De weg naar je ware zelf

Nieuws

Het hart als heilige graal

Alle artikelen, Dieptepsychologie, Mystiek & gnosis

DIEPTEPSYCHOLOGIE & MYSTIEK - Een onderzoek naar de heilige graal (en de steen der wijzen).

Esoterici en andere zoekers laten vaak in het midden wat het verschil tussen beide – heilige graal en steen der wijzen – is. In de beroemde legende van Chrétien de Troyes gaat Parzival op zoek naar de heilige graal: de schaal of beker waarin het bloed van Christus na zijn kruisiging zou zijn opgevangen. Hiermee heeft de heilige graal veel weg van de steen der wijzen: een alchemistische substantie dat lood in goud verandert.

Dit zet aan het denken, want ook – juist – het hart wordt de magische kracht toegedicht zware substanties, zoals gevoelens van eenzaamheid en verdriet, tot lichtere bewustzijnssubstanties te transformeren. Het hart verandert zwaarmoedigheid in lichtmoedigheid, wrok en haat in liefde, angst in hoop en vertrouwen.

Een belangrijke eigenschap van het hart is bovendien onvoorwaardelijke acceptatie, de eerste stap van elke transformatie. Volgens de alchemisten gaat elk transformatieproces in drieën, beginnend met de acceptatie van wat is (lood). De tweede stap leidt tot het inzicht dat het lood – onze levensomstandigheden en onze reactie daarop – iets anders, de essentie, omhult. Door in de derde stap onze reacties op omstandigheden te veranderen, transformeren we lood tot goud: de liefde die uit loodzware gevoelens en emoties gezuiverd of gedestilleerd wordt.

Zo bezien is het hart of de heilige graal de magische transformator – het toverapparaat van de alchemist, waarmee deze zijn bewustzijn transformeert van lood naar goud en zo de steen der wijzen – het levenselixer of de ‘quinta essentia’ – produceert of destilleert.

Om dit transformatieproces, dat de ontwikkeling of sublimatie van het bewustzijn tot haar hoogste, verlichte staat omvat, goed te begrijpen, is het belangrijk de werking van het hart te kennen.

Lijden als weg naar het hart

In de metafoor (in de alchemie is alles beeldspraak) van de schaal die het bloed van Christus opvangt ligt al een belangrijke aanwijzing voor de werking van het hart besloten. Blijkbaar is ons hart in staat lijden draaglijk te maken.

Het bloed symboliseert het lijden van Christus, het spirituele zelf van de mens die lijdt omdat zij op aarde vorm aangenomen heeft en zichzelf zo heeft afgesloten van haar oneindige bron: het goddelijke.

Het bloed is niet alleen een symbool; zij is ook de sterfelijke variant van het alchemistische levenselixer. Het laatste bevat de onsterfelijke essentie: het bewustzijn dat verlicht is en zo weet dat het geestelijk en dus eeuwig is. Bloed is het levenselixer van het sterfelijke lichaam: de talloze ervaringen die het geïncarneerde bewustzijn ondergaat (‘het tot vlees geworden woord’ van Johannes), voordat zij bevat dat overgave aan het sterven de sleutel is tot onsterfelijkheid. Wanneer we stoppen onszelf met het eindige Ik of ego en zijn sterfelijke lichaam te identificeren, krijgen we zicht op wie we werkelijk zijn: onsterfelijke zielen, gemaakt van geeststof.

In sprookjes wordt dit inzicht verbeeld door de roos: een bloem van eeuwige schoonheid die uit lijden, gesymboliseerd door haar steel van doorns, voortkomt. De roos wordt niets voor niets in verband gebracht met liefde, en dus met het hart. Liefde is in feite dit inzicht: dat alles vergankelijk is en dat niets in deze wereld blijvende waarde heeft, behalve het waarde hechten aan de ervaring of de persoon an sich: een opflikkering in de eeuwigheid.

Wanneer we in staat zijn onze sterfelijke natuur met haar onvolkomenheden te accepteren, hebben we onszelf en de ander lief. De roos staat symbool hiervoor, evenals de heilige graal die het bloed (lijden) opvangt en de ervaring van sterven koestert, als is zij een knipoog van de eeuwigheid. Eigenlijk zouden we dus rode rozen moeten leggen op iemands graf, als blijk van onze liefde voor het leven, dat tevens de dood omvat. Door dit gebaar zouden we duidelijk maken dat we de heilige graal gevonden hebben: het leven zelf. Net als de doorns van een roos of het kruis op iemands graf, leidt het leven ons door de ervaring van sterfelijkheid tot het inzicht van leven na de dood. Door ons niet langer te hechten aan vergankelijke ervaringen, komen we tot het inzicht dat onze essentie – de steen der wijzen – gemaakt is van eeuwigheid; een heel andere stof dan het vergankelijke, zware lood.

De werking van het hart

Het proces van onthechten van sterfelijke ervaringen om geboren te worden voor het leven zien we, symbolisch, weerspiegeld in de werking van het hart.

Haar doel is het transformeren van bewustzijn, waardoor de steen der wijzen uit het lood gedestilleerd kan worden. De steen zelf is het destillaat: het bewustzijn, dat het gevolg is van een bewustzijnsproces. Het hart of de heilige graal zijn de buisjes, potjes en flesjes waardoorheen de alchemist zijn destillaat leidt om deze van steeds meer grofstoffelijke gehechtheden te zuiveren en zo in zuiver goud te veranderen. Het hart is dus het werkingsorgaan waardoor bewustzijn omgezet wordt. Hoe werkt dit orgaan? Een symbolische voorstelling om dit te verduidelijken.

Je zou het misschien niet zeggen, maar Freud was een van de grootste alchemisten. Freud ontdekte dat alle psychische processen uit het libido voortkomen. Het libido is de ongedifferentieerde levenskracht of het driftleven dat ons fysieke wezen aanstuurt. Zij is te vergelijken met het instinct van dieren.

Waarom spreken we eigenlijk van libido en niet van instinct? Dit heeft ermee te maken dat de mens zelfbewustzijn bezit, waardoor hij zijn driftleven kan aansturen om het om te zetten in hogere psychische functies als gedachten en gevoelens. Zonder zelfbewustzijn en dus de mogelijkheid tot reflectie op onszelf, missen we het vermogen om zelf leiding aan en verantwoordelijkheid voor ons leven te nemen. Het kuddedier wordt daarom geheel door de collectieve geest, de natuur geleid. Bij dieren is van een individueel onderscheid nauwelijks sprake. Hun karakter hebben zij gemeen met de soort en wordt bepaald door de specifieke gerichtheid van de instincten. Mensen daarentegen hebben de mogelijkheid om deze instincten – het libido – naar eigen inzicht te richten en zelf keuzes te maken. Dankzij ons verstand kunnen we achteruit blikken en vooruitblikken en de natuurlijke processen in banen te leiden, zoals door ons bepaald. We kunnen anticiperen op onze honger en ons levenslot uit handen van de grillen van de natuur nemen door deze via akkerbouw en veeteelt te manipuleren. Homo sapiens is tot het formuleren van denkbeelden in staat. Het is hem, dankzij zijn zelfbewustzijn, mogelijk zijn libido of driftleven in verschillende aspecten of gevoelens te ontleden door haar middels denkbeelden in te kaderen. Een voorbeeld.

Mijn kater Frederik zal beslist met zijn klauwen naar me uithalen wanneer ik hem zijn eten ontneem. Zijn reactie is er een van boosheid, maar wordt door hem niet als zodanig herkend. Wij mensen hebben deze specifieke toonaard die de libido aanneemt wanneer zij agressief naar buiten toe uitreikt als ‘boosheid’ bestempeld, omdat we op haar specifieke aard kunnen reflecteren. Aldus kennen we haar een bepaalde toonaard – een gevoel – toe. We kunnen er vervolgens bewust voor kiezen om wel of geen uiting aan onze boosheid te geven. We kunnen begrip tonen voor een specifieke situatie en ons zo onthouden van onze eerste impuls: de instinctmatige aandrang.

Het model geeft op symbolische wijze weer hoe homo sapiens dankzij de gift van cognitie of bewustzijn, in Genesis voorgesteld als de slang met de kennis van goed en kwaad, in staat is om uit de ongedifferentieerde levensenergie gedachten en gevoelens te destilleren. Anders dan dieren, hebben we het vermogen om op onszelf terug te kijken, waardoor de illusoire beleving van een ego of vaststaand Ik ontstaat. Door onszelf van het geheel of de natuur als afzonderlijk Ik uit te sluiten, hebben we het vermogen tot onderscheid of bewustzijn. De mens is in staat zichzelf als subject van andere objecten te onderscheiden. Hij scheidt zodoende alles in delen, elk met een eigen kleuring van het libido – denkbeeldig (gedachte) en emotioneel (gevoel). We scheiden ons innerlijk van de buitenwereld. Vervolgens onderscheiden we in onze binnenwereld talloze gedachten en gevoelens die samen het aanzien geven van een coherente organisatie: een persoonlijkheid of karakterstructuur met een eigen centrum – Ik.

Wanneer we dit proces van karaktervorming op de alchemie betrekken, ontstaat het volgende beeld.

Het alchemistisch hart

Het libido of het ongedifferentieerde driftleven kent nog geen enkele vorm van individualiteit. We hebben haar gemeen met het dierlijke instinct; zij komt voort uit de natuurlijke processen die gericht zijn op het overleven van de soort. Aangedreven door honger, dorst en lust maakt de mens geen individueel onderscheid. We delen haar met de hele soort en betrekken haar in principe op de hele soort. Sekspartners bijvoorbeeld zijn inwisselbaar. Het libido is wat ons aan de natuur, de grofstoffelijke natuur bindt. Zij wordt door alchemisten daarom aangeduid als lood: een zwaar metaal.

Door op zichzelf te reflecteren, en daarmee op de hele natuur, onderscheidt de mens die met de kennis van goed en kwaad begiftigd is (in sprookjes als ‘Sneeuwwitje’ voorgesteld als ‘vergiftigd’!), in zichzelf gedachten en gevoelens – aspecten van de natuur die een eigen kleuring hebben. Aldus cultiveert de mens zijn natuur. Hij onttrekt haar kracht aan het blinde driftleven en geeft haar een eigen gezicht: een persoonlijkheid met een eigen karakter, bestaande uit specifieke voorkeuren, antipathieën, interesses, gerichtheden. In dit stadium van bewustwording vormt de mens uit het grofstoffelijke lood zijn eerste edelmetaal: een eigen karakter. Evenals een diamant, moet een karakter echter geslepen worden wil zij een uniek en schitterend juweel worden. Hoe doet de edelsmid dit? Het antwoord wordt gevonden in het individuatieproces, zoals beschreven door Carl Gustav Jung.

Wordt wie je bent

Jung betoogde dat de mens een spiritueel of geestelijk wezen is die als ziel zijnde deel is van een groter geheel: de natuur die voortkomt uit de nog onbewuste geest. Wanneer geest op zichzelf gaat reflecteren en zich zo van haar oneindige toonaarden bewust wordt, deelt zij zichzelf in steeds meer delen op. Dit zijn de talloze objecten – in werkelijkheid alle (!) bezield – die onze natuurlijke leefwereld vormen.

Genesis plaatst de mens aan het hoofd van de schepping, omdat de mens als enig (onder)deel zich van zichzelf bewust is. De mens heeft hierdoor de macht om boven de natuur uit te stijgen en zijn lot in eigen handen te nemen. Door te voelen en te denken stippelt de mens zijn eigen, natuurlijke koers door het leven uit. Deze is volgens Jung echter altijd ingebed in het geheel. We zijn immers van nature geestelijke wezens, die zichzelf zowel als deel als geheel kennen. Volgens Jung is de individuele bestemming van ieder mens dan ook voorbestemd vanuit een groter, collectief proces. Volgens deze opvatting kunnen wij alleen worden wie we in wezen al zijn.

Waar in de mens ligt deze spirituele kennis, de kennis van je eigen lot en levensbestemming, besloten? Niet in de geslachtsorganen, die door het driftleven worden bestuurd en die blind zijn voor de geestelijke betekenis van het leven. Mensen die uitsluitend hun driften uitleven, beleven zichzelf letterlijk als ‘kuddedieren’: als collectief wezen (natuur) dat zich van zichzelf als individueel wezen (ziel) nog niet bewust is.

We kunnen deze spirituele kennis ook niet vinden in ons brein – ook al zoeken filosofen en grote denkers haar daar wel!

De functie van de hersenen is het omzetten van de ongedifferentieerde libido in afzonderlijke gedachten en gevoelens. Dit proces van omzetting wordt in de bijbel de ‘zondeval’ genoemd, wanneer de mens niet langer genoegen neemt met eten van de boom van de kennis van het leven en, na het eten van de boom van de kennis van goed en kwaad, op zichzelf begint te reflecteren en zichzelf zo van het leven onderscheidt of af-zonde-rt.

De boom van de kennis van het leven symboliseert de levenskracht, het libido, dat zich van zichzelf nog niet bewust is en zodoende zichzelf als geheel zonder individueel aandeel kent. Adam en Eva wilden zichzelf echter persoonlijk leren kennen. Door de ontwikkeling van onze cognitieve of rationele functies – denken en voelen – kregen we zelfbewustzijn en leerden we onszelf als individuen met een eigen verantwoordelijkheid om naar eigen inzicht te leven kennen. Zo kregen we de beschikking over de kennis van goed en kwaad. Deze kennis plaatst ons buiten het paradijs, want in deze fase van zijn evolutie leert de mens zichzelf als deel kennen en verliest hij het contact met geheel – het leven of de natuur. Dat het leven als individu alles behalve paradijselijk aanvoelt mogen duidelijk zien, gezien de huidige staat van onze sterk geïndividualiseerde samenleving. Het leven na de zondeval heeft vaak nog het meeste weg van een eenzame opsluiting in een psychiatrische inrichting.

Het hart als verbindende factor

Met de ontwikkeling van een individuele persoonlijkheid doen ook de talloze persoonlijkheidsstoornissen hun intrede. De mens, aangedreven door een Cartesiaanse krankzinnigheid (‘ik denk dus ik ben’), beleeft zichzelf als geïsoleerd deel die de organiserende kennis van het geheel mist. Hij is een in zonde (‘af-zonde-ring’) vervallen wezen die, door het ontbreken van een bewust contact met de helende geest (het ‘geheel-de’), geteisterd wordt door tal van psychische symptomen van een overijverig ego. We worden geteisterd door depressie, eenzaamheid, angst, paniekstoornissen, psychosen en persoonlijkheidsstoornissen als narcisme, borderline en schizoïde. Wanneer onze afgescheidenheid zo destructief wordt dat wij het leven als deel, ogenschijnlijk afgezonderd van het geheel, niet meer (ver)dragen kunnen, plegen we zelfmoord. Het is een bizarre, maar tevens ultieme daad van zelfbewustzijn: jezelf het leven ontnemen als je jezelf als deel maximaal van het leven onderscheiden hebt!

De remedie op welke psychische kwaal dan ook, kan alleen gezocht worden in een herstel van de verbinding met het geheel. Niet door onszelf als individu weg te cijferen, zoals in een psychose of symbiose het geval is, maar door als deel met het geheel te integreren. Dit doen we in ons hart, de schatkamer van onze spirituele kennis.

In tegenstelling tot de geslachtsorganen (collectief gericht) en het brein (individueel gericht), is het hart niet gericht op uitsluiting, maar insluiting. Via onze geslachtsorganen kennen we onszelf alleen als collectief wezen, door de uitsluiting van het maken van individuele keuzes op basis van gevoel en verstand. Via ons brein kennen we onszelf alleen als individueel wezen, eveneens door een proces van uitsluiting. Ik kan het ene alleen kennen – gevoelsmatig of rationeel – door het andere te ontkennen. In mijn hoofd vind ik iemand sympathiek of niet, is een onderneming verstandig of niet. Cognitie kent alleen tegendelen die elkaar uitsluiten. Denken en voelen brengen daarom uitsluitend kennis van goed of kwaad voort. Gevoelsmatig, noch verstandelijk, kunnen we bevatten dat de (geestelijke) werkelijkheid goed en kwaad, licht en duister, binnen en buiten, klein en groot is. Dergelijke paradoxen kunnen we alleen bevatten in ons hart – het enige orgaan van eenheid.

Het hart: orgaan van eenheid

Zouden wij allemaal vanuit ons hart leven, dan zouden we geen persoonlijkheidsstoornissen of andere psychische problemen kennen. Alle stoornissen in de psyche zijn terug te voeren op verdedigingsmechanismen van het ego.

Het ego dat zich aan de collectieve natuur probeert te ontrekken door de vorming van een eigen bewustzijn, moet keuzes maken, wil zij een Ik vormen. Hierdoor sluit het Ik altijd een deel van ons wezen uit. Het collectief of de geest is noch goedaardig, noch kwaadaardig, maar zij is de synthese van beide. Het Ik kan dit echter niet bevatten, want zonder keuze tussen goed en kwaad bestaat er überhaupt geen Ik! Het Ik werpt zodoende vanuit zijn verstand een verdedigingslinie op. Het Ik laat alleen die inhouden van het voorheen duistere libido tot het bewustzijn doordringen die logisch aansluiten bij de reeds gevormde organisatie. Simpel gezegd, iemand die van zichzelf het beeld heeft van een geestelijke die uitsluitend hogere idealen als liefde en schoonheid nastreeft, zal alle delen van zijn wezen die hiermee in tegenspraak zijn onderdrukken. Hij zal zijn lusten en driften, emoties als wrok, agressie en haat proberen onder de drempel van zijn bewustzijn te houden. Hij is niet in staat te bevatten dat hij zowel de hoogste vorm van geestelijke liefde inhoudt, als ook de meest dierlijke vormen van lust. Door een deel van zijn wezen uit te sluiten, richt hij in feite psychisch een amputatie aan, waardoor zijn persoonlijke ontwikkeling verstoord wordt. Een stoornis is het logische gevolg.

Vanuit de kennis dat wij onderdeel zijn van een groter geheel en wij in principe alles inhouden, leren we onze beide kanten kennen en omarmen. In ons hart houden we van onszelf, ondanks onze duistere kant. In ons hart kunnen we iemand haten én liefhebben. Het hart is hiermee het orgaan dat alle bewustzijnsinhouden, nadat zij eerst door de cognitie in gedachten en gevoelens zijn onderscheiden, integreert.

De eerste aanzet hiertoe kennen we als intuïtie. Zij werd door Jung als vierde en laatste bewustzijnsfunctie benoemd; naast zintuiglijke gewaarwording (drift of libido), denken en voelen. Intuïtie is in feite het samenspel van denken en voelen, waarbij een gevoelswaarde en een denkbeeld met elkaar samenvallen.

Zolang wij nog louter als individuele wezens opereren en we onszelf als deel, maar niet als geïntegreerd geheel kennen, worden we vaak verscheurd door onze gedachten en gevoelens. We voelen het een, maar denken het andere. Gevoelsmatig willen we iets wat we verstandelijk afwijzen en vice versa. Wanneer wij echter vanuit de integrale kennis van het geheel handelen, en we onszelf als deel van een groter geheel kennen, zullen onze beslissingen gevoelsmatig en rationeel coherent zijn. Intuïtie is dan ook de kennis van het geheel, die vaak irrationeel is en buiten de ordening van ruimte en tijd valt. Intuïtief kennen wij een gebeurtenis voordat zij in de toekomst geschiedt. Intuïtief maken we beslissingen die vanuit een verstandelijk perspectief bezien irrationeel zijn, maar die uiteindelijk altijd de juiste blijken te zijn! In zo’n geval zeggen we ook wel dat we ons hart hebben gevolgd…

Ken uzelf

Strikt genomen is intuïtie nog geen functie van het hart. Zij is de brug tussen hoofd en hart. Een intuïtie is een samenspel tussen gedachten en gevoelens die maken dat we ons verstand richten naar wat ons hart ons ingeeft. Dat wat ons hart ons ingeeft is, anders dan een intuïtie, niet langer in woorden te vatten. Zij bestaat uit de onzegbare kennis dat wij zowel het geheel als een deel zijn, dat wij de alpha en de omega zijn.

In ons hart kennen we ons als deel van het geheel. We hebben kennis van het geheel of het leven. Niet doordat we onze individualiteit nog niet kennen, zoals bij dieren het geval is, maar juist doordat we onszelf als deel of individu kennen. Ware zelfkennis is ‘in-dividueel’ in de eigenlijke Latijnse zin van het woord: ‘ondeelbaar’ zijn. We zijn ondeelbaar, dat wil zeggen: tegelijk deel en geheel, golf en oceaan, fysiek en geestelijk. Deze kennis werd door de alchemisten aangeduid als de steen der wijzen. Zij is geen tastbare substantie, maar zij is de ontastbare geestelijke werkelijkheid die achter alle tastbare fenomenen schuilt. De steen der wijzen is de spirituele kennis die zuiver als goud is. Goud is het kostbaarste edelmetaal. Uit goud kan geen enkele substantie meer gedestilleerd worden. Dit, in tegenstelling tot bijvoorbeeld zilver, de stof waarmee alchemisten de intuïtie duidden.

In spirituele kringen werd de steen der wijzen of de kennis dat wij het leven zelf zijn, ook als ‘gnosis’ aangeduid. Dit Griekse woord betekent ‘zelfkennis’, refererend aan het idee dat wij alles – heel het leven – zelf zijn. Deze kennis is altijd in verband gebracht met het hart. Zo spreken gnostici ook wel van de ‘kennis van het hart’. Alchemisten die op zoek gaan naar de steen der wijzen of het levenselixer duidden haar als gemaakt van goud aan. Evenals gesproken wordt van ‘een hart van goud’.

Wanneer we uit het libido het fijnste destillaat gezuiverd hebben – gnosis of het geheim dat we het leven zelf zijn – leven we vanuit een hart van goud. Dat wil zeggen, vanuit de kennis dat alles één is. Dit is liefde. Haar orgaan is het hart: de heilige graal waarin het bloed van Christus – het lijden van de gematerialiseerde geest – in liefde opgevangen wordt.

 

© ♥ Sander Videler, 2012