De weg naar je ware zelf

Nieuws

Licht

Alle artikelen, Mystiek & gnosis

Voordat er licht was, was er duisternis. Aldus Genesis: “De aarde was woest en leeg en duisternis lag over de oervloed, maar God’s geest zweefde over de wateren. God zei: ‘Er moet licht komen’, en er was licht.”

Het boek Genesis opent met de schepping van de hemel en de aarde. De eerste goddelijke daad is de schepping van licht. Uit het licht ontvouwt zich de hele schepping, tot aan onze wereld toe.

Natuurlijk wordt hier geen fysiek licht bedoeld, evenmin dat er sprake is van fysieke duisternis of een aarde zoals we deze nu kennen. Wie Genesis metaforisch leest, leest hierin het joods mystieke concept ‘tzimtzum’. Dit door kabbalist Isaac Luria beschreven idee verklaart de schepping als volgt.

Tzimtzum

Kabbalah vergelijkt het goddelijke met een oneindig licht. In deze oneindige ‘geest’ bestaat alleen absolute eenheid. Er is letterlijk geen plaats voor schepping of onderscheiding van werelden. Om dus ‘plaats’ te maken in de eigen geest trekt het goddelijke zich uit een oneindig kleine punt in zijn geest terug. Hier ontstaat een vacuüm, een absolute leegte waarin de goddelijke geest vervolgens een oneindig aantal kosmoi of bestaanswerelden kan scheppen of projecteren. Dit proces wordt in kabbalah ‘tzimtzum’ genoemd en is essentieel om de aard van licht – fysisch en metafysisch – te begrijpen.

Ik weet nog hoe deze kijk op de schepping mij twintig jaar geleden bevrijdde uit een existentiële nood. Ik beschouwde God toen op materialistisch-christelijke wijze als een soort afgescheiden entiteit die ergens in een verre uithoek van het heelal of erbuiten bestaat. Dit idee creëerde angst in mij. Ik dacht dat ik moest bidden om verbinding te maken en dat ik God op de hoogte moest stellen van mijn levenssituatie. Ik had niet in de gaten dat de schepping in de geest van God bestaat en dat dus alles is doordrongen van zijn geest. Er valt geen blad van de boom, zonder dat dit door de alwetende en almachtige alomtegenwoordigheid is gekend. Begrijp dat na de terugtrekking uit een deel van de geest, het goddelijke deze leegte volledig heeft gevuld met licht. Binnen het raamwerk van de leegte worden een oneindig aantal universa geconceptualiseerd, alle vervuld van geest, zodat alles gekend is.

De eerste dag in Genesis beschrijft het verschijnen van het licht, maar nadat tzimtzum of de contractie uit een deel van de geest heeft plaats gevonden. De zo ontstane leegte wordt in Genesis als de ‘duistere oervloed’ aangeduid. Hierover zweeft de geest van God en laat het licht verschijnen.

Wat is licht?

Licht

Woorden als ‘licht’, ‘geest’ en ‘ziel’ worden vaak zonder concrete definitie gebruikt. Dit kan bijna niet anders. Onze eenzijdig rationeel gerichte denkgeest wil concrete definities en aanwijsbare feiten zien. Maar de spirituele bestaansgrond is veel groter en vruchtbaarder dan de logica van de rede kan vatten. Toch moet gepoogd worden begrippen als hierboven te duiden en ik doe dit langs een analoge weg. Via symboliek probeer ik betekenis te geven aan het licht.

Het sterrenbeeld boogschutter wordt met licht geassocieerd. Sterrenbeelden zijn constellaties van kosmische energieën die inwerken op mens en aarde. Licht is energie en energie bevat informatie. We kunnen deze informatie alleen maar lezen als zij gedecodeerd wordt. Door licht te breken, bijvoorbeeld via een kristal, worden de kleuraspecten (informatie) die in licht besloten zitten zichtbaar. In haar zuiverste vorm is licht ‘onleesbaar’, zij wordt alleen als zichzelf gekend. Het fenomeen waarbij we de in licht besloten informatie niet kunnen lezen wordt ‘dissociatie’ genoemd. Dissociatie is onbewust zijn. Ik ga ervan uit dat verreweg de meeste mensen hun leven in duisternis, onbewust zijn, doorbrengen, omdat we niet in staat zijn om alle informatie die in licht besloten ligt te lezen.

Dit is niet alleen zo met natuurlijk licht. De mens is in staat om natuurlijke processen als licht, electriciteit en energie te bestuderen, maar begrijpen doet hij ze nog allerminst. Hetzelfde geldt voor het metafysische licht, waarover in Genesis wordt gesproken. Het betreft de uitreiking van een (goddelijke) intelligentie, de logos, in de duisternis van de leegte. Deze oplichtende intelligentie bevrucht de leegte van de duisternis en doet hierin talloze kosmoi ontstaan. Mystici hebben dit scheppingsproces al talloze malen beschreven, maar alleen als je zelf de inwerking van het metafysisch licht hebt ervaren, kun je werkelijk begrijpen waar het om gaat.

Ontvankelijk voor het licht

Om het licht te ‘zien’, moet je haar kunnen ontvangen. Zoals Plato’s gevangenen in de grot, die zich blind staren op de schaduwen op de wand, moeten we ons naar het licht keren. Hierin ligt één van de belangrijkste spirituele en metafysische wetmatigheden: ‘wil je ontvangen, geef dan alles aan allen’. Licht kent geen onderscheid tussen goed en slecht, zij schijnt onvoorwaardelijk. Maar alleen zij die in staat zijn om onvoorwaardelijk hun licht te laten schijnen, zijn ontvankelijk voor het licht. Omdat de bron van het metafysische licht de eenheid van de goddelijke geest is, kent dit licht in haar werkzaamheid geen onderscheid tussen geven en ontvangen. In het licht zijn geven en ontvangen één. Geven maakt dat je ontvangt en ontvangen maakt dat je (meer) van jouw licht wil geven.

In het boek van Johannes staat beschreven dat het licht in de duisternis schijnt, maar dat de duisternis haar niet heeft begrepen. Als we terugkeren naar het punt voor de schepping – tzimtzum – dan begrijp je de diepere betekenis van de duisternis. Deze is ontstaan nadat het goddelijke zich uit een oneindig klein deel van zichzelf heeft teruggetrokken, om in de leegte van het niet-bestaan werelden te scheppen. En hoewel onze bestaansruimte gevuld is met licht, kunnen wij ook de duisternis nog waarnemen. De schepping is immers nog niet voltooid.

In onze huidige evolutiefase leven we nog in een wereld van dualiteit, waarin licht (bewustzijn) en duisternis (onbewust zijn) naast elkaar bestaan. De huidige mens heeft de vrije wil om te kiezen tussen licht en duisternis. Echter, in zijn meest fundamentele existentie is hij zuiver licht. Toen het goddelijke zijn wezen in de leegte van niet-bestaan uitstraalde en deze met licht vulde, straalde hij ‘zielen’ uit. Wij zijn deze lichtstralen en als zodanig is onze essentie zuiver licht. Maar we bevinden ons in een duaal universum, vol licht en duisternis. Zolang we het licht in onszelf nog niet kennen, is de kans groot dat we ons niet met het licht in de buitenwereld identificeren. Nogmaals, ik doel hier niet op fysiek licht, maar op uitingen van het metafysisch-metaforisch licht als liefde, waarheid en de wil om goedheid te realiseren.

Medeschepper

Door ons licht in de wereld uit te stralen helpen we actief mee in het scheppingsproces. Door voor het licht te kiezen, scheppen we een wereld waarin het ware, goede en schone gerealiseerd worden. Door ons met de duisternis te identificeren remmen we de voortgang van het licht af. In veel traditionele tradities wordt de schepping voorgesteld als een strijd tussen goed en kwaad, God en de duivel. De duivel wordt vaak verkeerd begrepen als een macht die buiten God bestaat, waardoor ook de aard van het goddelijke verkeerd wordt begrepen. Nee, er is geen macht die groter is dan het goddelijke. Dat wat wij ‘duisternis’ of ‘duivels’ noemen is de leegte van het niet-bestaan, ontstaan doordat het goddelijke zich uit een deel van zichzelf heeft teruggetrokken. Hierdoor is er tijdelijk (wat op kosmische schaal een relatief begrip is!) duisternis dat nog niet verlicht is. Maar, de aard van het licht en haar bron is dat zij niet anders kan dan blijven schijnen, waardoor ooit heel het heelal als één grote vlam zal oplichten. Dan is de leegte van het niet-bestaan gevuld met kosmisch bewustzijn en is de punt waaruit God zich terugtrok verdwenen in het niets waaruit ze eens is voortgekomen.

Kwaad: vervorming van het licht

Duisternis bestaat uit twee aspecten: er is de duisternis van de ‘oervloed’, de existentiële leegte als gevolg van tzimtzum. Zij is letterlijk niets, dus zelfs duisternis is geen waar aspect van dit vacuüm. Daarnaast is er de duisternis van het niet begrijpen van de leegte, het niets; de misvatting dat wij niet de lichtstraal zijn die uitgezonden is in de leegte. Wanneer we het licht in onszelf vergeten en onszelf temidden van een ogenschijnlijk nietszeggend, materialistisch universum ervaren, gaan we ons identificeren met de omhulling van het licht. Het fysieke lichaam wordt als het zelf ervaren, terwijl zij een verdichte vorm van licht is. In deze verwarring wordt het licht van ons geestelijk gewaarzijn gedoofd en gaan we onszelf als ‘niets’ ervaren. Hierin ligt de oorsprong van het kwaad: een uitdoven van het licht. Zonder de absolute kennis (waarheid) en eenheid (liefde) van het licht, zijn we nergens. Waarheid wordt vervormd tot leugen en misleiding, liefde wordt tot angst en haat. In de kern zijn we onszelf als een afgescheiden ‘ik’ gaan ervaren, een entiteit die afzonderlijk opereert. We moeten onze eigen weg zoeken door dit immense, ogenschijnlijk van licht verstoken universum. Het kan niet anders dan dat we de weg kwijtraken, wat op den duur een steeds verder verval  in het kwaad tot gevolg heeft.

De grootste misvatting ligt in het geloof dat ons zogenaamde ‘ik’ een kern in zichzelf is. Hoe kan het niets waarin we als licht bestaan een kern hebben? Het vacuüm waarin wij als licht uitstralen is leeg en een identificatie met deze leegte leidt tot niets. Ons zogenaamde ‘ik’ of ego is een donut: een omhulling zonder kern, met in het midden een zwart gat. Alleen wie in staat is door het zwarte gat van zijn ego te verdwijnen zal bij de waarheid uitkomen. Hij gaat zijn wezenlijke kwaliteit als licht beseffen. Het doodgaan in het ‘ik’ leidt tot de realisatie dat wanneer je sterft, je voortleeft. Dit besef doet het bewustzijn in je rijzen dat er voorbij de leegte iets anders, een wezenlijke existentie moet bestaan. Dit is de herinnering van het licht.

 

© Sander Videler, 2020 (www.sandervideler.com)