De weg naar je ware zelf

Nieuws

Reünie Freud & Jung

Alle artikelen, Dieptepsychologie, Freud, Jung

TRANSFORMATIE VAN HET LIBIDO

Sinds mijn pubertijd ben ik gefascineerd door het idee dat ik mijn libido kan transformeren.

Eén van de eerste spirituele boeken die ik las was ‘Inwijding’ van Elisabeth Haich. Hierin beschrijft de, inmiddels overleden Haich, hoe zij in een eerder leven in Egypte door een reeks van inwijdingen ging. Doel hiervan was het sublimeren van de levensenergie, welke zich op de lagere niveaus als levensdrift en libido uit, en op de hogere niveaus als geestkracht en goddelijk eenheidsbewustzijn. Intuïtief begreep ik dat de eenheidservaring die mensen vaak krampachtig, obsessief of gemankeerd in seksualiteit zoeken, in feite een onbewuste expressie is van de drang naar eenheid met God.

Ik keek in die tijd ‘eager’ uit naar een ontmoeting met het goddelijke en ik las het andere beroemde boek dat Haich samen met haar spirituele partner in yoga, Yesudian, heeft geschreven: ‘Seksuele kracht en yoga’. Op de cover staat een man afgebeeld in wit licht die leiding geeft aan zeven witte paarden, symbool voor de getransformeerde zeven chakra’s.

Jaren later doolde ik rond in een seksverslaving. Met veel pijn en moeite heb ik me als een baron Von Münchhausen, aan mijn haren uit het moeras getrokken. Daarna heb ik nog enkele andere paden bewandeld, waaronder de dieptepsychologie geïnspireerd met inzichten uit de mystieke bronnen van kabbalah en de leringen van Rudolf Steiner. Nu – ik ben 43 jaar oud – bevind ik me opnieuw in fase van stagnatie in mijn seksuele ontwikkeling. Ik deel in dit artikel mijn ervaring om belangrijke nieuwe concepten uit de dieptepsychologie en de geesteswetenschappen te illustreren.

Freud versus Jung

Heb nog een beetje geduld en sta me toe om bij een belangrijke gebeurtenis in 1913 stil te staan, als aftrap naar mijn verhaal.

In dat jaar scheidden de wegen van Sigmund Freud en Carl Gustav Jung. Hiermee was het eerste grote schisma in de dieptepsychologie een feit. Voortaan zou er het pad van de biologisch gedetermineerde psychoanalyse van Freud zijn en de spiritueel geïnspireerde analytische psychologie van Jung.

Beide heren hanteerden een radicaal andere visie op de mens.

Voor Freud is de mens een dierlijk organisme (Es of Id), dat via een darwinistische strijd om te overleven zichzelf bekroond heeft met een ik-bewustzijn (Ich of Ego), waarmee het met veel pijn en moeite vat probeert te krijgen op het door libido aangevuurde onderbewuste. Dit laatste kan zo ‘monsterlijk’ vol driften en onderdrukte trauma’s zitten, dat het als een soort Frankenstein de dunne laag van civilisatie bedreigt. Om te voorkomen dat de mens in een weerwolf of een vampier verandert, creëert het Ich een ‘Überich’ (Superego): een narcistische projectie van zichzelf in verheven vorm, daarmee zichzelf conformerend aan een collectieve moraal.

Ik weet dat ik de psychoanalyse nu gruwelijk tekort doe, maar in een notendop is dit waar Freud’s oorspronkelijke denkbeelden voor staan.

Merk op dat Freud spreekt van het ‘onder-bewuste’ en niet, zoals Jung, van een ‘onbewuste’. Voor Freud is de mens bij zijn geboorte een tabula rasa – er is geen ziel of sprake van een reïncarnatieperspectief, zoals in het geval van Jung. Alles waar de mens in zijn ontwikkeling tegenaan loopt in de vorm van pijn, wordt als trauma onder-drukt en geeft zo vorm aan het onder-bewuste. Het egobewustzijn ontwikkelt vervolgens verfijnde strategieën om de pijnlijke traumatische herinneringen onderdrukt te houden via de ‘flight’, ‘fight’ in ‘freeze’. Deze bepalen mede onze persoonlijkheidsontwikkeling en karakterstructuur, welke zich bio-energetisch ook in de lichaamsbouw en fysieke ontwikkeling uitdrukt. Lichaamsgerichte Freudianen als Wilhelm Reich en Alexander Lowen hebben de werking van de psyche in het lichaam uitgewerkt in de zogenoemde ‘bio-energetica’.

De laatste moet niet verward worden met ‘core-energetica’ van John Pierrakos, welke veel meer Jungiaans-spiritueel is georiënteerd. Hierin wordt de energetische uitdrukking van de ziel in het lichaam als uitgangspunt genoemd, geheel in lijn met de visie van Jung, volgens welke de ziel reïncarneert. Dit impliceert dat we niet als tabula rasa geboren worden, maar met een karmisch bepaald pakket, welke je het ‘persoonlijk ombewuste’ zou kunnen noemen. Dieptepsychologen na Jung spreken liever van het ‘gedissocieerd bewustzijn’, hiermee aangevend dat de mens leeft vanuit een laag die weliswaar gedissocieerd (onbewust) is, maar dat deze zielslaag wel vanuit een eigen bewustzijn en intelligentie functioneert. Sterker nog, de ziel, ook het Zelf genoemd, stuurt het ego aan en bepaalt welke onbewuste impulsen er vanuit de laag van het gedissocieerd bewustzijn door de ik-persoonlijkheid (ego) in het bewustzijn geïntegreerd dienen worden. Deze ziel is vervolgens als een druppel in de oceaan ingebed in het kosmisch bewustzijn, een nog dieper gelegen laag, die op haar beurt weer sturing geeft aan het gedissocieerd bewustzijn. Jung noemde dit het ‘collectief onbewuste’. Vanuit de visie van Jung wordt mensontwikkeling dus aangestuurd vanuit de ziel (gedissocieerd bewustzijn) en het goddelijke (kosmisch bewustzijn). Een voorbeeld van de laatste zij archetypische energieën die binnen het collectief onbewuste werkzaam zijn. Bijvoorbeeld in de energetische uitwerkingen (stralingen) van de zodiak of dierenriem, de twaalf energetische constellaties die de mensontwikkeling op aarde, als onderdeel van dit zonnestelsel aansturen. De dierenriemtekens in combinatie met de planeten binnen ons eigen zonnestelsel vormen de belangrijkste archetypen die vanuit het kosmisch bewustzijn (collectief onbewuste) inwerken op het gedissocieerd bewustzijn (persoonlijk onbewuste) en via de intermediërende laag van het onderbewuste (verdrongen, onderdrukte pijnlijke bewustzijnsinhouden) invloed uitoefenen op het ik-bewustzijn of ego.

Causaal versus finaal

Er is een prachtige wijze om het verschil in zienswijzen tussen Freud en Jung samen te vatten. Doordat Freud uitgaat van een biologisch mensbeeld waarin de mens in darwinistische lijn evolueert, is zijn psychologie causaal georiënteerd. Stoornissen in de psyche zijn het gevolg van onderdrukte bewustzijnsinhouden die in de vorm van complexen vanuit het onderbewuste hun invloed uitoefenen op de mens. Een psychische toestand kan dus altijd causaal herleid worden tot een eerdere oorzaak, bijvoorbeeld een onderdrukt trauma uit de kindertijd, waar iemand later dan last van heeft in de vorm van een minderwaardigheidscomplex. Het verleden speelt bij Freud zodoende een belangrijke rol en psychoanalyse is erop gestoeld om het verleden bewust te maken en via regressies naar traumatische situaties de psyche te ontlasten. Dit wordt ‘catharsis’ genoemd, waarbij het onderbewuste Es als het ware gereinigd wordt en de vrijgekomen inhouden in het ik-bewustzijn geïntegreerd worden, waardoor het ego groeit in bewustzijn en daarmee draagkracht en psychische gezondheid.

Jung ontkent het verleden niet: hij is het eens met Freud dat – ‘first things first’ – de trauma’s uit het verleden, opgeslagen in het onderbewuste, verwerkt moeten worden (causale lijn). Maar, nadat de onderbewuste laag doorgewerkt is, stuit de Jungiaanse psychologie op een nieuwe, dieper gelegen laag – het gedissocieerd bewustzijn, waarin onbewuste inhouden liggen opgeslagen die nooit bewust (en verdrongen) zijn geweest. Deze laag kan dus ook niet via regressietherapie naar de oppervlakte worden gebracht! Hierin ligt de rijkdom van de Jungiaanse visie, die niet alle psychische stoornissen automatisch koppelt aan verleden, verdrongen gebeurtenissen, maar ervan uitgaat dat de ziel een deel onbewuste bagage meeneemt, welke uitgepakt moet worden om tot psychische heelwording te komen. Hierin is een finaliteit werkzaam, waarbij ziel en kosmos via het kosmisch en gedissocieerd bewustzijn ‘toewerken’ naar een bewustwordingsproces die het ongerealiseerde potentieel van mensen wil realiseren. Het doel (finale) is ‘te worden wie je in wezen bent’. Vanuit dit kader worden ook situaties in het leven geroepen (vanuit de arrangerende werking van ziel en kosmos) die als doel hebben de mens in de juiste richting te stuwen, ook als dit gepaard gaat met lijden en het overkomen van obstakels. In de Jungiaanse psychologie is er zodoende veel aandacht voor zingeving, waarbij het ‘waartoe’ van levenservaringen inzichtelijk wordt gemaakt. Het doel is het ego te leren luisteren naar de boodschappen van de ziel, zodat ego en Zelf dichter naar elkaar toe kunnen groeien, teneinde te fuseren in het zogenoemde ‘heilig huwelijk’, waarin tegenstellingen als causaal-finaal, licht-duister, mannelijk (animus)-vrouwelijk (anima) verenigd worden.

Het is jammer dat Freud en Jung in 1913 in conflict uit elkaar gingen, omdat hiermee ook een breuk is gekomen in de dieptepsychologie. De zogenoemde ‘Freudianen’ (en hun nazaten) hebben zich eenzijdig gefixeerd op een biologisch mensbeeld, waarmee de psychoanalyse vaak als een beklemmend, misvormd korset is geworden. Het herleiden van alle stoornissen in de psyche tot het verleden creëert een dogmatische tunnelvisie, waarbij heel wat cliënten door hun ‘genezers’ in een verkeerde richting geduwd worden, welke niet tot groei leidt. Jungianen (en hun nazaten) beschikken over een ruimer speelveld, waarin de groei van het bewustzijn langs verschillende kanten – verleden en toekomst, causaal en finaal – wordt gestimuleerd.

Causaal en finaal, verleden en toekomst, komen samen in het heden, waarin de psyche aan innerlijke en uiterlijke krachtvelden is blootgesteld die vanuit de ver-leden castratie en het toe-komstig ontwikkelingspotentieel werkzaam zijn. Zolang het verleden niet uitgezuiverd is, kan het toekomstig potentieel niet omarmd worden. Zolang we met de rug tegen de muur van ons verleden staan, staan we met de rug naar ons ware Zelf dat niet gerealiseerd kan worden. Het onverwerkte verleden heeft anderzijds de onbeleefde toekomst nodig om geheeld te worden.

Sabina Spielrein

Je hebt misschien wel eens van Sabina Spielrein gehoord, een patiënt van Jung met wie hij ook een romantisch-seksuele relatie heeft gehad. Deze relatie is het onderwerp van David Cronenberg’s film ‘A dangerous method’. Spielrein leed aan een vorm van schizofrenie, welke waarschijnlijk samenhing met een extreme onderdrukking van seksualiteit. Dit was in de laat-Victoriaanse tijd waaruit Freud en Jung voortkomen een veel voorkomend probleem. De neurotische insnoering van de vrouwelijke seksualiteit en gevoelsleven, leidde tot hysterische uitbarstingen (tegenwoordig spreken we van psychosen). Met name Freud heeft in zijn praktijk in het Victoriaanse Wenen veel van dergelijke vrouwen behandeld. Of hij ze geheeld heeft is maar zeer de vraag, want Freud zelf was het levend voorbeeld van de neurotische onderdrukking van seksualiteit, waardoor hij paradoxaal in de ban raakte van het driftleven. De vergissing van Freud is dat hij zich vanuit zijn eigen complexen zich gefixeerd heeft op de invloed van seksualiteit op de psychische ontwikkeling. De laatste heeft hij hiermee vernauwd tot een door het libido aangestuurde evolutie, welke hij heeft omkaderd met tal van, soms bizar overkomende concepten als castratieangst en penisnijd. Freud zelf was nogal ‘anaal’ ingesteld en bleef zodoende autistisch-contextblind, pervasief doorgaan in de eenzijdige richting waarin het libido tot centrale factor van de psyche werd gemaakt. Dit is de handicap van de psychoanalyse. Ik waarschuw er echter voor om het kind niet met het badwater weg te gooien, want anderzijds blinkt de psychoanalyse uit in het verklaren van seksueel-psychische stoornissen. Wie wil afdalen in de duistere krochten van de psychoseksuele hades neemt het best een psychoanalyticus als gids. Freud & Co. weten het best hoe de Styx van de seksuele psychopathologie over te steken.

Maar met Sabina Spielrein wist Freud zich geen raad. Zij kon niet gereduceerd worden tot een castrerende vagina dentata die mannen in haar hysterie verslond. Zij stond tussen Freud en Jung in en was het levend bewijs voor beide heren dat de ‘anima’, het hele veld van het vrouwelijk (voorbij de gender-verkokerde visie), in alle aspecten onderzocht en gerespecteerd moet worden. Word zij verwaarloosd of gereduceerd tot een sexobject, dan verandert de anima van de yinn, conplementaire pool van het mannelijke yang, in diens ‘vijand’. Spielrein vormde in zekere zin een afspiegeling van de verwaarloosde anima in Freud en Jung, die smeekte om gerespecteerd te worden – je moet er als man of als vrouw een relatie mee aangaan, om te helen. In Spielrein kwam Jung zij eigen ziel, anima, tegen en, in tegenstelling tot Freud die nooit van zijn patriarchale troon is af gekomen, ging Jung een relatie met deze bezielde vrouw, en daarmee zijn eigen bezielende vrouwelijk, aan.

Doordat Jung de ziel als een geestelijke werkelijkheid omarmde, is hij niet in de funeste descartiaanse valstrik gelopen die de geest tot het lichaam reduceert – ‘ik denk, dus ik ben’ – en zo lichaam en geest van elkaar scheidt. De wilde seksuele fantasieën van Spielrein zag Jung niet slechts als ‘ziekelijke’ uitingen van een neurotische onderdrukking. Hij las in Spielrein’s psyche tevens een afspiegeling van zijn eigen ziel. Helaas heeft Spielrein haar historische rol nooit helemaal tot een hoofdrol kunnen volvoeren. Spielrein kwam op vele wijzen tussen verschillende werelden te staan: tussen de wereld van de ziel van Jung en de wereld van het ego van Freud, maar ook tussen het traditionele gezinsleven van Emma en Carl Jung en hun gezin en de passionele verlangens van de vrijgevochten Sabina en haar gevoelens voor Carl Gustav.

Spielrein heeft haar rol op het toneel van de dieptepsychologie verwoord in haar manifest ‘Destruction as cause of coming into being’, waarin ze het doodsinstinct opvoert als actor in zelfontwikkeling. Freud heeft dit verder uitgewerkt in zijn concept van ‘thanathos’, het doodsincstinct dat een ‘danse macabre’ uitvoert met ‘eros’, de levenslust. Waar de Griekse godheid Eros de liefde voor de schepping symboliseert, staat Thanathos voor zelfvernietiging. Alleen door onszelf te vernietigen, kunnen we tot slot stoppen met onszelf af te wijzen. Pas als we in ons eigen psychisch Auschwitz zijn beland, en we stikken in de waanzin en lijden van onze eigen mentale matrix, zijn we in staat ons om te keren naar het licht. Dan pas kunnen we de liefdevolle hand vastpakken en het vergevingsvolle gezicht van het ware, goddelijke Zelf onder ogen komt, die ons door de poort uit de hel leidt. Boven die poort staat geschreven:

‘Liebe macht Frei.’

Destruction as cause of coming into being

Ik heb Sabina Spielrein opgevoerd als een interludium, een opstap naar mijn eigen verhaal. Dit laatste deel ik, omdat het de praxis is waarop ik in de rest van dit artikel de theorie fundeer.

Libido speelt een gevaarlijk spel met mensen. Freud heeft de definitie van libido vernauwt tot seksuele drift. Maar binnen de geesteswetenschappen wordt libido beschouwd als levensenergie die op de lagere trappen van bewustwording als seksuele drift worden beleefd, tot aan de hoogste trappen van bewustzijn, waar zij zich als goddelijk bewustzijn Zelf openbaart. Dit is waar een boek als ‘Seksuele kracht en yoga’ van Haich over gaat.

Maar Haich begaat, zoals veel mystici, de vergissing dat zij de lagere trappen van openbaring – waar zij zelf ver aan voorbij was – overslaat. Of, laat ik voor mezelf spreken: ík beging die vergissing. Inmiddels ben ik 43 jaar en deze vergissing is me duur komen te staan. Ik kijk terug op dertig lange jaren van seksuele ‘duisternis’. Daar waar ik niet terecht wilde komen, in de verstrikkingen van perversiteit, ben ik stil blijven staan. Ik draag doorns in mijn ziel en ik schaam me ervoor.

Op jonge leeftijd had ik reeds seksuele ervaringen met jongens en ik bezag mezelf als homoseksueel. Liefde heb ik in homoseksualiteit nooit gevonden; verliefdheden spatten als zeepbellen uit elkaar. Thanathos of de drang tot zelfvernietiging heeft zich diep in mijn homoseksualiteit genesteld. Ik heb ervaren hoe de seksuele vereniging met je eigen pool (yang-yang) kan ontaarden in brandende lust die nauwelijks te blussen is. Huidige social media verergeren deze vurige drang tot ‘instant gratification’. Net als Dorian Gray ben ik verliefd op mijn eigen spiegelbeeld: in mannen projecteer ik een narcistisch ideaal dat de schoonheid van de vrouwelijke tegenpool buitensluit. De gangbare, dieptepsychologische ‘narrative’ in homoseksuele kringen kan ik maar zeer ten delen onderschrijven. Volgens deze draagt elke man natuurlijk ook een yin-pool (anima) in zich, evenals elke vrouw een yang-pool (animus) in zich draagt. Dit zorgt ervoor dat ook binnen een homoseksuele relatie yin en yang met elkaar verenigd (kunnen) worden. Dit is ten delen waar.

In veel homoseksuele mannen ben ik een hysterische vrouw tegengekomen. Compensatorisch gaan zij op zoek naar ‘sterke’ mannen: yang wordt tot ideaal verheven. Een strak en sterk lichaam, een erecte penis worden tot symbool van een fallische kracht die hun hysterische aard tot bedaren kan brengen. Evenals in een deel van heteroseksuele relaties, is dit waar voor een deel van de mannelijke homoseksuele relaties. In mijn geval is de hysterie nooit getemd van buitenaf. Zolang ik het mannelijk ideaal dat ik buiten mezelf zoek, niet in mezelf vind, kan de feeks niet getemd wordt en blijf ik ronddolen in een eindeloze zoektocht naar een, ten diepste heteroseksueel mannelijk ideaal (wat an sich een ‘mission impossible’ is). De hysterische anima in een deel van de homoseksuele mannen is bovendien wars van vrouwen: vrouwen castreren je. Net als ik, beleven zij de vagina als een ‘vagina dentata’, een freudiaans begrip dat doelt op de vagina met tanden. Het levensbarende principe (eros) is hier geworden tot een symbool van thanathos, en niet zelden wordt dit eveneens beleefd in de moeder-kind relatie. In mijn geval: ik kon niet met en niet zonder mijn moeder. Ik heb haar intens lief (zij is in 2016 overleden), maar in mijn jeugd haatte ik haar eveneens. Dit laatste was voornamelijk gestoeld op projectie, op overdracht en tegenoverdracht, waarin zij en ik beiden worstelden met een verstikt gevoelsleven. In haar overdracht van moederdelijke energieën beleefde ik dit verstikkingsprincipe, waardoor ik me van haar en van vrouwen ben gaan afkeren. Hiermee verstikte ik ook een deel van mijn eigen gevoelsleven: ik kon niet meer open staan voor een intieme relatie met een vrouw en heb sindsdien in de seksualiteit met mannen vooral een groot gemis ervaren. Dit gemis is zich in de loop van de tijd gaan uiten als een grote psychische wond, die smeekt om geheeld te worden, maar die in de jacht naar hetzelfde (homoseksuele ervaringen) juist groter wordt.

In het overschrijden van morele grenzen, heb ik mijn zelfbeeld aangetast. Dit heeft zich eveneens geënt op een hiaat in mijn godservaring. In mij zit nog steeds een diepe angst om veroordeeld te worden door het goddelijke.

Ik ben niet bang om te sterven: je kunt je leven niet verliezen, de ziel leeft eeuwig voort. Maar ik ben wel bang voor de weerspiegelingen in het hiernamaals, waarin je na het aardse leven afgelegd te hebben, eerst de opgebouwde indrukken in je astrale lichaam beleeft. Aangezien er, net als op aarde, geen buitenwereld bestaat – de buitenwereld is de binnenkant van onze binnenwereld van buitenaf bezien – kom je in het hiernamaals in de binnenwereld van je eigen astrale wereld terecht.

In het Tibetaans boeddhisme kennen ze het rijk van de hongerige geesten: de astrale projecties die nooit genoeg hebben, omdat het ego de eigen ziel niet in bezit heeft genomen. Dante schrijft over het vagevuur en het inforno van de negen hellen. Het is een ziekte van deze tijd om dergelijke concepten af te doen als middeleeuwse bangmakerij van de kerk. Het zijn astrale werkelijkheden, waarin de ziel de eigen binnenkant ervaart en door lijden zichzelf zuivert.

Het voorgaande deel van mijn persoonlijk verhaal is door middel van Freudiaanse psychoanalyse op te lossen. Het vraagt om een radicale catharsis van het verleden, een herculiaanse reiniging van de Augiasstallen, die uitmondt in een schoon gewassen Es of Id, waarin ik als seksuele man in staat ben om vanuit een bewuster Ego uit te reiken naar een man of een vrouw. Voorwaarde is wel dat Freud in mij het werk afmaakt en afrekent met mijn veel te streng veroordelende en godsvrezende Überich, waarin mijn schuldcomplex zich als een steeds uitdijend kankergezwel heeft genesteld.

Tot zover mijn freudiaanse ontboezemingen.

Pilgrim

Mijn vader is in 2014 overleden. Onmiddellijk na zijn dood verscheen hij in mijn droomwereld. Nachtenlang declameerde hij de volgende zinnen:

“Je denkt dat je weet wat je bent. En je bent wat je weet. Maar je bent het niet.”

In mijn droom verscheen hij met een olijk gezicht, deze zinnen zeggend, met in zijn mond een dikke klapsigaar, die ook daadwerkelijk uit elkaar knalde. Dit was zijn freudiaanse humor waarmee hij afrekende met mijn voorliefde voor de fallus. In latere dromen liet hij me steeds meer ervaren hoe een niet goed doorlopen orale fase – hechting met moeder (vrouwelijk) – geleid had tot een werkelijke dissociatieve stoornis, waarin ik mezelf als homoseksueel was gaan ervaren, terwijl mijn zielennatuur eigenlijk heteroseksueel is. Ik ben dus het tegendeel geworden van wie ik in wezen ben, wat ook een verklaring bood voor mijn aanhoudende psychosen en andere psychiatrische uitwassen. Ik was gaan leven vanuit een homoseksueel alter ego dat ik als mijn ego en ziel beschouwde – een ‘kardinale vergissing’, aldus mijn Überich.

De laatste jaren heb ik met het beste wat de Jungiaanse psychologie te bieden heeft mijn wordingsproces doorgezet. Jung is zijn lange, rijke loopbaan begonnen als psychiater en is geëindigd als alchemist en mysticus. Om te worden wie ik in wezen ben, heb ik de Jungiaanse therapie verrijkt met kabbalistische en andere mystieke praxis.

Maar het proces bleek taaier en complexer dan ik dacht. Ik voel me als Pilgrim.

‘Pilgrim’ is een op Jung geïnspireerde roman van Timothy Findley. Pilgrim is een man die niet kan sterven. Hij heeft vele levens geleid, maar komt niet tot een lysis van zijn levensthema’s. Als dolende ziel gaat Pilgrim tot slot bij Jung in analyse.

Hoe het komt dat mijn psyche nog niet tot een mandala is geworden, maar als een doolhof is waarin de Minotaurus woont leg ik verderop uit. Ik pak nu eerst de draad van Ariadne op en leid u, lezer, uit het labyrint van mijn persoonlijke ontboezemingen terug naar de theorie. Ik ga een complexiteit ontvouwen waarin inzichten uit de Freudiaanse en Jungiaanse dieptepsychologie gepaard worden met inzichten uit de kabbalah en andere geesteswetenschappen, waaronder Rudolf Steiner.

A dangerous method

Voor het welslagen van een hevig individuatieproces als in mijn geval, zijn een aantal randvoorwaarden noodzakelijk.

Ten eerste moet als een koorddanser tussen causaliteit en finaliteit leren balanseren. Boodschappen uit diepere zielenlagen (gedissocieerd en kosmisch bewustzijn) zijn finaal van aard en nodigen uit tot het verwezenlijken van ongerealiseerd potentieel. In mijn geval: heteroseksualiteit, waarin ik een andere, nieuwe verhouding tot het vrouwelijk (anima) in binnen- en buitenwereld vind.

In eerste instantie streefde ik dit doel met nietzschiaanse wilskracht na. Ik waande me als de koorddanser uit ‘Aldus sprak Zarathustra’, die op weg is de utopische Übermensch te realiseren. Maar de zwaartekracht van causale wetten bleek te sterk. Ik heb mijn homoseksualiteit teveel onderdrukt, waardoor compensatorische, freudiaanse mechanismen gaan spelen. ‘What you resist persists’. Door mijn libido te onderdrukken, laait het slangenvuur des te sterker op. Vergeet niet dat libido levenskracht is die, zelfs tot in de dood, zich zal doen laten gelden. Wanneer een bepaalde manifestatie van bewustzijn te zeer wordt onderdrukt, zal dit specifieke bewustzijnsdeel op destructief gerechtigde wijze haar bestaansrecht claimen. ‘Destructief gerechtigd’ wil zeggen dat dit aspect desnoods via thanathos bestaansrecht zal eisen. Je hoeft maar naar de vele gewelddadige conflicten te kijken om de agressieve werking van dit mechanisme op microkosmisch niveau te begrijpen.

Behalve leren balanceren tussen causaliteit en finaliteit, moet een koorddanser de gouden van Orpheus kennen en toepassen. Deze luidt: ‘kijk niet om!’ Wanneer Orpheus zijn geliefde Eurydice uit de onderwereld komt redden, stelden het koningspaar Hades en Persephone één voorwaarde: Orpheus mocht onder geen voorwaarde omkijken zolang zij het zonlicht nog niet hadden bereikt. Maar Orpheus vertrouwt de goddelijk gemandateerde ontwikkelingsgang niet en kijkt op een gegeven moment of Eurydice hem wel volgt. Dat doet zij, maar als bestraffing mag Orpheus haar niet uit de onderwereld bevrijden. Overigens, in de Germaanse Lohengrin mythe speelt hetzelfde thema van beproeving en vertrouwen.

Nadat ik onder begeleiding van een mentor aanvankelijk vol overgave aan mijn reis uit de onderwereld was begonnen, ben ik gaandeweg zeer gaan twijfelen.

Dit brengt me op het laatste punt, een essentiële factor in het welslagen van elk inidviduatieproces. Er moet in zekere zin sprake van een religieuze functie. Het is intellectueel makkelijk te zeggen: ‘Niet mijn wil, maar Uw wil geschiedde.’ Maar toen geduld, doorzettingsvermogen en vertrouwen bij mij op de proef werden gesteld, bleek ik niet over een functioneel godsbeeld of voldoende doorleefde, authentieke spirituele praxis te beschikken.

Zo ben ik gaandeweg uit evenwicht geraakt. Ik ben mijn balans tussen finaliteit (‘worden wie je bedoelt bent te zijn’) en causaliteit (de persoon die ik was) kwijt geraakt. Ik ben gaan twijfelen, heb omgekeken en ben zodoende, net als de koorddanser van Nietzsche, van het koord te pletter gevallen op het marktplein. Tot slot bleek ik weliswaar nietzschiaans overtuigd te zijn van het idee ‘God is dood’, maar ik beschik hiervoor in de plaats nog niet over een nieuwe, authentieke godservaring. De priester Es in mij, met zijn onderdrukte seksuele natuur en overspelig Überich heeft zijn collectieve, exoterische godsbeelden als oude schoenen weliswaar weggegooid, maar Ich heb nog geen nieuwe schoenen gevonden die me passen.

Aldus is het lot van Oedipus.

Oedipus en de val van Troje

Freud heeft Oedipus niet begrepen, evenmin als Jung Nietzsche’s ‘Aldus sprak Zarathustra’ heeft verstaan.

Freud was een meester is psychologismen en reduceerde de betekenis van de mythe van Oedipus tot het oedipuscomplex. In werkelijkheid verhaalt de mythe over de teloorgang van de Egyptische gnosis op de breuk naar de Griekse tijd. Thebe was een koninkijk in Egypte en de Sfinx, die Oedipus laat passeren, is toch bij uitstek een Egyptisch symbool. In de mythe stort de Sfinx, symbool van wijsheid, in de afgrond. Oedipus doodt zijn vader (yang), de ‘oude wijsheid’ en trouwt, blind voor wijsheid, met zijn moeder (yin).

Nog weer later vinden we hetzelfde motief terug in de Ilias, waar Troje, verwoest wordt. Op dit punt in 1250 v. Chr. wordt zelfs de Griekse gnosis gebrandschat als Troje met een list wordt ingenomen. Aanleiding voor de Trojaanse oorlog was de bruiloft van Peleus en Thetis, waar als enige godheid Eris, godin van de tweedracht, niet was uitgenodigd. Uit woede gooide zij een gouden appel, de beroemde ‘twistappel’, in de menigte, met het opschrift: ‘Voor de mooiste’, Tweedracht breekt uit en Athena, Hera en Afrodite maken allen aanspraak op deze titel, niet beseffend dat schoonheid (Afrodite) alleen schoon is, wanneer zij ook waar (Athena) en goed (Hera) is. Uiteindelijk moet een sterveling, Paris, zoon van de Trojaanse koning, beslissen wie de mooiste is en hij kiest voor Afrodite. Deze handelt zonder het ware en het goede in het vizier te houden en beloont Paris met een vrouw, Helena, vrouw van de Spartaanse koning. Als Paris zijn vrouw afneemt breekt de pleuris uit. Na een lange strijd zal Troje, het laatste bastion van gnosis, door een list teloor gaan.

Ik haal beide mythen aan, omdat zij illustreren hoe groot de ondergang van gnosis is sinds het voorbij gaan van de Egyptische en Griekse tijd. Om op de collectieve en individuele complexiteit anno 2020, waarvan mijn proces een voorbeeld is, een antwoord te vinden, is een gigantische upgrade nodig. De strekking van deze upgrade is door Freud onbewust verwoord in zijn door Lacan omarmde mantra:

Wo Es war, Soll Ich werden

Freud en Jung deelden de opvatting dat het onbewuste als een onmetelijke oceaan is waarop het bewustzijn als een eiland veroverd moet worden. Zoals gezegd, verschillen beiden in hun opvatting over de inhoud en aard van het onbewuste. Voor Jung is het onbewuste ten diepste het goddelijke in onszelf dat we nog niet kennen. Homo sapiens sapiens is spiritueel gezien een Neanderthaler – we hebben de geestelijke zintuigen niet ontwikkeld om ziel en geest in onszelf te kunnen onderscheiden.

Jung heeft zijn leven gewijd aan het ontwikkelen van geestelijke zintuigen. Hij deed dit op een ‘westerse’ manier, geaard in de materialistische cultuur die als een dikke deken over het Avondland ligt en haar inwoners slapend houden. Onder andere alchemie, zoals deze in de Middeleeuwen is ontstaan, vormde voor Jung een spirituele praxis die appeleerde aan zijn hoog ontwikkeld intellect en zijn intellectus purus: de van mystiek doortrokken gedachtenwereld.

Freud kende deze mystieke drive niet. Zijn studieterrein vormde de onbewuste driftwereld die de denkgeest van mensen op hol doet slaan via niet in toom te houden driften, emoties, fixaties, obsessies, wanen en andere verstandverbijsterende preoccupaties. Het Es of Id moest uit de kerkers van de denkgeest bevrijd worden en gefuseerd worden met het Ich: ‘Wo Es war, soll Ich werden.’ Merk op dat het duitse woord ‘soll’ de zon (sol) als ideaal in zich draagt. Rede en gevoelswereld willen door Freud verlicht worden; psychoanalyse wortelt in het verlichtingsideaal.

Freud en Jung ontmoeten elkaar in het ideaal van een ego (Ich) dat als een continent in de oceaan van het on(der)bewuste (Es). Een continent is een zo’n grote landmassa dat het een eigen landklimaat heeft. Je moet een sterk ego of ik-bewustzijn ontwikkelen dat bestand is tegen het zeeklimaat van het on(der)bewuste, anders kan er van een bewust geleid individuatieproces geen sprake zijn.

Sinds de Grieks-Romeinse tijd beschikt de mens over een sterk ego. Romulus en Remus, de stichters van Rome, werden gezoogd door een wolvin. Uit de dierlijke natuur heeft zich tijdens de Grieks-Romeinse tijd een sterk ik ontwikkeld.

Voor de Grieks-Romeinse tijd, ten tijden van het oude Egypte, Babylonië, Perzië, India en andere grote beschavingen, bezat de mens een hoog ontwikkeld bewustzijn: hoger dan ons huidige, materialistisch-concreet, verstandelijk zelfbewustzijn dat vrijwel alleen op eigenbelang is gericht. De grote Egyptische farao’s, de Perzische Zarathustra en de Indische rishi’s kenden een veel hoger bewustzijn, dat zichzelf nog als één wist met het kosmisch bewustzijn. Zij bezaten geen sterk ik, geen zogenaamd afgescheiden ik-bewustzijn, dat zichzelf als een eenling waant temidden van de kosmische oceaan. In de evolutie van de mens is het noodzakelijk dat zich een sterk ego of ik ontwikkelt, zodat de mens niet meer geleefd wordt door de wil van de goden, maar vanuit eigen wil de eigen ontwikkeling gaat aansturen. Hij moet zich voortaan moeite doen om de goddelijke wil te leren kennen. Door ervaring op te doen zal hij uiteindelijk zelf goddelijke wijsheid ontwikkelen.

Sinds de rede zijn intrede heeft gedaan in de Griekse tijd en de door moed beproefde wilskracht ontwikkeld is in de Romeinse tijd, beschikt de mens over een sterk ego dat zich eerst tegen de kosmische krachten waant. Het ego meent dat het zichzelf tegen de hem omringende, vijandige, want niet gekende wereld moet verdedigen en dat het de natuur aan zich moet onderwerpen. In onze tijd heeft dit zijn climax gevonden is ons athëitisch, materialistisch wereldbeeld, waarin miljarden ego’s tegen elkaar strijden binnen een hyperkapitalistisch systeem waarin ‘survival of the fittest’ als wet geldt.

Rudolf Steiner beschrijft hoe de mens, nadat hij een ego heeft ontwikkeld, hij zich opnieuw kan verbinden met de ziel of het Zelf. In oudere tijden van het oer-India, oer-Perzië en oer-Egypte had de mens een sterke(re) verbinding met de ziel, omdat hij nog niet over een goed ontwikkeld ego beschikte. Dit is te vergelijken met een jong kind die opgaat in de moederschoot, juist omdat hij of zij nog niet over een eigen ‘ik’ beschikt. Langzaam ontwikkelt het kind een eigen individualiteit en verlaat hij de moederschoot. In deze fase bevindt de mens zich, die de moederschoot Aarde en de vaderlijke hand van de Kosmos heeft losgelaten. We zijn op onszelf teruggeworpen en vanuit deze staat van zijn, kunnen we ons weer nieuwe zielsdelen toeëigenen. Door onze beleving van afgescheidenheid ontwikkelen we een sterke gewaarwordingsfunctie, zintuiglijk en gevoelsmatig, waarmee we de wereld om ons heen ervaren. Steiner noemt dit aspect de ‘gewaarwordings- of waarnemingsziel’. Deze heeft zch feitelijk al voor de Grieks-Romeinse tijd ontwikkeld, in de Babylonisch-Chaldeeuws-Egyptische cultuurperiode (2907-747 v. Chr.). Dit was nodig om een sterk ego te ontwikkelen vanaf de Grieks-Romeinse tijd.

Vervolgens proberen we onze nieuwe verworven indrukken te begrijpen binnen een redelijk kader: het verstand vormt een logische omlijsting van de gewaarwordingen en kleurt deze affectief in. Steiner spreekt van de ‘verstands-gemoedsziel’ die zich in de Grieks-Romeinse cultuurperiode (747 v. Chr.-1413 na Chr.). Anno 2020 heeft de verstands-gemoedsziel zich tot haar uiterste reikwijdte ontwikkeld.

Verstand, gevoel en zintuiglijke gewaarwordingen zijn alle ervaringen van het ego, dat zichzelf als subject gescheiden ervaart van de omringende objectieve wereld. Wil het ego zich weer kunnen ver-een-zelvigen met de aspecten die het van zichzelf afgescheiden heeft – heel de wereld buiten het ‘ik’ – dan moet het over een kenfunctie beschikken die het dualistisch karakter van waarnemingen en gevoelens en het discursieve denken ontstijgt. Dit is de intuïtie, de vierde kenfunctie waarover de mens beschikt. Steiner spreekt van de ‘bewustzijnsziel’. Deze intuïtieve functie wordt in onze huidige tijd, de Angelsaksisch-Germaanse cultuurperiode (1413-3573 na Chr.) gevormd. De bewustzijnsziel met haar intuïtieve functie zal de brug zijn die de kloof tussen ego en geest zal dichten. Op het fundament van het intuïtieve bewustzijn zal de mens in latere fasen zich kunnen herverbinden met zijn geestzelf.

Intuïtief ‘weet’ je, terwijl het denken niet verder komt dan ‘denken’, op basis van een logische, causale gevolgtrekking. Intuïtie is ook geen gevoel, zoals sommigen menen. Voelen is evenmin als denken tot weten in staat. Iets of iemand voelt ‘goed’ of ‘slecht’: er is altijd sprake van een oordeel, een keuze tussen twee en dit leidt per definitie tot halve waarheden. De werkelijkheid is immers non-duaal, zij kan alleen ‘geweten’ worden door een weten dat goed en kwaad ontstijgt. In deze transpersoonlijke zône ontstaat dus ook het ge-weten, dat iets geheel anders is dan het Freudiaanse Überich, dat geconditioneerd is door normen en waarden. Tot slot reikt de inuïtie verder dan de vijf zintuigen: zij ziet wat de ogen niet zien, hoort wat de oren niet horen, ruikt wat de neus niet ruikt, proeft wat de tong niet proeft en betast de non-duale werkelijkheid die door de tastzin onbetast blijft.

De mens moet over een min of meer goed ontwikkelde gewaarwordingsziel, verstandsziel en bewustwordingsziel beschikken, wil hij het onbewuste bewust maken. Freud’s woorden: ‘Wo Es war, soll Ich werden’ krijgen hiermee een diepere betekenis. Het Es is niet langer alleen het dierlijke, primitieve onderbewuste – het terrein van de gewaarwordingsziel – maar bevat ook alle niet gevoelde gevoelens en niet bedachte gedachten. Uit de nevelen van het onbewuste vormt zich het bewustzijn – Ich – dat, voorbij het beperkte freudiaanse begrip van het Ich, met de ziel samenvalt. In deze tijd moeten we voorbij gaan het ego, dat in feite nog is vebonden met het Es, om een sterk Ich te creëren: een metafysisch bewustzijn dat zetelt in de ziel. Hierin wordt de bewustwordingsziel geboren, dat zich via de intuïtie verbindt met de hogere, geestelijke sferen in en voorbij de ziel. Een goed ontwikkelde bewustzijnsziel is essentieel om als bemiddelaar en verbinding met de hogere, geestelijke werelden te fungeren. Steiner noemt hierin drie lagen: manas (hoger mentaal), buddhi (liefde-wijsheid) en atma, het ultieme, non-duale Zelf dat een directe uitdrukking van de goddelijke wil is. Deze hogere, geestelijke bewustzijnsniveaus (manas, buddhi, atma) kunnen niet waargenomen, gevoeld of bedacht kan worden, zij kunnen alleen intuïtief ‘geweten’ en verkend worden.

Libido en mandala

De intuïtie kan gezien worden als een functie van het Zelf. Voor Jung is het Zelf een psychische totaliteit die alle (tegen)delen verenigd. Haar heilge heelheid wordt uitgedrukt in de mandala. In het Zelf bestaat geen ruimte: haar omtrek is even groot als wij met ons bewustzijn kunnen omvatten. Naarmate ons bewustzijn zich verruimt, zullen we steeds meer aspecten van de kosmos als on Zelf gaan beleven. Het Zelf kent ook geen tijd, dat immanent verbonden is met het idee van ruimte. Ik ga hier nu niet verder op in, maar in het Zelf zijn toekomst en verleden met elkaar verenigd in het eeuwige ‘nu’. Het Zelf weet wat je toe-komt en trekt je ernaar toe. Om het jou toe-komende potentieel te realiseren, moet je je bevrijden van de klemmende greep van het verleden. Langs Freudiaanse weg kunnen we onszelf bevrijden van het verleden en de wet van causaliteit verheffen naar een hoger niveau van werking: de finaliteit. Jungiaanse psychologie is geëquipeerd om het doolhof van de menselijke psyche, door de vereniging van tegendelen, om te vormen tot een labyrint: een mandalavorm waarin het Zelf zichzelf tot uitdrukking brengt.

Het moment dat Freud voor mij door de mand viel kwam bij het lezen van zijn boek ‘Totem en taboe’. Ik weet nog dat ik in Amsterdam dagenlang op mijn studentenkamer doorbracht met lezen van alle literatuur over dieptepsychologie en mystiek waar ik mijn hand op kon leggen. Ik zag wel in dat Freud de donkere krochten van de menselijke psyche had doorgrond. Maar zijn blinde vlek op het numineuze en zijn dwingende ontkenning van alles wat met de transpersoonlijke functie van de psyche te maken heeft, creëerde een aversie tegen Freud’s psychoanalyse. In ‘Totem en Taboe’ haalt Freud het in zijn Ich dat de religieuze beleving van natuurvolkeren slechts tot doel dient onderdrukte driften waarop een taboe rust te sublimeren.

Ik ben dit artikel begonnen met mijn fascinatie voor de sublimatie van het libido, zoals bijvoorbeeld door Haich beschreven in ‘Seksuele kracht en yoga’. Langs een (lange) weg van psychoanalyse (Freud) en later analytische therapie (Jung) – wat een vreselijke termen trouwens! – ben ik gaan ervaren dat mijn libido op mannen was gericht uit angst voor vrouwen en het vrouwelijk. In mijn geval getuigt homoseksualiteit van een psychopathologie, voortkomend uit een zwak beleefde animusfunctie en een onbereikbare anima. Door mijn seksualiteit op mannen te projecteren, probeer(de) ik de mannelijke kracht te ‘stelen’ die ik zelf niet meen(de) te bezitten. Dit bracht me in een rigoreus conflict: want ik kwam in de ontmoeting met mannen slechts mijn eigen anima tegen. Deze is glaciaal als een ijskoningin, omdat zij tevens uiteen dreigde te vallen in angst en hysterie. Dezelfde dynamiek (afgesloten versus hysterisch gevoelsleven) trof ik ook bij mannen aan. Hun mannelijke kracht bleek telkens schijn, want hij was of niet verbonden met een levendig gevoelsleven (anima) of hij brokkelde af onder invloed van hysterie. Dit alles was slechts een spiegelbeeld van mijn eigen innerlijk. Maar homo eros deed nog iets anders met me: het bracht me in een positie waarin ik het begeerde mannelijk moest wegdrukken om vanuit een meer vrouwelijke (psychische) dispositie me te kunnen relateren aan de man. Het maakt(e) me niet meer mannelijk, maar eerder verwijfder, waardoor anima en animus, vrouwelijk en mannelijk in mijn eigen psyche nog verder in onbalans raakten. Uiteindelijk werd dit zo sterk dat de homoseksualiteit dus ontaardde in een seksverslaving, waarin ik feitelijk dissocieerde.

De dromen waarin mijn vader me de weg wees, hebben me als een draad van Ariadne naar de Minotaurus geleid: de scheefgroei in mijn psyche. ‘Wo Es war, soll Ich werden.’ Ik volg niet langer mijn libido, maar probeer deze omzichtig door het doolhof terug naar buiten te leiden. Het doel van elk individuatieproces is te worden wie je in wezen bent. In mijn geval betekent dit dat er geheel nieuwe indrukken rondom vrouwen en het vrouwelijk ontwikkeld moeten worden in mijn gewaardings- en verstandsziel. De intuïtie vanuit de bewustzijnsziel leidt in dit geval de weg. In dit proces wordt het feitelijke ‘Überich’ gevormd: een sterk ego dat zich niet langer als dictatoriaal alleenheerser waant, maar dat zijn lot in steeds grotere bewegingen van overgave in de handen van het Zelf legt. Of, zoals in het hindoeïstische geschrift ‘Brihadaranyaka Upanishad’ staat:

“Je bent wat je diepste wens is. Zoals je wens is, zal je wil zijn. Zoals je wil is, zullen je daden zijn. Zoals je daden zijn, zal je lot zijn.”

 

 

© Sander Videler, 2020 (www.sandervideler.com)