De weg naar je ware zelf

Nieuws

Principes van de goddelijke metafysica

Alle artikelen, Boeken & films, Downloads, Metafysica, Mystiek & gnosis

BOEKEN - "Goddelijke metafysica is een systeem of techniek waarmee we onze geest, ons lichaam en onze levensomstandigheden kunnen vrijmaken van negativiteit, om ons daarvoor in de plaats te verzekeren van gezondheid, geluk en van een overvloed van al wat we nodig hebben", aldus Murdo MacDonald-Bayne.

In zijn boek ‘Kosmische heelheid’, een bundeling van tien lezingen, stelt Murdo MacDonald-Bayne (1887-1955) dat de geest een universele substantie is die aan alles ten grondslag ligt. Hij wil het Christus-bewustzijn in de mensen wakker maken, het besef dat Christus een universele kracht en intelligentie is die ook in ons zetelt. Die energie van het universele en de energiepatronen in ons beïnvloeden elkaar wederzijds. We kunnen haar gebruiken voor onze innerlijke groei, voor genezing en voor eigen transformatie.

Murdo MacDonald-Bayne studeerde filosofie en theologie. In Tibet kreeg hij onderricht van Geshe Rimpoche. Na zijn verlichting trok hij de wereld in om zieken te genezen en hen die de Waarheid zoeken te onderwijzen.

Hieronder is een samenvatting weergegeven van de principes van de goddelijke metafysica, gebaseerd op het boek ‘Kosmische heelheid: worden wie je bent’.

Onderaan dit artikel kun je een samenvatting van deze principes downloaden.

Inleiding: wat is goddelijke metafysica?

Het gaat erom te worden wie je in wezen bent.

De mens is in wezen goddelijk: ‘Ik en de Vader zijn één’. Om te worden wie wij in wezen zijn, moeten we we weer leren scheppen als God, overeenkomstg zijn wil, dus vanuit waarheid en liefde.

De Rozenkruisers formuleren dit als volgt: “De oorspronkelijke mens als ongeschonden microkosmos absorbeerde goddelijke energieën, transformeerde die, en straalde de getransformeerde energieën weer uit ten bate van de gehele schepping, volgens goddelijke scheppingswetten.”

Goddelijke metafysica is erop gericht te scheppen samen met God, niet vanuit eigenwilligheid zoals de huidige mens doet. De Rozenkruisers schrijven: “De goddelijke mens beschikte, omdat het een goddelijke schepping was, over vrijheid van handelen. Een deel van deze oorspronkelije mensheid experimenteerde met de goddelijke energieën, maar gebruikten deze ten eigen bate. Zonder dat deze energieën zich weer verspreidden.”

Jezus was de grootste ons bekende exponent van de goddelijke metafysica. Zijn leven dient als leidraad. Hij is een zuiver expressiekanaal van de liefde van God. Goddelijke metafysica is erop gericht ons kanaal te zuiveren, zodat we weer liefde uitstralen:

“Als we waarachtige liefde uitdrukken, zijn we niet ongelukkig. Dat is levensvreugde.” (p. 15)

“Als liefde in ons leven en denken de overhand heeft, is de volmaakte uitdrukking gewaarborgd. Dan spelen bezitsdrang, naijever of haat geen rol meer.” (p. 15)

Hieronder staan de vijf principes van goddelijke metafysica beschreven.

Eerste principe: ‘Ik en de Vader zijn één’

De mens is geschapen naar het beeld en de gelijkenis van God. Ons bewustzijn is in de diepste grond het bewustzijn van God. Ons bewustzijn, zegt Murdo MacDonald-Bayne, is het universeel bewustzijn die in ons is geïndividualiseerd.

“Het (ene) bewustzijn is de beweegkracht in elke gedachte, in al wat zich in het hele universum voordoet. Het bewustzijn van God is het middel waardoor elk universum, elke planeet, elke zon in werking treedt.” (p. 11)

“Waar het vóór alles om gaat, is dat we ons één voelen met de universele eeuwige waarheid, dat we voor eens en altijd weten dat we niet afgescheiden zijn van de grootse almacht van het universum, de grootse, machtige universele geest, die de mensen God noemen. Het kan soms lang duren voordat de mens met het idee vertrouwd raakr, dat dit uitsluitend zijn eigen innerlijke kracht is.” (pp. 11-12)

“Het leven bestaat in het universum als eerste oorzaak. Wij zijn dat leven en dat leven heeft bewustzijn en dat bewustzijn is de ‘ik ben’ in ons die gedachten schept. Daarom is dit leven in ons hetzelfde als het oneindige leven, met alleen een gradueel verschil. (…) Daarom zijn we aan God gelijk, hebben we dezelfde scheppende kracht, handelen we op dezelfde manier. Als wij ons deze waarheid eigen maken, handelen wij overeenkomstig het goddelijk plan. Zo niet dan verdwalen wij in de gevolgen van de gedachten die wij zelf scheppen.” (p. 42)

Tweede principe: Liefde is al wat bestaat

God is alles wat bestaat en God is liefde.

Wanneer we ons onze identiteit in God her-inneren, dan worden we de liefde die reeds ons hele wezen vult en vervult gewaar en dan hebben wij geen enkele behoefte. Behoeften drukken een gemis aan iets uit. De mens die zich volledig met zijn ego heeft geïdentificeerd en meent dat hij als ‘ik’ afgescheiden van God bestaat, mist zijn liefde en handelt vanuit egoïstische begeerten of verlangens (actief) en behoeften (passief). Zo iemand schept om te krijgen; zijn scheppingen zijn op zichzelf gericht, zijn egocentrisch van aard. In zijn boek ‘Kosmische heelheid’ staat Murdo MacDonald-Bayne een anders gerichte schepping voor.

“Als de Christus in je verankerd is, is er geen innerlijke armoede, geen gevoel van zwakheid, minderwaardigheid of gemis, geen zweem van leegte, die je niet kunt opvullen.” (p. 97)

Zo lang wij niet vanuit liefde scheppen, zo lang blijven we onze afzondering van God bevestigen en dus de zondeval (val in de illusie van af-zonde-ring), op dagelijkse basis, in elk ogenschijnlijk nietig detail van ons dagelijks leven continueren.

“We moeten ons instellen op de innerlijke Christus en op het voorbeeld van de Christus om onze ware natuur naar buiten te laten komen. Als we dat niet doen, dan is daar die gewaarwording van innerlijke armoede. En die trachten we dan te verbloemen. Dan worden we statuszoekers, klemmen we ons vast aan wereldse zaken en geneugten om uiteindelijk te ontdekken dat de vicieuze cirkel ons nog vaster in zijn greep houdt en er van harmonie van binnen noch van buiten enige sprake is.” (p. 97)

“Als de mens de Christus in zichzelf erkent, stroomt het goddelijk leven door de kern van zijn wezen. Zoals de Vader het leven in zichzelf heeft, zo laat hij ook de zoon het leven in zichzelf hebben. Dan kan de zoon van God zeggen: ‘Ik en de Vader zijn één.’ (Johannes 10:30)

Derde principe: Bewustzijn is scheppingskracht

Ons bewustzijn – onze gedachten, gevoelens, handelingen en de intenties (ideeën) hierachter – is scheppend: “De mens is geschapen naar Gods beeld en gelijkenis, met hetzelfde scheppend vermogen als erfdeel.” (p. 59)

De mens geeft via zijn bewustzijn vorm aan de geest van God: “Je schept een beeld in mentale substantie. Die substantie is de universele substantie, die geen individueel eigendom is. Met ons bewustzijn scheppen we wat we maar willen.

De geest van God fungeert als onpersoonlijke oersubstantie. Zij manifesteert al naar gelang onze overtuigingen:

“De menselijke onderbewuste geest is niets anders dan de geest zelf en die universele geest is een substantie die je precies bezorgt wat je denkt. Hij houdt geen rekening met personen, hij is onpersoonlijk van nature. Als je naar iets verlangt en gelooft dat je het krijgt, krijg je het ook.” (p. 13)

“De geest is passief van nature. Bewustzijn is de leidinggevende factor en de schepper van gedachten. De intelligentie, de actieve factor, veruiterlijkt de gedachte tot in de kleinste bijzonderheden.” (p. 55)

“Gedachte is geest in actie. De grote geest – de universele geest – waarin wij leven, gaan en ons bestaan hebben, is toegerust met hoedanigheden van het oneindige, dat niet anders dan alomvattend kan zijn, niet anders dan alle wijsheid kan bevatten. De geest zal op onze verlangens reageren overeenkomstig ons geloof en doel.” (p. 75)

“De hersenen zijn het orgaan van de individuele geest, die in rechtstreeks contact staat met de universele geest. Jouw individuele geest staat voortdurend in verbinding met de universele geest. Jouw individuele geest leeft in de universele geest. De universele geest leeft in de individuele geest. Ze zijn één geheel, onafscheidelijk met elkaar verbonden. Met ons denkproces scheppen wij vanuit het universele naar het persoonlijke of fysieke vlak toe.” (p. 75)

Wij hebben de volkomen vrije wil om te scheppen wat wij maar willen. Dit lezen we in de bijbel waar God de mens naar beeld en gelijkenis van zichzelf geschapen heeft. Onze vrije wil is een goddelijke eigenschap. Wij kiezen er dus zelf voor om in eenheid met God of tegen Zijn wil in te scheppen. Zo zijn we zelf verantwoordelijk voor alles wat vorm aanneemt in ons leven, de zogenaamd positieve en negatieve aspecten.

Het doel van ‘Kosmische heelheid’ is de menselijke wil in overeenstemming met de goddelijke wil, die in hem woont, te brengen om aldus onze schepping(en) terug te brengen naar hun oorspronkelijke staat, waarin ze een uitdrukking zijn van liefde.

Vierde principe: De aard van het kwaad

Murdo MacDonald-Bayne zegt: “(…) het goede is het enig permanent in het universum. Het goede is geschapen door de oneindig goddelijke geest, het goddelijk principe, dat aan de hele schepping inherent is (…)”

Wij leven in een dialectisch levensveld. Dat wil zeggen: alles komt hier tot aanzijn bij de gratie van haar tegenpool. Wij zien licht doordat de ruimte donker is. Zonder dialectiek of polariteit kan niets vorm aannemen. Vergelijk in dit verband de werking van electriciteit, een werkzaamheid van de geest. Zonder plus- en minpool is er geen spanning, en dus ook geen werkzaamheid. Hoewel geest alomtegenwoordig is, kan zij zich niet manifesteren in een toestand van volkomen eenzijn, waarin er geen spanning is tussen polen.

Het Algoede is niet van deze wereld, zij gaat aan de wereld der manifestaties voorbij. Wel weerspiegelt het goede van deze wereld (dat een relatie heeft met het kwaad, anders kan het niet tot aanzijn komen) de Goede.

Wij hebben het kwaad nodig om het Goede (God) te leren kennen. De Rozenkruisers zeggen: “De mens, geschapen naar God’s beeld en gelijkenis, kan alleen volmaakt worden wanneer hij gevoed wordt door de boom des levens en de boom van de kennis van goed en kwaad totaal doorleefd, begrepen heeft.”

Voor een beter begrip van bovenstaande, Karl von Eckartshausen (1752-1803) werpt een nieuw, helder licht op de betekenis van de zondval:

“Toen uit de chaos (de ongevormde oermaterie) het Paradijsveld geschapen was, was alles vervuld van wijsheid en alle dingen waren door de helderheid van het licht, dat alles doordrong, onsterfelijk. Alleen in het centrum verhief zich een boom, waarin licht en duisternis nog vermengd waren, een boom die de vruchten van de dood droeg, die goed en kwaad tegelijkertijd in zich besloten hield.

Door de geest van de slang werden onze voorouders naar deze boom geleid. “U gelooft dat u volmaakt bent, maar dat bent u niet; immers, u kent alleen het goede. De godheid kent geen goed en kwaad. Zodra u dat kent, zult u aan de godheid gelijk zijn. Zoals u geschapen bent, bent u alleen ontvankelijk voor het licht, maar als u goed en kwaad wilt kennen, moet u zo geschapen zijn, dat goed en kwaad invloed op u kunnen uitoefenen.”

Aldus ontstond de eerste begeerte in de mens buiten God, het eerste verzet van de menselijke wil tegen de goddelijke wil. De menselijke rede, zijn eigen licht, de oorspronkelijke Eva, verleidde Adam, die voordien vast stond in het geloof; hij begon te begeren en viel in slaap. Daar waar tevoren rede en wil, God en mens, mannelijk en vrouwelijk één waren, ontstond nu de eerste scheiding: vuur en licht, sterkte en zwakte splitsten zich op in man en vrouw. Pas na deze innerlijke val was de uiterlijke val mogelijk geworden; zij waren nu zo geschapen dat zij de vruchten van het bederf konden nuttigen.

Opnieuw kwam de slang en sprak: “De structuur van uw wezen is nu weliswaar beter geschikt om gelijk te kunnen zijn aan de godheid wat betreft de kennis van goed en kwaad, maar uw wezen is nog steeds te verheven; u wordt nog steeds gevoed door het licht. Proef eens een gemengde spijs, een spijs waarin licht en duisternis vermengd zijn. Pas dan zult u ervaren wat goed en kwaad is. Daar staat een boom; in deze boom is het fysieke principe van het licht verenigd met de materiële duisternis. Proef van die boom, het nuttigen ervan zal u veranderen in geheel andere wezens.”

Deze boom was een werkelijke boom, de vrucht een werkelijke vrucht, waarin de centrale krachten van de duisternis het principe van het licht overweldigden. Nauwelijks hadden zij zijn vruchten genuttigd, of de vergiftiging deed zich voor. Het organische lichtlichaam van het zuivere lichtprincipe werd verduisterd, de uitgedijde materie trok zich samen en het lichtlichaam werd materieel, deelbaar, sterfelijk.”

Uit: ‘De magische krachten van de natuur’, Karl von Eckartshausen

De zondeval is de identificatie met de inhouden van ons bewustzijn – gedachten, emoties, gevoelens, fysieke gewaarwordingen en het lichaam zelf – waardoor wij vorm hebben gegeven aan het ego en we onze wil als los van die van God zijn gaan zien. Het ego wordt gesymboliseerd door de boom van de kennis van goed en kwaad in de hof van Eden. De oorspronkelijke mens, die zichzelf als één met God kent, kent het leven, gesymboliseerd door de boom des levens.

Vijfde principe: Overgave

‘Niet mijn wil, maar Uw wil geschiede.’

Alleen door onze eigen wil over te geven aan de goddelijke wil, wetende dat ‘de Vader en ik één zijn’, leren wij weer overeenkomstig met de Waarheid in ons scheppen:

“Wie zijn we? ‘Gij zijt het licht der wereld. Een stad die op een berg blijft kan niet verborgen blijven. Ook steekt men geen lamp aan en zet haar onder de korenmaat, maar op de standaard, en zij schijnt voor allen die in het huis zijn. Laat zo uw licht schijnen voor de mensen, opdat zij uw goede werken zien en uw Vader, die in de hemel is, verheerlijken.” (Mattheus 5: 14-16)

 

Download hier de samenvatting: Principes van de goddelijke metafysica

 

© 2019, Sander Videler (www.sandervideler.com)