De weg naar je ware zelf

Nieuws

Steiner als wijze

Alle artikelen, Antroposofie, Mystiek & gnosis

Het doel van Rudolf Steiner (1861-1925) was de westerse mens een innerlijke bevrijdingsweg te (onder)wijzen. Hiervoor stelde Steiner het concept van de Christusimpuls centraal. Steiner’s antroposofie is zodoende diep gnostisch in de zin dat het goddelijke in de mens zelf gezocht moet en kan worden.

Waar Steiner de mist in is gegaan is dat hij tevens geprobeerd heeft een wereldlijke beweging op te richten, met praktische toepassingen op het gebied van onderwijs (vrije school), landbouw (biologisch-dynamische landbouw), opvoeding (heilpedagogiek), bewegingsleer en kunst (euritmie) en de maatschappij als geheel (sociale driegeleding: geestesleven, economie en rechtstaat). Hierin is hij maar ten delen geslaagd doordat tussen visie en praktijk de ‘gewone’ mens staat en stond, met zijn egoïsme, hang naar macht en dogmatiek. Dit heeft het imago van de antroposofie geen goed gedaan. Velen kennen de antroposofie immers van de praktische toepassingen en als ‘isme’: een beweging die zich, door de onkunde van haar leiders, afzet tegen andere stromingen. Hierdoor is een zoveelste ideologie ontstaan, die geen recht doet aan de enormiteit van de geestelijke impuls en visie welke Steiner aan de wereld gebracht heeft.

Ware geesteswetenschap

Tegenwoordig kennen we geen geesteswetenschappen meer. Dat wat er voor doorgaat – theologie en filosofie – is ingekapseld binnen de rationele grenzen van het academisch brein. Steiner’s bijdrage aan de westerse beschaving is dat hij de weg heeft voorbereid naar een nieuw soort weten-schap, welke hij de ‘bewustzijnsziel’ noemt. Deze bedient zich niet langer van de functie van het dualisisch denken om tot ‘weten’ te komen, maar is in staat om rechtstreeks geïnspireerd te worden vanuit de geest. Geest is niet slechts een non-duale eenheidsstaat van ‘zijn’, zoals bijvoorbeeld in de advaita vedanta, zoals uitgedragen door Shri Nisargadatta, gesteld wordt. Geest is tevens een ‘veld’ van informatie dat echter verpakt is in licht (energie). Omdat de huidige mens geestelijk zeer onvolwassen is, zijn de meeste mensen niet in staat om de energie waaruit heel het universum bestaat te decoderen. Ons bewustzijn is simpelweg veel te laag om de hogere trillingsfrequenties van energieën waar te nemen, waardoor we met een zeer dof bewustzijn slaapwandelend, als levende doden ingepakt in de materie, door het leven gaan. Steiner keerde zich fel tegen deze status quo. Als mysticus en ziener was hij overigens wel in staat om met zijn bewustzijn toegang te krijgen tot hoge(re) geestelijke domeinen, waar hij in contact trad met geestelijk verheven wezens, die hem als meester dienden. Denk hierbij aan Christian Rozenkreuz, Christus himself of vele andere wezens van de geestelijke hiërarche, zoals engelen, aartsengelen (volksgeesten), archai (tijdsgeesten), elohim of machten (geesten van de vorm), dynameis of krachten (geesten van de beweging), kyriotètes (geesten van de wijsheid), tronen (geesten van de wil), cherubijnen (geesten van de harmonie) en serafijnen (geesten van de liefde).

Theosofie: wetenschap van de kosmos en haar goden

Om Steiner’s visie goed te begrijpen moet je besef hebben van de traditie waaruit hijzelf voortgekomen is.

Steiner was een vooraanstaand lid van de theosofische beweging, geïnspireerd door Helena Blavatsky (1831-1891). Blavatsky is een natuurfenomeen: haar gaven tot geesteljk schouwen reikten tot in de uithoeken van ruimte en tijd en zodoende behandelt de theosofie het ontstaan (‘gonie’) en de evolutie (‘genese’) van de kosmos: kosmogonie en kosmogenese. Uit Blavatsky’s ‘Geheime leer’ (haar hoofdwerk) ontstaat het beeld van een door goddelijke krachten bezielde kosmos. De theosofie behandelt de ontwikkeling van de kosmos zodoende middels grote concepten en enorme tijdschalen. Hieruit ontstaat het beeld van een zich steeds verder differentiërend godheid, via sterrenstelsels en andere hemellichamen, welke alle belichaamde goden zijn. Niets in de kosmos is onbezield en onze materieel zichtbare kosmos is maar één toon op de toonladder van de goddelijke symfonie.

Binnen dit kosmische krachtenspel speelt de mens een bescheiden rol – overal is leven. De mens(heid) evolueert volgens Blavatsky door zeven vormfasen. Deze cyclus volgt het ritme van kosmische dagen en nachten. Een kosmische dag heet ‘manvantara’ en duurt eonen. Dit wordt een ‘dag van Brahma’ genoemd. Tijdens zo’n periode komt een nieuwe kosmos tot aanzien, welke erna weer verdwijnt in een periode van rust of nacht, ‘pralaya’ genaamd.

Momenteel bevinden we in de vierde (van de zeven) vormfase(n):

  • Hoger devachan
  • Lager devachan
  • Astrale wereld
  • Fysieke wereld (huidige fase)
  • Hogere astrale wereld
  • Vervolmaakt lager devachan
  • Hoger devachan

 

Het gaat me hier niet om de inhoud van deze fasen, maar het is goed om een situering van de huidige mens te hebben, voordat we terugkeren naar Steiner’s antroposofie.

Overigens, je kunt nog op een andere wijze een besef krijgen van de immensiteit van kosmo- en theogenese als je een stamboom van de Griekse godenwereld bekijkt. Deze is niets anders dan een classificatie van evoluerende goddelijke krachten die uiteindelijk uitkristalliseren in de mens. De schaling is ruwweg, van kosmisch, naar gigantisch en titanisch, naar goddelijk-planetair, om vervolgens te evolueren tot halfgoden, helden en tot slotte mensen. ‘Goddelijk-planetair’ wil zeggen: de planeten in ons zonnestelsen zijn alle goden – kerncentrales van energie en informatie die de evolutie op aarde formeren. In de benamingen die de Romeinen aan hun goden gaven zie je dit nog terug: zij dragen de namen van de planeten (Jupiter, Neptunus, Mars etc.).

De Griekse godenwereld als weergave van de kosmo- en theogonie:

 

 

Besef wat voor Neanderthalers we zijn geworden dat we de Griekse mythologie opvatten als gewoon ‘verhaaltjes’ of op z’n best psychologismen!

Besef dat de Griekse mythologie actueel is. Neem bijvoorbeeld de drie broers Prometheus, Epimetheus en Atlas, alle drie zonen van de titaan Iapetus (een Titaan is een groter krachtveld dan de sfeer van ‘bebaarde goden’ als Zeus, Jahweh, Allah of Odin!). Volgens de mythe probeerde Prometheus het vuur van de goden te stelen, waarop Zeus hem voor straf aan de bergen van de Kaukasus ketende. Ethon, de adelaar van Zeus, eet vervolgens elke dag een stukje van de lever van Prometheus, totdat de held Heracles Prometheus met hulp van de goede centaur Cheiron komt bevrijden.

De huidige mens kan ingedeeld worden in ‘promethische mensen’ – mensen met (latente) geestelijke gaven, die opleven naar het goddelijk ideaal – en ‘epimethische mensen’: zij die zich tevreden stellen met brood en spelen, hun leven als couch potato doorzitten, en met Pandora trouwen. Zij zijn blind dat ze hun eigen karma creëren (we zijn alle goddelijke creators) en klagen steen en been als ze het slachtoffer worden van de eigen veroorzaakte rampspoed. De promethische mens is echter nog geketend: de huidige mens heeft een te zwak ethisch bewustzijn, waardoor latente geestelijke krachten nog niet vrij gegeven worden. We moeten eerst ons karma – dat wat we op onze lever (leven) hebben – voordat we bevrijd zullen worden van de goddelijke karmische wet, zoals verbeeld door Ethon: de alziende adelaar die elke dag een stukje van ons leven (karma) in pikt, net zo lang totdat we als Cheiron zijn geworden: het archetype van de leraar. Maar we zullen eveneens, net als Hercules, twaalf werken moeten verrichten, waarvan de bevrijding van Prometheus het elfde werk is. Dit wil zeggen: de ziel zal gedurende eonen onder twaalf sterrenbeelden moeten incarneren om de twaalf aspecten van bewustzijn – eveneens gesymboliseerd door de twaalf apostelen – te vervolmaken tot één Christusbewustzijn. Dit doe je niet slechts door een diamanten bewustzijn voor je geestesoog te visualiseren, maar hiervoor moet je als ziel daadwerkelijk langs het rad van wedergeboorte een enorme reïncarnatiecyclus doorlopen totdat je, op het einde van de cyclus, zo vervolmaakt bent dat je de last van Atlas, die de kosmos op zijn rug draagt, kunt overnemen, zodat Atlas de appels van wijsheid terug kan halen bij de Hesperiden.

Dit is theosofie of de wetenschap van de goden!

Je kunt boekwerken vol schrijven over de enorme cycli die de ziel (micokosmos) in de steeds evoluerende macrokosmos doorloopt. Alle godenverhalen – of je deze nu in de Griekse vorm leest of in de Edda, de heilige verhalen uit het hoge Noorden – zijn, net als sprookjes, niets anders dan symbolische vertellingen van de ontwikkelingen van de ziel. Het verschil tussen mythen (godenverhalen) en sprookjes is gradueel, de laatste handelen over psychische processen, de eerste handelen over geestelijke processen.

Continentendrift als brug tussen theosofie en antroposofie

Ik ben me bewust van bevreemdende tussenkop. Wat heeft de continentendrift in hemelsnaam met theosofie en antroposofie te maken?

Onze aarde is een planeetgeest: één bezield wezen, dat niet slechts op materieel niveau bestaat, maar ‘wiens’ Bron geestelijk is, evenals wij mensen in ons een godsvonk, een aspect van het goddelijke, dragen. Wat bestudering van theo- en antroposofie je leert is ‘kosmisch’ te denken: het universum is een holistisch systeem, waarin alles met alles samenhangt. Daarnaast is er geen centimeter ‘ledige’ ruimte, alles is bezield. Het feit dat wij dit niet opmerken, geeft alleen aan hoe onbewust de mens is.

De aarde staat niet op zichzelf, maar wordt aangestuurd door de zonnelogos: onze zon is het hoogste goddelijke wezen van dit stelsel en Christus wordt gezien als de bezielde manifestatie ervan.

Gebeurtenissen op aarde zijn, evenals de ontwikkeling in een mensenleven, het gevolg van het krachtenspel van de goden, waarvan de mens onderdeel uitmaakt. Mercurius, Venus, Mars, Jupiter, Saturnus, Uranus, Neptunus en Pluto regisseren de gebeurtenissen op onze planeet. Ons zonnestelsel is vervolgens ingebed in het krachtenspel van de zodiak: de twaalf sterrenbeelden, welke nog grotere constellaties van kosmische krachten zijn die de ontwikkelingen van ons zonnestelsel aansturen. Je mag ervan uitgaan dat achter de twaalf sterrenbeelden er weer grotere kosmische krachten schuil gaan.

Onze aarde kent continenten en oceanen die doorheen de geschiedenis over het aardoppervlak heen bewegen. Eén van de Griekse goden is ‘Oceanus’: de oceanen zijn levende, bezielde wezens en de continentendrift volgt kosmische wetten. Europa is niet alleen een continent, maar ook een Fenicische prinses waarmee Zeus, ‘verkleed’ als witte Stier, een seksuele verbinding aan gaat in de zee. Anders gezegd: de Grieken voorspelden reeds dat er een tijd zou komen dat Jupiter (Zeus), de god van de uitdeining en ontwikkeling, een verbinding (Stier) zou aangaan met het continent Europa, dat daarmee als een fenix (Fenisische prinses) in de wereld zou zijn. Steiner zou het als volgt zeggen: de aartsengelen of volksgeesten van Europa werken een tijd lang samen onder invloed van de hogere archai of tijdsgeesten, die bepalen dat het tijd is voor een krachtenbundeling in Europa om zo een nieuwe impuls (fenix) te brengen.

Over een paar duizend jaar ofzo, als de poolkappen gesmolten zijn en het aangezicht van de aarde weer anders is, zullen nieuwe continenten geboren worden, onder invloed van hemelse krachten. Zelfs een land als Nederland wordt bezield door een aartsengel of volksgeest, dat gedurende een tijd – bepaald door de archai of tijdsgeesten – een ontwikkeling doormaakt, totdat deze volksgeest zich weer terugtrekt. Op dat moment zal de natie Nederland ophouden te bestaan. Alles, werkelijk alles, is kosmisch: een geordend samenspel van hiërarchische krachten. Theosofie beschrijft dit krachtenspel op kosmisch niveau (ver voorbij ons zonnestelsel). Steiner beperkt zich tot de beschrijving van dit krachtenspel binnen ons zonnestelsel en op aarde, bijvoorbeeld in de beweging van de continenten.

De ontwikkeling van de aarde

Centraal in Steiner’s leer van de antroposofie – de geesteswetenschap van de mens – staat de ontwikkeling van de aarde. We schakelen nu naar een lager schaalgrootte dan de kosmische schalen die de theosofie hanteert (en die voor een mens onbevattelijk zijn).

Steiner deelt de vorming van de aarde in in drie ronden van elk zeven fasen. In het schema hieronder zie je links de zeven grote fasen, welke alle afspelen in de genoemde vierde fase van de fysieke wereld van de theosofen! (Besef hoe ontzagwekkend groot(s) en lang kosmische processen zijn.)

 

 

Ik ga geen uiteenzetting van alle tijdperken geven, hiervoor verwijs ik naar het werk van Steiner dat uit ongeveer 170 boeken beslaat (bundelingen van lezingen). Wel wijs ik erop dat onze aarde in het verleden één geheel is geweest met de maan (derde fase van Oermaan, in het schema linksboven), daarvoor één geheel was met ze zon (tweede fase van Oerzon) en daarvoor – voordat het zonnestelsel tot aanzijn was – als een bezielde nevel in de ruimte bestond (eerste fase van Oersaturnus). Nu bevinden we ons in de vierde fase van de Aarde, waarna nog drie fasen (Jupiter, Venus, Vulcanus) zullen volgen. De aarde is dus halverwege haar evolutie (binnen de vierde vormfase van de fysieke wereld).

Waarom vertel ik je dit alles? Ik wil je demonsteren hoe kosmisch denken werkt – zonder kosmisch te denken kun je theosofie en antroposofie niet begrijpen.

Ooit was er een tijd dat de fysieke aarde één was met de huidige maan (derde fase van Oermaan). Wetenschappers gaan er inmiddels van uit dat de aarde 4,5 miljard geleden in botsing is gekomen met een andere planeet, Theia genaamd. Door de enorme impact is een deel van de aarde afgestoten, welke later onze maan is gaan vormen.

Als je de Griekse stamboom van de goden bekijkt dan zie je hiertussen de titaan Theia staan! Volgens Steiner was er een tijd op aarde dat de aardeontwikkeling dreigde te verstenen. De harde materie kapselde de planeetgeest te zeer in, waardoor bepaalde geestelijke processen dreigde te verstikken. De planeetgeest Theia, dochter van Uranus (dus, aangestuurd door processen op Uranus), heeft zich hierop op de aarde gestort, waardoor de te grote stolling in de vorm van de maan buiten het aardelichaam werd geplaatst. Wie Steiner bestudeert leest dat ook onze maan, net als elk hemellichaam, bezield is met leven. Op de maan huizen hoge geestelijke krachten. Dit alles beschrijft Steiner tot in detail als hij spreekt over de fasen van de Oermaan (aarde en maan als één geheel) en de huidige, vierde Aardefase (met de maan als gescheiden hemellichaam).

Binnen de vierde Aardefase onderscheidt Steiner vervolgens opnieuw zeven era’s:

  • Polair tijdperk: 2,5 miljard tot 541 miljoen jaar geleden.
  • Hyperborees tijdperk: 541 tot 2 miljoen jaar geleden.
  • Lemurisch tijdperk: 252 tot 66 miljoen jaar geleden.
  • Atlantisch tijdperk: 66 miljoen tot 11.600 jaar geleden.
  • Huidig na Atlantisch Arisch tijdperk: 11.600 jaar geleden (9600 v.C.) tot 7893 jaar n.C.
  • Zesde era
  • Zevende era

 

Na het zevende era van het Aarde tijperk volgt een pralaya (ca. 9600 na Christus), waarna nog drie grote fasen starten: Jupiter, Venus en Vulcanus. Aan het einde van de Vulcanus fase houdt de fysieke aarde op te bestaan en betreden we de vijfde ‘hogere astrale’ vormfase, zoals beschreven door Blavatsky.

We bevinden ons nu in het Arisch tijdperk – Blavatsky noemt de Arische mens het ‘vijfde’ wortelras – en ook dit tijdperk kan weer onderverdeeld worden in zeven perioden, Steiner spreekt van de zeven ‘cultuurperioden’ na de ondergang van Atlantis, beschreven in het oudtestamentisch verhaal van de zondvloed en de ark van Noach.

De zeven na Atlantische cultuurperioden zijn:

  • Oer-Indisch (bijbel: Efeze): 7227-5067 v.C. Dit is de tijd waarin de hoogste religieuze cultuur is ontstaan in de Indus vallei in de vorm van de Upanishaden en de Veda’s.
  • Oer-Perzisch (bijbel: Smyrna): 5067-2907 v.C. Dit is de tijd van de grote ingewijde Zoroaster en de zeer hoog gecultiveerde cultuur en religie van het oude Iran en Irak in de vorm van het zoroastrisme.
  • Oer-Egyptisch (bijbel: Pergamum): 2907-747 v.C. Dit is de tijd van de opgang en ondergang van de Egyptische faraodynastieën en de ontwikkeling van wat Steiner noemt de ‘gewaarwordingsziel’.
  • Grieks-Romeins (bijbel: Tyatira): 747 v.C. tot 1413 n.C. In deze tijd ontwikkelt zich de zogenaamde ‘verstandsziel’.
  • Huidig Germaans-Angelsaksisch (bijbel: Sardes): 1413-3573 n.C. In deze tijd ontwikkelt zich de zogenaamde ‘bewustwordingsziel’ – de mens maakt zich het ‘Manas’ eigen.
  • Slavisch (bijbel: Philadelphia): 3573-5733 n.C. In deze tijd maakt de mens zich de beginselen van ‘Buddhi’ eigen.
  • Amerikaans (bijbel: Laodicia): 5733-7893 n.C. In deze tijd maakt de mens zich de beginselen van ‘Atman

 

Waarom som ik dit alles op?

Ik wil je doen beseffen hoe complex en ‘planmatig’ evolutie vanuit de geestelijke wereld wordt aangestuurd. Ik probeer ook een indruk te geven van alles wat we niet weten: dit wat ik nu in een uiterst kleine notendop beschrijf is door theosofen en antroposofen tot in detail uitgewerkt. De gemiddelde mens heeft werkelijk geen idee en ziet ook niet hoe gecondenseerd kennis in onze bijbel is weergegeven. Als bijvoorbeeld in de Apocalyps van Johannes over de ‘zeven gemeenten’ wordt gesproken, dan worden hiermee de zeven cultuurperioden (zie hierboven) bedoeld! In de bijbel staat dus reeds de afloop van dit huidig Arisch tijdperk beschreven. Ten tijde van Laodicia zal de oorlog van allen tegen allen plaats vinden.

Daarna zal de Arische mens het veld ruimen. Onze beschaving heeft dus een maximale houdbaarheidsdatum. Ook de zeven zegels en de zeven bazuinen van de Apocalyps zijn toekomst voorspellend. In enkele zinnen geeft de bijbel hier de toekomst van miljoenen jaren weer!

Ik zal je tot slot niet vermoeien met het feit dat de beschreven cycli van ontwikkeling – van klein tot groot – enkel de werking vanuit ons zonnestelsel beschrijven…

Herinner je dat ons zonnestelsel is ingebed in de grotere werkinssfeer van de zodiak en de twaalf sterrenbeelden, welk elk een eigen astrologisch tijdperk kennen van 2160 jaar. We bevinden ons nu in de staart van het Vissen tijdperk, dat met de christelijke jaartelling is begonnen en dat op 2160 jaar n.C. definitief overgaat in het Waterman tijdperk. Het wordt werkelijk complex als je de werkingssfeer van de dierenriem erbij gaat betrekken, toch is dit wat geesteswetenschap vanuit de theosofie en antroposofie ondermeer inhoudt.

De opdracht van de (Arische) mens

Samenvattend.

We bewonen een fysiek universum, omdat het deel is van het goddelijk plan dat ook deze bestaansmogelijkheid verkend wordt. De aarde is een bezielde entiteit die heel andere verschijningsvormen heeft gekend, waaronder een samensmelting met de zon en de maan. De laatste is in de fase van de Oerman afgestoten om te voorkomen dat de aarde te zeer zou verdichten. In de huidige Aarde fase bevinden we ons in het na Atlantisch tijdperk, waarin het Arische ras in de wereldontwikkeling bepalend is. Sinds de zondvloed 11.600 jaar geleden hebben we reeds verschillende cultuurperioden doorlopen (Indisch, Perzich, Egyptisch, Grieks-Romeins) en we bevinden ons nu in de Germaans-Angelsaksische tijd.

De stamboom van de Griekse godenwereld vertelt bovenstaand verhaal in mythische taal. Het universum is ontstaan vanuit Chaos – een onvoorstelbare oerkracht die door eonen steeds meer differentieert en tot materie verdicht, totdat uiteindelijk de mens in de huidige vorm op het toneel verschijnt. Kosmogenese en theogenese kenmerken zich doordat er steeds een castratie of verdichting van krachtvelden plaats heeft. Helemaal aan het begin van de creatie wordt ook de Tartaros geschapen, een soort vacuüm of oerdiepte, waarin de gigantische en titanische krachten opgesloten worden, totdat er uiteindelijk – na de Giganten, Titanen, Olympische (half)goden – de mens als held verschijnt. Deze moet zijn bewustzijn zodanig rijpen dat hij eens als prometische mens in staat is om de gecastreerde gigantische en titanische krachten in zichzelf te dragen, waardoor hij zichzelf weer als goddelijk gaat ervaren.

Teneinde in staat te zijn om de gigantische en titanische krachten met zelfbewustzijn te dragen, moest er in het scheppingsplan een wezen geschapen worden dat over een eigen Ik beschikt, dit is de bestemming van de mens. De mens – zijn ziel – daalt vanaf het oerbegin (Chaos) via enorme processen af tot in de tijd na Atlantis. In de Indische tijd beschikt de ziel nog nauwelijks over een gedifferentieerd ego, vandaar dat de proto-Indische mens ‘Arjuna’ nog min of meer in een ongedifferentieerd oerlicht van zijn goddelijk Zelf bestaat. Wie de Upanishaden leest beseft dat de mens aan het begin van de Indische beschaving over een zeer verruimd geestelijk bewustzijn beschikt.

In de daarop volgende Perzische periode raakt de ziel al meer ingekapseld in de stof. De mens raakt het zicht op zijn goddelijk Zelf langzaam maar zeker kwijt en heeft een religie nodig die hem wegwijs maakt in de dualiteiten. Zaratustra, de geestelijke inspirator van Nietzsche’s ‘Übermensch’, is de grote ingewijde die in de Perzische cultuurperiode de zeer verheven filosofie omtrent goed (licht) en kwaad (duisternis) heeft uitgewerkt.

Dan breekt de Egyptische tijd aan, waarin alleen nog de farao’s over een goddelijk bewustzijn beschikken – de rest van de mens verzinkt in de duisternis van de materie. Er ontstaat iets wat we tegenwoordig herkennen als een persoonlijkheid of ego. Met deze ‘castratie’ of opoffering van de ziel, komt echter ook een gave: in de meer gedifferentieerde (op zichzelf staande) ziel van de mens wordt, wat Steiner noemt, de ‘gewaarwordingsziel’ geboren. Wat dit is herkennen we heden ten dage nog het best bij de indogene natuurvolkeren, die een zeer sensitieve gewaarwording hebben van de kosmos. Zij leven in een ‘participation mystique’, waarbij ze niet in een volkomen symbiose bestaan, maar als een beginnend Ik ten opzichte van de kosmos bestaan, toch ingebed in een mystieke band.

De kosmos heeft voor ogen dat de mens een volledig autonoom wezen wordt en in de Grieks-Romeinse tijd wordt de ‘verstandsziel’ geboren. Het is in feite pas ten tijde van de oude Grieken dat de mens zijn denkvermogens bewust leert gebruiken en ontwikkelen, culminerend in een steeds sterker wordend Ik-besef, welke in de Romeinse tijd verder gecultveerd wordt middels de ontwikkeling van een sterk egoïstische wil. De ware Arische mens wordt hier in feite geboren. Deze kenmerkt zich door een sterk ego: een noodzakelijkheid om als mens op eigen benen te gaan staan. Onvermijdelijk wordt hiermee echter ook de ‘participation mystique’ doorbroken. De huidige mens is hier een goed voorbeeld van. Zij heeft economische, politieke en sociale systemen ontworpen die gebaseerd zijn op egoïsme. Hierbinnen geldt het recht van de sterkste, culminerend in ons huidig hyperkapitalisme, waaraan ook de natuur geofferd wordt. De mens ervaart zichzelf immers niet meer als deel van een natuurlijke ordening of kosmos. Hij denkt hoogmoedig alleen aan zichzelf.

Sinds 1413 bevinden we ons in de Germaans-Angelsaksische cultuurperiode. In deze fase is het zwaartepunt van beschaving naar West-Europa verplaatst en later, nadat Columbus de atlantische oceaan is overgestoken, naar Amerika. In deze periode wordt niet alleen de verstandsziel tot in het uiterste ontwikkeld, maar wordt ook de ‘bewustzijnsziel’ geboren. Wanneer de nood het hoogst is, heeft de egoïstische mens weer een mogelijkheid om met een diepere bezieling in contact te komen. Dankzij de bewustzijnsziel zullen we in staat zijn om de Christusimpuls in onszelf gewaar te worden. De Rozenkruisers waren van deze nieuwe ontwikkeling de vaandeldragers. Johann Valentin Andreae schrijft in 1459 de ‘Alchemistische bruiloft van Christiaan Rozenkruis’, een funderend werk waarin de gnostische werking van de bewustzijnsziel uiteen wordt gezet.

In onze tijd is God dood verklaard (Nietzsche), want via de bewustzijnsziel moeten we het goddelijke opnieuw in onszelf zoeken – voordat het te laat is. De huidige mens staat immers op het punt zichzelf te vernietigen. Hij beleeft zichzelf niet langer als een broederschap verenigd met het aardelichaam. Volgens Steiner leven we tot 2160 – het jaar waarin de ‘Age of Aquarius’ definitief een aanvang begint – in een ‘window of opportunity’. Deze tijd staat namelijk onder de heerschappij van aartengel Michaël, die het uitmesten van de Augiasstallen begeleidt. Herinner je, de Griekse mythologie is actueel. We zijn Hercules, wiens vijfde taak het is om de stallen van koning Augias te reinigen. Hier is het zinvol om drie andere belangrijke concepten, uit zowel de theosofie, als de antroposofie te introduceren, te weten: Manas, Buddhi en Atman.

Manas, Buddhi & Atman

Zoals gezegd, de kosmos is één bezield, levend organisme. Zij wordt doorstraald door energieën afkomstig uit de goddelijke oerbron. In de leer van de theosofie worden zeven hoofdstralen onderscheiden. Ik behandel hier alleen de eerste drie:

  • 1e straal: goddelijke Wil of Atman
  • 2e straal: goddelijke Liefde-Wijsheid of Buddhi
  • 3e straal: goddelijke Intelligentie of Manas

 

Uiteindelijk is het de bedoeling dat elke ziel opnieuw bewust medeschepper wordt in het goddelijke plan door vanuit goddelijke Wil, Liefde-Wijsheid en Intelligentie te creëren. In deze tijd krijgt de mens via de bewustzijnsziel weer de mogelijkheid om zich te verbinden met goddelijke Intelligentie, waardoor hij ‘Manas’ ontvangt. Onder de heerschappij van Michaël moet voor 2160 zoveel mogelijk van het astrale veld (o.a. begeertelichaam) – collectief en individueel – uitgezuiverd zijn, om klaar te zijn voor de Watermantijd, waarin de mens in de Slavische cultuurperiode opnieuw bewust contact maakt met goddelijke Liefde-Wijsheid of Buddhi. Tegen die tijd zal de beschavingsimpuls verschoven zijn naar de Slavische gebieden, waar immers ook Prometheus aan de rotsen van de Kaukasus is geketend en bevrijd zal worden. Aan het einde van het Arische tijdperk zal de mens zich in de zogenoemde ‘Amerikaanse’ cultuurperiode weer kunnen verenigen met Atman, de goddelijke Wil. Dan heeft de Arische mens zijn taak volbracht: via de vorming van een sterk ego, is hij bewust en uit vrije wil (opnieuw) medeschepper geworden in het goddelijk plan. Dan zal de mens, die reeds is uigerust met de eerste beginselen van Manas, Buddhi en Atman, zich voorbereiden om, samen met de fysieke aarde, de opgang te maken naar de vijfde vormfase van de hogere astrale wereld.

De mens als Oedipus, Odysseus en Hercules

Zover is het echter nog lang niet.

Vooralsnog zwerven we als Odysseus rond die, net als Hercules, twaalf beproevingen moet ondergaan om de ziel bewust te maken van zijn goddelijke aard. Nog prangender wordt het actueel lot van de mens beschreven in de mythe van Oedipus die blind zijn eigen noodlot tegemoet treedt. Herinner je dat in deze mythe de sfinks – toch een hoeder van goddelijke wijsheid – zich in de afgrond heeft gestort!

Sinds de Egyptische cultuurperiode is de mens – ooit een Gigant, Titaan en God – gecastreerd tot een stoffelijk wezen die nagenoeg blind is voor de geestelijke wereld. Dit alles dient het doel dat de mens helemaal op zichzelf wordt aangewezen, zodat hij niet langer afhankelijk is van de godenwereld, maar het goddelijke in zichzelf gaat zoeken. Om eerlijk te zijn, de oer-Indiërs hadden ‘makkelijk’ praten. De Upanishaden zijn een lofzang op het goddelijke Zelf. Maar als je, net als de planeet Mercurius (god van de wijsheid) of Venus (god van de liefde), dicht rondom de zon draait, is het onvermijdelijk dat je niets dan licht ziet. De huidige mens kan beter vergeleken worden met de planeet Pluto, die het verst van de zon draait en waar het altijd duister is. In zijn beleving heeft de mens zich tot de grootst mogelijke egoïsche uitersten verdicht. Om je Zelf uit deze benarde positie moet je zijn als Hercules. Precies dit is waar de mens volgens de antroposofie mee bezig is.

Steiner wijst in dit alles de weg.

 

© Sander Videler, 2021