De weg naar je ware zelf

Nieuws

Kosmogonie volgens Jacob Böhme

Alle artikelen, Mystiek & gnosis

Jacob Böhme (1575-1624) was naast schoenmaker een visionair mysticus in de orde van de giganten.

“In het begin schiep God de hemel en de aarde. De aarde was nog woest en leeg, en duisternis lag over de oervloed, maar Gods geest zweefde over de wateren. God zei: ‘Er moet licht komen, en er was licht. God zag dat het licht goed was, en hij scheidde het licht van de duisternis.”

Dit zijn de eerste woorden van Genesis en ze worden vaak nauwelijks begrepen. De Duitse visionaire mysticus Jakob Böhme begrijpt wel wat hier staat en hij heeft het op het einde van zijn leven samengevat in een model, de zogenaamde ‘filosofische kogel’.

 

 

Dit model bevat de hele kosmogonie van Genesis.

Volgens Böhme kan de schepping begrepen worden aan de hand van de analogie van een kaarsvlam. Rondom de pit van de vlam is het donker (linkerzijde), aan de rechterzijde brandt het licht, zoals de kaarsvlam naar buiten toe licht uitstraalt. De rechterzijde van het model geeft de uitstralende kwaliteit van het goddelijke weer. Dit is het licht dat vanuit de duisternis uitstraalt. Links is de aarde nog woest en leeg; zij verbeeldt de oervloed van de duisternis. Duisternis is niet leeg, net als de kleur zwart bevat zij alle kleuren van het lichtspectrum. De duisternis heeft haar licht nog niet prijs gegeven. Dit betekent dus niet dat zij in potentie geen licht bevat. Integendeel, zij is de oervloed of ongrond waarin alles geboren kan worden, zoals in de baarmoeder na bevruchting nieuw leven wordt geboren.

Böhme geeft in de ‘filosofische kogel’ de lichte en duistere zijde van het goddelijke weer. De duisternis is de leegte of het niets waarin het licht schijnt. Hij vergelijkt deze kant van het goddelijke met het alles verterende vuur. Zoals gezegd, kijk naar een kaarsvlam en je zult begrijpen dat duisternis een aspect van vuur is.

‘Zo boven, zo beneden’. Aangezien de kosmos een hologram is, weerspiegelt het kleinste zich in het grootste (en vice versa). De werking van de ontvlammende kaars wordt tevens belicht in de Big Bang. Meteen na de oerknal is de hitte van de explosie zo gigantisch, dat het licht er niet aan kan ontsnappen. De eerste 380.000 jaar van de Big Bang zijn hierdoor volledig in duisternis gehuld (linkerzijde ‘filosofische kogel’). Pas daarna kon het licht aan de duisternis ontsnappen en werd de kosmos manifest (rechterzijde ‘filosofische kogel’). Oftewel, “God zei: ‘Er moet licht komen, er was licht.’”

De dualiteit van de ziel

Iedereen is bekend met de drie-eenheid Vader, Zoon en Heilige Geest. Helaas zijn dit voor de meesten slechts versteende begrippen, fossielen in de dogmatische Aspergergeest van de kerk. Böhme, die als kettters werd beschouwd, schudt de eeuwenoude stoflaag af van deze begrippen. De Vader is de oervloed of, zoals Böhme zegt, ‘ongrond’ van het Zijn. Het licht dat uiteindelijk aan de nietsheid van de ongrond of duistere leegte van de oervloed ontsnapt is de Heilige Geest: de bezielende lichtkracht of adem Gods die alle bestaansvormen doet verschijnen en leven in blaast. De Zoon wordt in het hart van de schepping geboren. Hier kruisen twee werelden elkaar: de immanifeste wereld van de duisternis, die tegelijk leeg en vol is, en de manifeste kosmos die tot aanzijn komt in het schijnsel van het licht. De immanifeste wereld kennen we als onzichtbare ‘geest’ en wordt verticaal voorgesteld, de hemel beduidend. De manifeste wereld kennen we als zichtbare materie, in al haar grofstoffelijke en fijnstoffelijke gedaanten en wordt horizontaal voorgesteld. De Zoon wordt geboren het samenspel tussen deze twee krachtvelden.

Op de kruising van geest en materie (die in wezen één zijn) treedt een ogenschijnlijke dualiteit op. Immers, vuur (immanent) verteert en heeft een centripetale beweging. Alles wat in haar nabijheid komt wordt door de vuurzee opgeslokt. Licht daarentegen beweegt centrifugaal: zij snelt naar buiten toe om de duisternis van de oervloed of ongrond te verlichten. Zij wil het onzichtbare potentieel van het goddelijke zichtbaar maken en zodoende alle aspecten van leven of zijn tot aanzien brengen. De Zoon is de ziel of godsvonk die op de kruising van deze twee elkaar tegenstrevende bewegingen wordt geboren. Door de naar buiten snellende beweging van het licht zijn wij als zielen aan de eeuwig opslokkende ongrond van het goddelijke onttrokken. Dit creëert een dubbel ‘gevoel’ in de ziel. Aan de ene kant wordt zij naar binnen toe getrokken, de ogen sluitend voor de buitenwereld, waar zij meditatief in de duisternis van zichzelf terug in de volle leegte van de schoot van de ongrond wil (be)rusten. Aan de andere kant wil de ziel naar buiten treden, opgaan in de wereld van de verschijningsvormen om ervaringen op te doen. Toch kan de buitenwereld haar nooit helemaal bevredigen. In de volheid van het dagelijks bestaan verliest zij de volheid van de leegte waardoor zij gevoed wordt uit het oog. Dit leidt onvermijdelijk tot een keerpunt, waarop de ziel zich in zichzelf terugtrekt, totdat de leegte haar teveel wordt en zij opnieuw naar buiten treedt.

We kennen dit verschijnsel als dag en nacht, die wij in onze zegswijze in de verkeerde volgorde plaatsen. Want het is de duisternis van de nacht waaruit het licht van de dag rijst en niet andersom. Daarom staat in Genesis geschreven nadat God het licht, dat hij ‘dag’ noemde, van de duisternis of nacht had gescheiden: “Het werd avond en het werd morgen.” Dit was de eerste scheppingsdag.

Böhme plaatst de Zoon of de ziel in het hart van de kruising van de twee werelden – duisternis en licht. Hij plaatst het lot van de mens in het juiste perspectief door zijn toestand te kenmerken als een kruisiging. Zolang wij het licht niet hebben herleid tot de duistere ongrond in ons Zelf, zullen we ons verscheurd weten tussen twee ogenschijnlijk tegengestelde geaardheden en bewegingen. We zullen onszelf als duisternis versus licht, naar binnen kerend versus naar buiten tredend ervaren. In de mens zijn beide krachtvelden in eerste instantie met elkaar in conflict. Hierdoor bevindt de mens zich eeuwig op de rand van geboren worden. Evenals de Big Bang nog steeds voortduurt, bevindt de ziel zich in een voortdurend streven om aan het gravitatieveld van het zwarte gat in zichzelf te ontsnappen, om zo een kosmos of buitenwereld te kunnen scheppen. Ik kan dit ook in termen van quantumfysica of dieptepsychologie typeren, waarbij het zwarte gat de linkerzijde van het goddelijke is, waarin alle licht – drager van informatie – opgezogen wordt en informatie in de ogenschijnlijke leegte verdwijnt, die we in de dieptepsychologie als ‘dissociatie’ kennen.

Over de ‘filosofische kogel’ van Böhme is nog veel meer te zeggen. Ik ga langzaam afdwalen van het oorspronkelijke gedachtegoed van Böhme om de uiterste consequentie van deze kosmogonie te verkennen.

Oerbegeerte en het lichaam van Christus

Böhme noemt het zelf anders, maar in essentie komt het op hetzelfde neer. Hij duidt dat het goddelijke een oerbegeerte in zich draagt, een tegenstreving die uit de oervloed van de leegte opwelt om naar buiten te treden. Uit dit ‘goddelijk willen’ wordt de wereld van de ogenschijnlijke dualiteit geboren. Het goddelijke en ook de oospronkelijke goddelijke mens kennen de dualiteit in eenheid en ervaren geen scheiding tussen geest (linkerzijde) en lichaam (rechterzijde), met de ziel – het hart in het centrum van het kruis – als bemiddelende synthese. Over de functie van het hart kom ik nog te spreken.

Böhme ervaart in de natuur de openbaring van het goddelijke, waarin de oervloed op wil bloeien in de bloesem van fruitbomen. Aan zijn werken ligt een volledig non-dualistisch wereldbeeld ten grondslag. De beleving van dualiteit, zoals de scheiding tussen geest en lichaam, komt in aanzijn als de mens de oerbegeerte in eigenwil doorvoert.

Ik moet nu eerst Alice Bailey aanhalen, discipel van de theosofie.

Zij onderscheidt in het licht zoals Böhme dit beschrijft zeven stralen of goddelijke uitstralingen. Voor dit betoog beperk ik mij tot en beschrijving van de belangrijkste eerste drie: de goddelijke wil (oerbegeerte), de goddelijke liefde (oerliefde) en de goddelijke wijsheid (oerwijsheid).

De wil hoort toe aan de Vader en vormt in de oorspronkelijke adamische mens zijn eerste, hoogste en zuiverste energielichaam in de aura: Atman. Hier schijnen wij als godsvonk in de duisternis van de oervloed en kennen we geen onderscheid tussen goddelijke en eigenwil. Ons wezen is ten diepste immers een uiting van de wil van God. Hier zijn we de glorieuze manifestatie, de Zoon van de Vader, met wie wij in de hemel zijn. Het feit dat we bidden dat ‘Uw wil op aarde geschiedt zoals in de hemel’ geeft aan dat we in onze huidige manifestatie het bewustzijn van de oerwil in ons verloren hebben.

In het goddelijke, schrijft Böhme, welde de wil tot scheppen op, omdat God in zekere zin begerig werd de eigen aard te leren kennen. Hiervoor had hij een spiegelbeeld nodig, de Zoon, waarin het goddelijke de eigen aard kon spiegelen. Vanuit deze oerwil of oerbegeerte schept het goddelijke de Zoon als beeltenis van de eigen aard: oerliefde. Dit is de adamische mens in Genesis. Merk op dat de mens in Genesis twee keer wordt geschapen! De eerste keer als Adamas of adem van God, de tweede keer als Adam en Eva. Ik kom hier op terug.

De mens is in essentie dus een belichaming van het goddelijke, zijn godsvonk (Atman) ís de opvlammende oerwil of oerbegeerte – de wil tot scheppen. In de goddelijke metafysica is scheppen uitbreiden van de eigen geest of aard en daarmee kan het goddelijke zichzelf alleen als liefde scheppend uitbreiden. Deze aard wordt in ons belichaamd in het tweede oorspronkelijke energetische lichaam van de adamische mens: Buddhi. Dit is onze Boeddhanatuur.

De goddelijke wil straalt uit, wordt als liefde gekend en in wijsheid bewezen.

De oorspronkelijke adamische mens die in de tempel van de zonnegod Apollo woont, zal zichzelf aan de hand van bovenstaande spreuk kennen. In deze tempel van Delphi zetelt de zieneres van de oorspronkelijke ziel op een driepoot. Zij kent de drievoudige aard van de adamische mens als wil, liefde en wijsheid, tot uiting gebracht in het ware, goede en schone. Maar zoals alles in deze wereld een afspiegeling is van het goddelijke, hebben we ook in deze de volgorde omgedraaid. Want, het goddelijke straalt zichzelf welwillend uit in schoonheid, (her)kent zijn liefde in de goede werken, die hun aard te danken hebben aan hun wijs of alintelligent ontwerp. De adamische mens of Zoon kan alleen als God scheppen, zodat zijn oerbegeerte (Atman) alleen van liefde (Buddhi) en wijsheid (Manas) getuigt. Dit laatste energetische lichaam, Manas, vormt het sluitstuk van de paradijsmens: de mens gekruisigd op het snijpunt van duisternis en licht.

In christelijke terminologie wordt de oorspronkelijke, adamische mens – het evenbeeld van God – gekend als Jezus Christus, de zoon van God met het lichaam van Christus. Aan de rechterzijde van de ‘filosofische kogel’ is hij/zij als evenbeeld van het goddelijke geïnspireerd door de Heilige Geest. De ziel beleeft de opbouw van deze lichamen in een ‘onbevlekte ontvangenis’. Of, zoals Alice Bailey zegt, in de mens straalt het oorspronkelijke licht uit de duisternis in drievoud in én uit, verenigd in wil-liefde-wijsheid of Atman-Buddhi-Manas. Het kenorgaan van deze goddelijke kwaliteiten is het symbolisch hart. In de diepst verborgen kamer van ons metafysisch hart brandt de godsvonk.

Zondeval

In de ‘filosofische kogel’ werkt Böhme ook het idee van de zondeval uit.

De rechterzijde – de uitgestraalde oorspronkelijke kosmos – wordt gekenmerkt door haar centrifugale beweging. Licht wil (Atman) zich uitbreiden in liefde (Buddhi) en wijsheid (Manas).

In het wezen van de adamische mens zijn deze drie aspecten verenigd. Dit wordt gesymboliseerd door de boom van het leven in het paradijs. Uiteindelijk echter heeft de oerbegeerte in de mens een punt bereikt waarop zij niet langer op liefde en wijsheid is gericht, maar waarop ze in zichzelf keert en van zichzelf uitgaat. De goddelijke wil verandert in eigenwil, welke zich openbaart in eigenliefde en eigenwijsheid. In de centrifugale beweging van de kosmos ontspringt een centripetale beweging: eigengerichtheid of eigenzoekendheid treedt op. Belangrijk is, stelt Böhme, dat dit gebeurt nadat de adamische mens reeds een dualiteit in eenheid belichaamd: Adam-Eva. Dit gaat niet slechts over het scheiden van de geslachten (welke aan het eind van het Lemurische tijdperk plaats heeft), maar de symboliek reikt dieper. Adam en Eva zijn als het yang en yin van Tao: zij belichamen de polariteit van het oorspronkelijke, uitreikende licht en de ontvangende duisternis van de oervloed. Zolang de adamische mens zich exact op het middelpunt van het snijvlak van beide werelden begeeft is er niets aan de hand. Besef hierbij één ding: het licht (logos) komt voort uit de receptieve duisternis! In de bezinking van de leegte ligt de waarheid besloten. Zodra de uitreikende logoskracht echter het meditatieve midden verlaat en zich op het eigen uitreikende principe gaat verlaten, verlaat de mens het exacte midden. In de bijbel wordt dit beschreven als Eva die Adam beweegt om van de vruchten van de boom van kennis van goed en kwaad te eten. De mens is hier niet meer volledig, 100% ontvankelijk voor de goddelijke wil, hij leeft niet langer in een toestand van absolute ‘gelatenheid’ (‘de eigen wil los latend’), waardoor de scheppingskracht het kwade voortbrengt.

De noodzaak van het kwaad

Wanneer in de centrifugale beweging van het licht een eigengerichte kracht tot stand komt, dan vormt deze een centripetale tegenbeweging in de kosmos. Hierdoor ontstaat wrijving, waarbij de oorzakelijke wil van de eigenzoekende mens een reactie oproept vanuit de goddelijke wil. Deze reactie altijd getuigen van goddelijke liefde en wijsheid, maar doordat zij tegen de eigenwillende mens in gaat, zal deze de door hemzelf tot stand gebrachte gevolgen beleven als (nood)lot. Uit de wrijving tussen eigenliefde en goddelijke liefde is de karmische wet van oorzaak en gevolg tot stand gekomen en dit gebeurde in de split second dat de eerste adamische mens zijn eigen plan trok. Vanaf dat moment is de mens gaan beschikken over twee naturen: zijn oorspronkelijke hoger zelf, gevormd door Atma-Buddhi-Manas (het lichaam van Christus), en zijn lager zelf.

De lagere natuur van de in af-zonde-ring gevallen mens kent noodzakelijkerwijs drie lichamen: tegenpolen van de oorspronkelijke goddelijke wil, liefde en wijsheid. Het zijn ‘tegenlichamen’ die afbreuk trachten te doen aan de oerwil, oerliefde en oerwijsheid. De uit het paradijs verdreven mens stort zich in onbewust zijn en ervaart hiervan alle consequenties, zoals angst, haat, eenzaamheid, ziekte en dood. De lagere natuur wordt zodoende geregeerd door antikrachten, welke echter ingebed zijn in de oneindige en eeuwige goddelijke natuur. De antiwetten getuigen zodoende van goddelijke liefde en wijsheid. Neem bijvoorbeeld de dood, de antiwet bij uitstek. Deze zorgt ervoor dat alles in de gevallen wereld ten einde komt. Dit getuigt van liefde en wijsheid, omdat in een onvolkomen wereld als de onze zo voorkomen wordt dat onvolkomeneheden eeuwig voortbestaan. Aan alle onbewust zijn of kwaad zal zodoende op den duur een einde komen, waardoor de zondeval ongedaan wordt gemaakt.

Böhme wijst overigens op de gelijkenis tussen de duisternis van het kwaad aan de rechterzijde van de lichtwereld en de oorspronkelijke duisternis aan de linkerzijde van de immanifeste goddelijkheid. De oervloed of ongrond getuigde immers ook van duisternis. Dit is de duisternis van het potentieel waaraan het lichtpotentieel nog niet ontsnapt is. Onze duisternis bevat hetzelfde potentieel: het is het nog niet begrepen licht in de mens, welke hem of haar in de duisternis van eigenwil, eigenliefde en eigenwijsheid stort. In feite is ook dit een uiting van de oerbegeerte, waardoor het satanische of God tegenstrevende als een aspect van het goddelijke kan worden begrepen. Hierbij wordt de duivel dus niet buiten God als tegenstandermacht geplaatst, maar deze vormt een tijdelijke uitingsvorm van het licht dat hiermee een diepere bedoeling heeft. Door de duisternis te scheppen, leert de adamische mens op eigen benen staan als goddelijk wezen. In de wereld van goed en kwaad hebben wij elk moment de opdracht een keuze te maken tussen goed en kwaad. Deze keuze kan altijd teruggevoerd worden op een keuze tussen eigenwil of het volledig ontvankelijk zijn voor de liefdevolle wijsheid en wijze liefde van de oerwil. Eigenzoekendheid zal altijd onvermijdelijk weerstand oproepen, waardoor de mens in conflict raakt met zijn eigen opgeroepen tegenmachten. Via de hem bestrijdende innerlijke en uiterlijke tegenmachten, welke hij zelf opgeroepen heeft, wordt hij uiteindelijk teruggevoerd tot zijn kern waar de godsvonk eeuwig brandt.

 

© Sander Videler, 2020 (www.sandervideler.com)