De weg naar je ware zelf

Nieuws

Hocus pocus orakel pas!

Verhalen

Anderen vermaken zich met Scrabble, Monopoly of ganzenbord. Een spastische neuroot als ik speelt graag een spelletje ‘orakel-hocus-pocus’.

‘Orakel-hocus-pocus’ is de naam die ik heb gegeven aan het niet vertrouwen op God.

‘Surrender to the God within’, schrijft Eva Pierrakos in haar lezingen die samen het ‘Padwerk’ vormen. Maar aan welke godheid moet ik me overgeven? Moet ik luisteren naar het onbewuste? En naar welk deel ervan? Het Freudiaanse deel – mijn onderbewuste, volgepropt met onderdrukte angsten en ervaringen – schreeuwt moord en brand. Het wil niet veranderen. Als het al veranderen moet – door de bocht ga ik niet. Ik geef me niet over, God moet zich maar aanpassen aan de eisen die ik aan het leven stel.

‘Trouwens, God, had ik mijn ‘things-to-do-list’ al aan U doorgegeven? Ik wil eerst een partner voor het leven voordat ik mijn eigen leven leid. En ik start niet eerder met mijn eigen ding voordat ik financiële zekerheid heb. Of deze nu komt in de vorm van een erfenis, het winnende lot of een rijke metgezel, dat maakt me niks uit. Dit mag u zelf kiezen.’

Ik schrijf het leven voor hoe zij moet leven. Het universum moet voor mij zwichten, zegt Id – het meest primitieve deel, mijn reptielenbrein. Na een tijdje blijkt het zo niet te werken. Mijn leven stroomt niet. Ik heb een bordje op mijn voordeur gespijkerd met daarop mijn nieuwe titel: ‘Jungiaans analytisch therapeut’. Geen cliënt belt aan, hoewel ik toch zeer gespecialiseerd ben in het neurotisch denksysteem.

Waarin moet ik veranderen? Mijn Superego roept: ‘Zeg je andere baan op, dan pas kan een nieuw leven geboren worden.’ Maar is dit niet al te zwart-wit? ‘Een borderline-persoonlijkheid’, predikt DSM, de bijbel voor psychiatrie, ‘wordt gekenmerkt door primitief zwart-wit denken. Het is een afweermechanisme dat de psyche beschermt tegen al teveel angst.’

‘Een radicale keuze maakt dat je geen keuze maakt’, orakelt mijn alwijze WC-kalender. Als ik de optie naast mijn huidig leven heel groot maak, maak ik de berg die voor me ligt onbeklimbaar.

‘The divine mind resides within the heart’, schreef eens een goeroe. Mijn liefste goeroe, Joseph Campbell, adviseert: ‘Pave your way to follow your bliss.’

Je hart volgen, het lijkt zo gemakkelijk. Maar hoe doe je dat in een harteloze wereld? Ik kijk om me heen. ‘Niets in deze wereld heeft waarde’, denk ik. ‘Alleen liefde telt’, denk ik er achteraan.

Mijn hart is kwetsbaar, net als dat van de kleine prins. ‘Dit is mijn geheim’, zei de vos in dat mooie, tere boekje. ‘Het is heel eenvoudig: alleen met het hart kun je goed zien. Het wezenlijke is voor de ogen onzichtbaar.’ Ik ben het helemaal met hem eens. Jammer alleen dat mijn ego sluw is als een vos.

Moedeloos ga ik ’s avonds op de bank zitten. Ik weet het niet meer. Er zijn teveel draken die ik moet verslaan wil ik de weg van mijn hart volgen. Daarop pak ik mijn toverdoos – een oude schoenendoos gevuld met tools voor het orakelspel. Het wordt een avondje waarzeggerij. (Anderen gaan een avondje stappen. Mijn ideale avondje uit is een uitstapje naar de berg Olympus om de goden om advies te vragen.)

Ik pak drie satéstokjes, overgebleven van de rijsttafel van gister. Ik gooi ze op tafel en lees hun richting. Ze liggen kriskras door elkaar. Ik kan er geen touw aan vast knopen. Het lijkt wel Chinees. (Maar dat was te verwachten met de I Tjing.)

Ik pak mijn druïdezakje, een bundel met runenstenen. Ik stel een vraag en krijg een antwoord. ‘Yr’, de ommekeer. Het bevalt me niet. Is dit een antwoord op mijn vraag? Of heb ik de vraag niet goed gesteld? Ik formuleer mijn vraag nog duizend keer totdat ik alle runenstenen in mijn hand heb gehad en ik van mijn zoektocht een dwaalweg heb gemaakt. Al aan de voet van de Olympus ben ik het spoor bijster.

Nu ik helemaal van het pad af ben – de psychische nood is tot ver boven de Olympus uit gestegen – ga ik met de kaarten aan de slag. Ik ben altijd huiverig mijn slag naar het lot met de tarot te slaan, niet zeker wetend hoe ik de kaarten moet duiden. Moet ik ‘de gehangene’, de man die op z’n kop hangt, van onderaf of van bovenaf bekijken? (Voor de uitleg maakt het een wereld van verschil.) En wat te doen met de duivel? Moet ik hem recht in de ogen kijken of hem uit de weg gaan?

Ik trek een kaart. ‘Shit, nummer 11! Een labiel getal!’

Dat ‘11’ – mijn geboortegetal – labiel is heb ik niet zelf verzonnen, maar proefondervindelijk kunnen vaststellen. Ik zie het ook in het getal terug. In de elf klemt de ene 1 zich aan de andere 1 vast omdat hij bang is. Daarop klemt de andere 1 zich aan de ene 1 vast omdat hij net zo bang is.

Toch draagt de kaart de naam van ‘Kracht’. Wanneer ik in het begeleidend boekje de uitleg lees valt het kwartje. ‘Kracht komt voort uit overgave’, zegt het boekje. ‘Klem je niet aan het leven vast, maar laat het leven los zodat het zijn gang kan gaan.’

Daarop laat ik heel deze orakel-hocus-pocus los. Ik zet de toverdoos op zolder en zie wel wat er op mij af komt.

 

© Sander Videler, 2011