De weg naar je ware zelf

Nieuws

God woont niet op een berg

Alle artikelen, Mystiek & gnosis

MYSTIEK & GNOSIS - De Grieken stelden God voor als wonend op een berg. Daarna is God het alleen maar hogerop gaan zoeken. Volgens de officiële lezing in de bijbel is God omtrent het jaar nul van de Olympus naar de hemel verhuisd. Dat is jammer, want sindsdien is God onbereikbaar geworden.

De oude Grieken hadden nog de mogelijkheid om eens gezellig met hun goden te gaan keuvelen op de top van de Olympus, voor ons is dat onmogelijk. De hemel is immers alleen na de dood toegankelijk en je komt er bovendien niet zomaar in. Je moet over een smetteloze reputatie beschikken wil Petrus, de fortbewaker, je door laten.

Dan maar het nirwana

Omdat mijn gedragingen en gedachten de afgelopen jaren allesbehalve onberispelijk zijn geweest, heb ik al jaren geleden bedacht dat ik bij een andere godheid zou aankloppen. De Bijbelse godheid stond me sowieso niet aan. Als ik het oude testament mag geloven heeft Jahweh het niet zo op homo’s. Jahweh is een ouderwetse potenrammer die zijn homoseksuele schepselen met schalen kokend teer overgiet. No thanks!

Ik voel me meer welkom in het nirwana en heb mijn heil dan ook al jaren geleden in Oosterse godsdiensten gezocht. Maar dat bleek verwarrend.

Om te beginnen, het boeddhisme bleek in de eerste plaats helemaal geen godsdienst te zijn. Volgens de Boeddha is het nirwana zoiets als een groot Niets of Leegte. Ze hebben er geen troon met een opperschepper en dat maakt het nirwana voor mij volkomen oninteressant. Dit laatste zeg ik met enige wrevel. Ik zou er wel degelijk eens een kijkje willen nemen om te zien hoe Niets eruitziet, maar vooralsnog is het nirwana ‘out of my league’. Je moet namelijk erg goed zijn in mediteren. Pas als je je denkgeest helemaal vrij kunt maken van alle gedachten bereik je het Niets. Het punt is, je moet er minstens een leven lang voor trainen. Zelfs het trainen voor de halve marathon stel ik al jaren voor me uit… De marathon van ‘mindfulness’ zal ik dus wel nooit helemaal kunnen uitlopen!

330.000.000 verschillende goden

Teleurgesteld heb ik me daarna op het hindoeïsme gestort, maar dat bleek een verwarrende ervaring – op z’n zachtst gezegd. Mijn kennismaking met het pantheon aan hindoegoden is uitgelopen op een psychose. Deze godsdienst der godsdiensten bleek over maar liefst 330 miljoen goden te beschikken! Dat is evenveel als ruim een kwart van alle Indiërs. Ik vond het uit elkaar houden van alle goddelijke neven, nichten een aangetrouwde halfbroers in de clan van Zeus al moeilijk.

Om nog een reden ben ik teleurgesteld in het hindoeïsme, en bijgevolg in alle polytheïstische tradities. Het blijken namelijk geen godsdiensten te zijn in de eigenlijke zin van het woord. Het pantheon aan godenfiguren is een projectie van het arsenaal aan emoties. Mars bijvoorbeeld is een personificatie van de furie die in onze denkgeest kan ontsteken en Hera belichaamt onze zorgende, liefdevolle kant. De Grieken, Romeinen en Indiërs schiepen de goden om zo hun innerlijke belevingswereld tastbaar te kunnen maken. Blijkbaar beschikte de mens enkele duizenden jaren geleden nog over een onvoldoende uitgekristalliseerd zelfbewustzijn, waardoor hij het nodig had zijn binnenwereld naar buiten te kunnen projecten om deze te leren begrijpen. Als gevolg van zijn fluïde zelfbewustzijn – de klassieke mens beschikte nog niet over een sterk organiserend ego – ging de mens zo op in de buitenwereld, dat hij slecht een onderscheid kon maken tussen binnen en buiten.

Ik weet niet of ik de waarheid met deze vergelijking al te veel geweld aan doe, maar ik stel me zo voor dat de oude Grieken in een permanente staat van psychose verkeerden. Hun bewustzijn was nog niet voldoende sterk om de zeer krachtige emoties en andere psychische demonen te kunnen bevatten. Bijgevolg werden ze voortdurend door hun emoties overspoeld, alleen beleefden ze dit niet zo. In plaats van overmand te zijn door verdriet en angst en te lijden aan depressie, waren ze in de ban van Hades die hen meesleurde, zijn duistere onderwereld in.

Zonder dat ik God wil demystificeren als ‘gewoon’ een emotie, moet gezegd worden dat de Grieken in zekere zin dichter bij God stonden dan wij vandaag de dag. Zo iemand nog in God gelooft, wordt deze tegenwoordig voornamelijk gekenschetst als een transcendente macht die in een verre uithoek van het universum verblijft, onbereikbaar voor ons stervelingen.

In tegenstelling tot de moderne mens, wiens zelfbewustzijn zo sterk ontwikkeld is dat hij gelooft dat hij zijn identiteit aan zijn denken ontleent (Descartes), stond de vroegere mens meer in contact met zijn innerlijke belevingswereld. Dit was overigens geen verdienste van een hogere evolutie, maar het gevolg van een gebrek aan cognitie, waardoor de mens veel meer dan nu het geval is in zijn lichaam leefde. Bijgevolg beleefde hij de fysische schokgolven die ons met hun intense, emotionele lading kunnen overmeesteren veel sterker. In zekere zin stond deze mens in zijn beleving veel dichter bij de immanente kant van God.

God: een immanente kracht

God, zo beweren vele esoterische en filosofische richtingen, is namelijk niet alleen een of ander Superwezen dat heel de kosmos omspant – zijn transcendente natuur – maar deze bovendien tot in elk subatomair deeltje doordringt. Dit is zijn immanente natuur.

Het grote verschil tussen beide kanten van God is eenvoudig. In zijn immanente natuur is God in alle bezielde en onbezielde objecten aanwezig en neemt hij heel concreet een tastbare gestalte aan. Ten tijde van de polytheïstische tradities zien we dat God in deze vorm al uit de tastbare wereld aan het vertrekken was. Anders dan animistische tradities, die in een boom ook gewoon het gezicht van God zagen (Abraham zag hem nog als een brandende bramenstruik!), woonde Zeus bij de Grieken al op de top van een berg. Maar hij was in ieder geval nog met een voet in onze tastbare werkelijkheid aanwezig. Met de stichting van de drie monotheïstische richtingen – jodendom, christendom en islam – trok God zich voorgoed terug uit deze vergankelijke werkelijkheid. Voortaan was hij alleen nog inwoner van een abstracte, transcendente wereld – verstoken van enige vorm als gedachten of emoties. God ging inderdaad voor onze belevingswereld dood.

Natuurlijk kon het niet uitblijven dat we God ook in de objectieve buitenwereld dood verklaarden. Als je God niet meer kunt beleven, hoe kun je er dan in geloven? Je moet wel erg goedgelovig zijn wil je je leven uit handen geven aan een abstract idee. Wat nu?

Terug naar animisme of New Age?

Terugkeer naar het animisme – God als alles bezielende kracht – is niet mogelijk. Het animisme was de godsdienst van de nog onbewuste mens. Zich nog niet bewust zijnd van zichzelf als een afzonderlijk en zelfstandig wezen, vervloeide hij geheel met zijn omgeving. In deze psychotische bewustzijnstoestand, waarin er geen ervaring van een begrensd Ik is, ervaar je jezelf in alles. Dus ook in heilige eiken, wijze rotsen en hoge luchten. Het bewustzijn van de holenmens was letterlijk in alles aanwezig. Bijgevolg beleefde hij zichzelf als in een heilige verbondenheid met heel de kosmos. Hij leefde in een permanente toestand van ‘participation mystique’.

In de jaren ’60 heeft de ultracognitieve homo sapiens, die geheel in zijn eigen gedachtewereld i afgezonderd, een wanhopige poging gedaan om via drugs, vrije seks, communevorming en ‘flower power’ nog een keer terug te keren in de natuur, maar het is hem niet gelukt. Evolutionair gezien was het een regressie, een vlucht naar een infantiele zijnstaat waarin we door gebrek aan zelfbewustzijn onszelf in eenheid met de wereld – ‘peace & love!’ – beleven. Ons zelfbewustzijn, en bijgevolg de vorming van ons ego, heeft echter zo’n sterke vormen aangenomen dat we niet meer van nature kunnen terugkeren naar een dergelijke staat van zijn. Daarom moesten hippies wel teruggrijpen naar kunstmatige hulpmiddelen als drugs. Omdat het regressieve ideaal van het door zo velen verheerlijkte hippietijdperk niet strookte met de tijdsgeest van de evolutie, is zij een natuurlijke dood gestorven.

Terugkeer naar het polytheïsme is uiteraard evenmin mogelijk. Achteraf gezien markeren de polytheïstische tradities een overgang van animisme naar monotheïsme – de twee uitersten van godenbeleving.

In het animisme beleeft de mens het goddelijke in het geheel doordat hij zichzelf nog niet als een onderdeel van de wereld kent. Zonder zelfbewustzijn is er geen Ik dat zich van de wereld kosmos en zo een onderscheid kan maken tussen zichzelf en het leven – het goddelijke. In het monotheïsme en sterker nog in het atheïsme beleeft de mens zichzelf geheel zichzelf. Hij heeft zich in zijn zelfbewustzijn volledig teruggeworpen op zichzelf als een deel, een individueel, denkend wezen dat volkomen los staat van de wereld om hem heen. Bijgevolg verliest hij de verbinding met het leven – hij beleeft zijn band met de kosmos simpelweg niet meer. De beleving van deze verbinding, door Jung aangeduid als ‘participation mystique’, leidt tot de godservaring. In de overgang naar het monotheïsme verbrokkelt deze verbinding in een kleurrijk cluster van goddelijke fragmenten: de polytheïstische zienswijze. De mens begint zich van de wereld om hem heen te distantiëren, maar kan nog moeilijk onderscheid maken tussen hemzelf en het leven. Hij verliest de eenheidsverbinding met het leven en trekt zich terug in zijn innerlijk. Daar onderscheidt hij talloze belevingen die hij echter nog niet geheel als van hemzelf (h)erkent. Deze noemt hij goden en hij plaatst deze op een berg. Ergens beseft hij nog dat zijn innerlijk verbonden is met de kosmos, anders zou hij zijn goden en demonen niet op een berg in de wereld plaatsen. De top van de berg, waar zijn wereld aan de kosmos reikt, is echter moeilijk bereikbaar. Het bewust beleven van verbinding met de kosmos wordt een hele krachttoer, die alleen na veel meditatie en toewijding volbracht kan worden.

Op onszelf teruggeworpen

Voor ons is de top onbereikbaar geworden. In onze huidige zijnsstaat zijn we ons zozeer van onszelf als onderdeel bewust geworden, dat we de verbinding met het geheel verloren zijn. We zijn de beleving van het grotere verband, het verbond dat Jahweh met het Joodse volk sloot, verloren. We hebben de navelstreng die ons met de kosmos verbond door gesneden. En met een doel! We moeten namelijk eerst volledig op onszelf teruggeworpen worden, onszelf geheel en al als een individueel wezen beleven, voordat we onszelf weer gaan beleven als onderdeel van een groter geheel.

Langs onverwachte weg – de wetenschap van de kwantumfysica – beginnen we het grote mysterie te ontdekken: we bestaan zowel als deeltje als geheel. Sterker, in het deeltje ligt het geheel besloten. Om in onszelf het geheel te ontwaren, moesten we onszelf eerst van het geheel afsnijden. De monotheïstische godsdiensten hadden als doel de navelstreng door te snijden. Met hun transcendente visie op God – een Superwezen die ver weg van ons bestaat – wierpen zij ons geheel en al op aarde, in de deeltjes van materie, terug. In de visie van de drie monotheïstische godsdiensten is de mens een zondaar: een in afzondering levend, fysiek wezen dat hier op aarde geheel op zichzelf is teruggeworpen. Dit wereldbeeld, deze mensvisie, heeft ertoe geleid dat wij ons geheel in ons zelfbewustzijn hebben teruggetrokken. Door ons steeds meer op ons verstand te beroepen, hebben we een Super-Ik gecreëerd dat zichzelf als de ongekroonde schepper van zijn wereld beleeft. We wanen ons als onafhankelijke, zelfstandige en almachtige deeltjes die het geheel – het leven zelf – naar eigen hand kan zetten. Hiermee mogen de drie monotheïstische godsdiensten zich beroemen in het feit dat zij de grondleggers van de wetenschap zijn, met haar objectieve kijk op de wereld en materialistisch mensbeeld! Eigenlijk had de kerk Descartes – ‘Ik denk dus ik ben’ – als haar paus moeten kronen. Dan zou het christendom zich de huidige afgang bespaard hebben. Descartes zou immers het enige juiste doen dat deze fase van bewustwording vraagt. Hij zou de stekker uit het geloof hebben getrokken en de kerk hebben opgedoekt.

God & the road ahead

Er is geen weg terug. Het atheïsme met haar algeloof in deeltjes regeert en de drie monotheïstische godsdiensten met hun laatste houvast aan een verbinding met een groter geheel zijn op hun retour. Alles verloopt volgens plan.

Wat is de volgende stap in de evolutie van ons bewustzijn?

Nee, we keren niet terug naar de natuur. We zijn juist bezig de laatste hand te leggen aan het uitroeien van de natuur.

We keren ook niet terug de berg op. Degenen die in een laatste stuiptrekking God nog zoeken in hogere sferen door zichzelf van de wereld op een Himalayatop terug te trekken, proberen op kunstmatige wijze hun zelfbewustzijn teniet te doen om zo het contact met het geheel nog een keer te kunnen beleven. Een soort flower-power-hippie-regressie, maar dan met New Age-dressing.

No worries. We hoeven ook niet verder af te dalen in materie. We kunnen weinig verder afdalen in deeltjes en verdeeldheid dan we tot nog toe hebben gedaan. We hebben onszelf zozeer teruggetrokken in onze cognitie en haar reflectief vermogen of zelfbewustzijn, dat we onszelf momenteel beleven als gebroken, geïsoleerde, eenzame individualisten zonder groter doel of zingeving in het leven. We zijn waar we zijn moeten: op de bodem van ons deel-zijn, waar we vroeg of laat de grotere verbondenheid weer gaan herontdekken. Dit keer niet door een gebrek aan zelfbewustzijn, zoals bij de natuurvolkeren en hun animisme het geval is. We gaan de verbondenheid ook niet langer op een horizontaal vlak zoeken, door ons terug te trekken in communes of socialistische ideologieën. We zullen onze verbondenheid met het leven in onszelf ontdekken wanneer we ver genoeg zijn afgedaald in de put van onze depressies, eenzaamheid en verlatenheid. Evenals kwantumfysici de sleutel tot het begrijpen van het universum inmiddels zoeken in golven – alomvattende velden van energie – zullen wij onze verbondenheid weer gaan beleven, nadat we onze belevingswereld in een oneindig aantal deeltjes kapot hebben geredeneerd. Dan zoeken we God niet meer in een eik, op de top van een berg of in een onbereikbare hemel, maar in onszelf. Gewoon, in ons dagelijks leven, zittend op kantoor achter een computer. Niet verzonken in diepe meditaties, een kunstmatige vrede zoekend.

Mijn stelregel is altijd eenvoudig geweest. Als je het goddelijke niet in jezelf kunt beleven, stop dan met zoeken. Een verdere zoektocht zal je alleen verder van jezelf verwijderen, je zo stortend in diepere eenzaamheid en ervaren zinloosheid. Jung gaf de voorzet tot deze levensfilosofie met zijn stelling dat Westerlingen die naar het Verre Oosten trokken om daar de verloren verbinding proberen te vinden, gedoemd waren in hun zoektocht te mislukken. Als je het goddelijke niet eens in je eigen traditie kunt beleven, waarom dan wel in die van een ander volk? Een stap verder is om helemaal te stoppen met zoeken buiten jezelf. ‘Zoek het Zelf in je’, zeggen de gnostici. Hoe? Door zo diep in onszelf als deel af te dalen, dat we de verbinding met het leven totaal kwijtraken. Dan zullen we, net als wetenschappers, gedwongen worden de sleutel tot het leven te zoeken in geheel nieuwe verbanden: de totaalverbinding.

 

© Sander Videler, 2012 (www.sandervideler.com)