op z’n best) of ervaart hij zichzelf als gespleten en eindigt hij in een toestand van schizofrenie – verscheurd tussen zijn werelds ik en zijn geestelijke mogelijkheden. Denk bijvoorbeeld aan Nietzsche, die de laatste jaren van zijn leven zittend op een stoel in het avondland van zijn aan flarden gescheurde denkgeest heeft doorgebracht. Het bereiken van de Übermensch is een gevaarlijke onderneming. Een ander woord voor Übermensch is ‘homo universalis’: de mens die het universele Zelf in zichzelf heeft gerealiseerd.

De noodzaak tot incarnatie

De ziel incarneert omdat zij een geestelijke afstand moet overbruggen. Dit zijn de blinde vlekken van onbewust zijn die iedere zogenaamd ‘afgesplitste’ godsvonken op weg terug naar God bewust moeten maken. Om het onbewuste bewust te maken is een polaire situatie nodig: een plus- en een minpool, bewust en onbewust. De geest moet in een spanningsveld terecht komen, waarin keuzes gemaakt moeten worden om zo tot ontwikkeling te komen. Hiertoe projecteert de geestziel – het deel van de ziel dat voor eeuwig in de geest besloten ligt – een ander deel van zichzelf in de stof. Dit andere deel is de natuurziel die op aarde tot een ego of ik in een fysiek lichaam materialiseert. De fysieke aarde is dus niet alleen ontstaan als een bijproduct van de zondeval, zij is tevens de kosmische leerschool waar binnen de illusie van afscheiding bewustwording wordt opgedaan om uiteindelijk opnieuw tot eenheidsbewustzijn te ontwaken.

Ik spreek met opzet over twee soorten zielskwaliteiten: geestziel en natuurziel.

Deze termen zijn afskomstig uit de theosofie en worden door theosofen en Rozenkruisers gebruikt om de tweeledige aard van de ziel te beschrijven: de ziel die als geestelijke nucleus voor eeuwig in een toestand van één-zijn verkeert met de goddelijke geest en de ziel die incarneert en indaalt in de (fysieke) natuur. Op het moment van incarnatie verliest de natuurziel het bewustzijn van haar geestelijke complement (geestziel of Zelf), waardoor de geïncarneerde ziel tot onbewust zijn vervalt en zich gaat identificeren met beperkende omhulsels als een fysiek, astraal of mentaal lichaam. De kern van dit onbewust zijn kristalliseert tot een ego of ik: een valse beleving van afgescheiden zijn. Afgesneden van de alintelligentie van de goddelijke bron, verliest de ziel op aarde haar bewustzijn, waardoor zij juist hier, in de stof, haar leerschool kan doormaken om op eigen kracht goddelijke intelligentie of albewustzijn te verwerven.

Geestelijke schizofrenie

Hoe groter de ‘afstand’ tussen geestziel en natuurziel, hoe meer gespleten de mens zijn aard zal ervaren. Als de afstand tussen beide polen – geest- en natuurziel of God en lichaam – zo groot is, dat het ego of ik de ontstane spanning tussen bewust en onbewust niet meer kan verdragen, dan splijt zij onder de druk en ontstaan geestesstoornissen als schizofrenie. Een dergelijke geestesstoornis heeft voor de ontwikkeling van de ziel grote waarde, hoewel dit vanuit aards perspectief vaak niet zichtbaar is.

Overigens, in zekere zin zijn we allemaal ten diepste gespleten en schizofreen. De meeste mensen identificeren zichzelf volledig met de in de stof geprojecteerde natuurziel. Zij stellen hun identiteit gelijk met de satelliet in de stof – het ego – in plaats van met hun geestelijke zon of nucleus – het Zelf – waar het ik als een satelliet om heen draait.  Zo bezien leeft de mensheid in een collectieve staat van geestelijke schizofrenie.

Misschien begrijp je nu ook (beter) de strekking van de termen ‘ik’ en ‘Zelf’. Alle wezens in de kosmos – van de allerkleinste ogenschijnlijke deeltjes tot de grootste sterrenstelsels – delen één geestelijk of goddelijk Zelf. Dit is de godsvonk of Monade (in hindoetermen: Atman) die in alle bestaansvormen huist. Op het moment dat, in quantumfysische termen, de golf ogenschijnlijk een deeltje wordt, ontstaat de beleving van een individuele identiteit: een ik-besef. Deze neemt bij mensen de vorm aan van een persoonlijkheid, het beperkte bewustzijn dat zich met de fysieke, gevoelsmatige en verstandelijke vorm identificeert. Hierdoor ervaren we een min of meer constante identiteit, hoewel deze er in wezen niet is.

Maar heel weinigen hebben (nog) bewust contact met hun godsvonk: het geestelijk Zelf dat niet incarneert en één is met het kosmisch of universeel bewustzijn. Hoewel dit kosmisch bewustzijn – ons ware Zelf – niet incarneert, wil het zichzelf via de satelliet van het ego of de ik-persoonlijkheid wel tot uitdrukking brengen. Dit is de eigenlijke en goddelijke bedoeling van het leven op aarde: de intenties van het goddelijk Zelf tot uitdrukking brengen. Ten diepste gaat het hierbij om het tot uiting brengen van universele waarden als liefde en waarheid. Waardencreatie via de evolutie van bewustzijn is dé reden van het bestaan van het universum. Binnen dit universum zijn heel veel verschillende niveaus van bewustzijn, waarbij elk bewustzijnsniveau zich uitdrukt in een specifieke bestaansvorm, variërend van grofstoffelijk (materieel) tot spiritueel. Alleen het hoogste, geestelijke niveau – de goddelijke Bron – blijft buiten de reikwijdte van het creationistisch spel.

De menselijke toestand

Terug naar de toestand van mens zijn.

Wij zijn bezig om langs de weg van bewustwording te evolueren van egoïsten naar wezens die (uitsluitend) vervulling vinden in het manifesteren van het universele Zelf en haar waarden als liefde en waarheid. Op deze lange ontwikkelingsweg bevinden we ons momenteel in een toestand van verscheurd zijn. In de toestand van geestelijke schizofrenie worden de meeste mensen heen en weer geslingerd tussen tegenpolen als goed en kwaad, hun hogere en lagere natuur. Dit komt ook heel nadrukkelijk tot uiting in onze collectieve systemen. Karl Marx profeteerde al dat het kapitalisme uiteindelijk verscheurd zal worden door de polarisatie tussen ‘haves’ en ‘have-nots’. En momenteel kantelen onze politieke systemen aan de rand van de afgrond door de enorme polarisatie tussen links en rechts of sociaal en individueel-liberaar georiëerde waardenstelsels. Op individuele schaal beleeft de ik-persoonlijkheid zichzelf als een wezen met een lagere, instinctieve, blinde natuur en een hogere natuur die gericht is op emotionele, intelllectuele en verder reikende geestelijke ontwikkeling.

Onderstaand overzicht, ontleend aan de ‘theorie van positieve desintegratie’ van Kazimierz Dabrowski, geeft een helder overicht van de ontwikkeling van de mens vanuit haar huidige gespletenheid naar toekomstige integratie en heelheid.

De mens is doorheen vele incarnaties op weg om het universele Zelf in zichzelf openbaar en manifest te maken. Het probleem van de huidige mens dat zijn bewustzijn van het ware Zelf ontoereikend is. Hierdoor ervaart hij zich vanaf het moment van incarnatie als een afgescheiden zelf in plaats van als een satelliet die rondom de kosmische Zon draait. In deze toestand van onbewust zijn blijft het ego als een afgesplinterd complex een eigen leven leiden dat vaak tegen het oorspronkelijke incarnatieplan in gaat.

Als uitstraling van het goddelijke, beschikt de mens over een vrije wil – autonomie of vrijheid van zijn is een intrinsieke waarde van de universele geest. De (geest)ziel probeert langs vele wegen steeds opnieuw om haar aardse tegenpool ‘op koers’ te houden, waardoor in de mens een voortdurend dialectisch proces plaats vind. Deze tweestrijd is nog iets anders dan de dialogen die de meeste mensen heel de dag door met zichzelf in hun hoofd voeren. Dit zijn de vele semi-autonome complexen en autonome subpersoonlijkheden waaruit het egosysteem bestaat. We zijn dus niet alleen gebroken wezens in de zin van ‘geestelijk schizofreen’ (splitsing ego – Zelf), maar het ego of de in de stof geïncarneerde ziel is in zichzelf ook gespleten en draagt vaak vele facetten in zich. Het resultaat is een ketting van ‘gebrokenheid’, waarin het kosmische Zelf in steeds kleinere eenheden – van ego tot subpersoonlijkheden en complexen – desintegreert of uiteen valt. Hoewel uiteindelijk alle delen zich in het universele Zelf bevinden (en zo uiteindelijk weer bij elkaar zullen komen), kan dit proces zich over vele levens uitstrekken. Immers, vele delen in het ego zijn het bewuste contact met de ziel verloren en missen hierdoor een centrale aansturing vanuit een hogere intelligentie om tot herschikking en reïntegratie te komen. Uiteraard zijn de levensomstandigheden altijd optimaal voor het individuatieproces.

Egosysteem versus ecosysteem

Individuatie is dus een zeer omvangrijk en complex proces. Voordat het ego of de natuurziel zich bewust wordt van de diepere, geestelijke stem en zich hiernaar kan richten, moet het ego tot een staat van geïntegreerd of één zijn komen. Dit alleen al is een levenslang proces, waarmee duizenden psychologische en therapeutische stromingen gemoeid zijn. Hierbij geldt eveneens dat hoe meer een mens nog op zichzelf (ego) gericht is, hoe groter de verscheidenheid aan (elkaar tegensprekende) drives, complexen en subpersoonlijkheden. De ik-persoonlijkheid heeft het van het kosmisch bewustzijn afgescheiden zelf als centrum. Het ego ziet zijn belangen als gescheiden van de wereld, zoals bijvoorbeeld de aard van het kapitalistisch systeem getuigt.

In zijn overleven of ‘survival of the fittest’ creëert het ego steeds weer conflicten, met anderen en zijn natuurlijke leefwereld. De mens is in gevecht met de natuur en meent in zijn onwetendheid en hoogmoed dat het deze zelf veroorzaakte strijd kan beslechten door de natuur te overwinnen. Hij gaat hierbij linea recta in tegen universele wetten, die de bescherming van de integriteit of heelheid van systemen dienen. Op den duur komt het ego hierdoor steeds meer in conflict met de kosmos en haar hiërarchieën van hoger geëvolueerde, geestelijke wezens en systemen. De tegenwerking die het ervaart creëert een voortdurende staat van angst – het overleven van het ego staat immers op het spel. Deze angst zet op haar beurt weer (semi) automatische reflexen van fight, flight en freeze in werking. Zo desintegreert het egosysteem in steeds meer fragmenten (complexen en subpersoonlijkheden) die langs wegen van vluchten, vechten en bevriezen de integriteit van het egosysteem proberen te bewaren.

Het verschil tussen een egosysteem en een ecosysteem is dat de laatste wordt ontworpen en geleid door de holistische wijsheid van het universele Zelf. Omdat dit geestelijk Zelf buiten de ordening van ruimte en tijd bestaat, ordent zij de levensstroom vanuit voorzienigheid. In de ordening van het systeem zijn zodoende toekomstige ontwikkelingsmogelijkheden ingebakken. Dit in tegenstelling tot een egosysteem, dat bij gratie van door het verleden geconditioneerde reflexen opereert en zodoende teert op gedateerde, verouderde informatie. Dit draagt bij aan de verdere chaos en versplintering van het egosysteem. Momenteel kun je werkelijk in elk domein van mens zijn de disfunctionaliteit van egosystemen zien. In de huidige onvermijdelijke neergang van de mens slaan egosystemen in het economische, technologische, politieke en sociaal-maatschapppelijke domein steeds meer op hol.

Metafoor van de koetsier

Het ego of de ik-persoonlijkheid wordt ook wel vergeleken met een koetsier, gezeten op de bok van een koets (de metafoor komt uit de Victoriaanse tijd). Het ego heeft als taak om de ziel, gezeten in de koets, op haar bestemming te brengen. Tijdens een goed verlopen individuatieproces realiseert de mens zijn bestemming en ‘wordt hij wie hij in wezen is’. Maar de meeste ego’s raken gaandeweg gefixeeerd op eigen belangen en valse en beperkende overtuigingen. Dit gebeurt altijd vanuit een verkeerd begrepen angst of onvervuld zijn. Bovendien hebben maar weinigen het er voor over om naar de instructies van hun passagier te luisteren. Dit heeft ermee te maken dat de weg van de ziel moeilijk is. Spirituele ontwikkeling kan alleen wanneer de mens steeds meer ik-gerichtheid offert ten gunste van het nastreven van de realisatie van universele waarden. Naarmate de mens zijn geestelijk doel nadert, wordt de weg smaller en steiler. Ze is smal, omdat het realiseren van de idealen van de ziel weinig ruimte laat voor afwijkingen, die ontstaan door onbewust zijn en/of ongehoorzaamheid van het ego.

Paradoxaal ervaar je, naarmate je het universele Zelf dichter nadert, minder vrije wil. Het ego gaat zichzelf steeds meer beleven als aan de teugels van het Zelf die, naarmate het ego het Zelf dichter nadert, de teugels steeds meer aan trekt.

Ik ben me ervan bewust dat de metafoor een gedaantewisseling heeft ondergegaan, nu niet het ego maar het Zelf de teugels in handen heeft. Dit is altijd zo, ook als het ego op de plaats van de koetsier zit. Hoewel het ego vanuit eigen vrije wil beslist, zijn al haar bewegingen ingebed in het albewustzijn van het Zelf dat onvermoeibaar bijstuurt. Uitendelijk komt het ego er zelfs achter dat er ten diepste geen vrije wil is omdat er maar één Zelf of goddelijke wil is. Als je dit als onrechtvaardig ervaart, dan komt dit doordat je jezelf nog als afgescheiden van God ervaart – alsof jouw belangen anders zijn dan die van de universele geest.

Verlichting

Het uiteindelijke doel is om ego en Zelf met elkaar te laten versmelten in een zogenoemd ‘heilig huwelijk’ of hierosgamos. In feite is dit geen fusie, maar het ego lost op in het kosmisch bewustzijn van het Zelf. Het ego is, hoe bewust ook, zelf een uiting van onbewust zijn. Zij is de illusie dat er een zelf afgescheiden van de universele geest kan bestaan. De laatste stap in het proces van zelfrealisatie is dus het oplossen van het egocomplex zelf. Hoewel het realiseren van een dergelijk huwelijk de bruidegom (ego) voor de grootst mogelijke beproevingen stelt, levert zij de grootste voldoening op. Op het moment dat het ego in het kosmisch Zelf oplost, valt verlichting de ziel ten deel. Je bent je dan bewust dat je de kosmos (en zelfs meer dan dit) bent. Er is geen intern of extern spanningsveld meer, omdat er geen onbewustzijn meer dat overbrugd moet worden. De opheffing van lijden door dualiteit is de universele ervaring van verlichte zielen. Dit wil niet zeggen dat zij niet langer binnen de wetten van polariteit leven – dat doen zij wel, zoals elke levensvorm op aarde. Maar hun kosmisch bewustzijn omvat en bevat elke denkbare dualiteit, waardoor zij geen gerichtheid meer hebben op het nastreven van het ene (de pluspool van gezondheid, welvaart, etc.) of het vermijden van het andere (de minpool van ziekte, armoede etc.).

Twee fasen in zelfverwerkelijking

Concluderend, het proces van zelfrealisatie bestaat uit twee fasen.

De eerste fase is (diepte)psychologisch van aard en is erop gericht om de vele verschillende complexen en subpersoonlijkheden tot één functioneel egosysteem te integreren. Functionaliteit wordt hierbij begrepen als de capaciteit om als één integraal bewustzijn te opereren, waarbij het ego al haar drives, motieven, verlangens en aspiraties met elkaar in overeenstemming brengt. Uiteindelijk zullen hierdoor alle delen in het egosysteem gericht zijn op een centrale aansturing vanuit het ik, dat zichzelf op haar beurt richt naar de leiding vanuit het geestelijk Zelf. In dit proces gaat dieptepsychologie steeds meer over in vormen van mystiek. De aard van het proces verandert van psychologisch naar religieus. De eerste fase van het individuatieproces is afgerond wanneer het bewustzijn van het ego gericht is op het realiseren van de intenties van het universele Zelf.  Dit leidt ertoe dat de ego haar kleine wil (dat heel vaak blind opereert) overgeeft ten gunste van de universele of grote wil van het Zelf.

Overgave is de eerste stap op de mystiek-religieuze weg. Zoals vervat in de betekenis van het Latijnse woord ‘re-ligare’, is de weg erop gericht het ego of de ik-persoonlijkheid te herverbinden met het Zelf. Tijdens dit proces van zelfrealisatie zal de ik-gerichtheid steeds meer afnemen ten gunste van de inwerkende krachten van de goddelijke intelligentie en wil. De vele overlevings- en verdedigingsmechanismen van het ego zullen in deze fase ontmanteld worden, waardoor in feite de persoonlijkheid wordt afgebroken wordt. Sinds Sigmund Freud, Wilhelm Reich en Melanie Klein weten we dat persoonlijkheden en karakterstructuren voor het grootste deel gevormd worden door (semi) autonome responses van fight, flight en freeze. In de religieuze fase smelten ego en persoonlijkheid weg in de hitte en het intense licht van waarheid en liefde. In deze fase wordt de mens in feite pas volwaardig mens: een unieke, authentieke uitdrukking van universaliteit.

 

© Sander Videler, 2019