De weg naar je ware zelf

Nieuws

Van ecologie naar ecosofie

Alle artikelen, Ecosofie

Klimaatverandering lijkt niet te stoppen. Een onafwendbare beweging is in gang gezet welke zal uitmonden in een herstel van een nieuw natuurlijk evenwicht.

De prijs echter zal zeer hoog zijn. Niet alleen miljarden mensen zullen omkomen, maar nog eens vele, vele miljarden dieren en planten zullen sterven.

Doemdenkerij? The Bulletin of the Atomic Scientists waarschuwt al sinds 1945, na het einde van de Tweede Wereldoorlog, dat de mens dreigt zichzelf en het leven op aarde uit te re is zichzelf en het leven op aarde uit te roeien. Gebruikmakend van de expertise van vooraanstaande wetenschappers van over de hele wereld, houdt The Bulletin cruciale bedreigingen scherp in de gaten en stemt hierop de zogenoemde ‘Doomsday Clock’ af. Dit zijn wetenschappers, geen fatalistische sekteleden. De Doomsday Clock staat momenteel op twee minuten voor twaalf. Het oordeel luidt:

“Humanity now faces two simultaneous existential threats, either of which would be cause for extreme concern and immediate attention. These major threats – nuclear weapons and climate change – were exacerbated this past year (2018) by the increased use of information warfare to undermine democracy around the world, amplifying risk from these and other threats and putting the future of civilization in extraordinary danger. There is nothing normal about the complex and frightening reality just described.”

In een recente toespraak in het Britse parlement, stelde de Zweedse klimaatactiviste Greta Thunberg herhaaldelijk de vraag: ‘IS MY MICROPHONE ON? CAN YOU HEAR ME?’ Ze vroeg het, omdat we al decennia lang gewaarschuwd worden voor een catastrofale ondergang, maar we luisteren niet. We veranderen niet. We handelen niet. We laten het nieuws hoogstens een minuut tot ons doordringen, om daarna over te gaan op de orde van de dag. Waar zal ik dit jaar op vakantie gaan? Wie nodig ik uit voor de barbeque? Zullen we de badkamer gaan verbouwen?

‘CAN YOU HEAR ME?’

Blijkbaar niet, want de wereld is al decennialang gevangen in een soort katatonische freeze – een extreme vorm van dissociatie verlamt een vitaal deel van onze mind en ons brein, waardoor we de zeer verontrustende informatie nooit echt laten binnenkomen. Niet alleen onze geest is verlamd, maar vooral ook ons hart. We zijn afgesloten van diepere, hogere gevoelens als compassie, empathie, vergevingsgezinsheid en liefde. De meeste mensen kunnen nog wel liefde voor de eigen familie op brengen, hoewel dit al zeer lastig en vaak onmogelijk blijkt. De buren vind je aardig,. Maar dat vind je zolang ze net zo egocentrisch als jij zijn. Zolang alles goed gaat – we hebben banen en geld om te besteden – kunnen we met elkaar overweg. Vaak is onze grootste gemene deler dat we lid zijn van een zelfde sociale klasse, bepaald door ons besteedbaar inkomen. Dit is de empathische reikwijdte van de gemiddelde Westerse mens. Verder komen we simpelweg niet.

We kunnen ons moeilijk inleven in de noden van een gezin in armoede. Welke Nederlander is bereid om zijn spaargeld te delen met een ander? De armoede van een gezin in India zien we niet en dus raakt het ons niet. Zolang ons straatbeeld maar mooi en netjes blijft, zien we de planetaire crisis niet als de onze. We beseffen niet dat de verwoesting van het regenwoud in Brazilië uiteindelijk ons raakt als onze voor- en achtertuin verdorren in steeds heter wordende zomers. Het doet ons geen pijn in het hart als we cognitief constateren dat er nauwelijks nog insecten zijn. We beseffen niet dat de dramatische neergang van dieren- en plantenrijken ons voortbestaan bedreigen. Belangrijker nog: we kennen geen intrinsieke waarde toe aan het leven van de dieren- en plantenrijken waarmee we de aarde delen. We gebruiken ze voor ons eigen nut en we maken ons zorgen als het ons voortbestaan bedreigt. Dit is nog steeds een zuiver egocentrische houding en getuigt op geen enkele wijze van een universeel bewustzijn dat liefde voor alle leven voelt.

Hoe armzalig ons bewustzijn is, wordt pas duidelijk als je de toespraak van Chief Seattle uit 1854 terugleest. Het Indiaanse opperhoofd reageerde toen op het in zijn ogen absurde idee dat de ‘blanke man’ het land wilde bezitten. Wie bepaalt dat je opeens een stuk land kunt kopen en bezitten en je dit privaat kunt toeëigenen ten koste van de collectieve levenssfeer?

‘CAN YOU HEAR ME?’

“Het grote opperhoofd in Washington heeft gesproken: hij wenst ons land te kopen. (…) Maar we zullen over uw aanbod beraadslagen, want wij weten dat als wij ons land niet verkopen de blanke man met zijn geweren komt en het in zijn bezit neemt. Hoe kun je de lucht, de warmte van het land kopen of verkopen? Dit is voor ons moeilijk te bedenken. Als wij de prikkeling van het water niet kunnen bezitten, hoe kunt u het van ons kopen? (…) Mijn woorden zijn als sterren. Zij verdwijnen niet. Elk stuk van dit land is heilig voor mijn volk. Ieder spar die glanst in de zon, elk zandstrand, elke nevel in de donkere bossen, elke open plaats, elke zoemende bij is heilig in de gedachten en herinnering van mijn volk.”

‘CAN YOU HEAR ME?’

“Wij weten dat de blanke man onze manier niet begrijpt. Voor hem is het ene stuk grond gelijk aan het andere. Hij is een vreemde, die in de nacht komt en van het land neemt wat hij nodig heeft. Hij behandelt zijn moeder, de aarde en zijn broeder, de lucht als koopwaar, die hij kan uitbuiten en weer verkopen als goedkope kralen. Zijn honger zal de aarde kaal vreten en slechts een woestijn achterlaten.”

‘CAN YOU HEAR ME?’

“De lucht is kostbaar voor de rode man, want alles deelt dezelfde lucht. De dieren, de bomen, de mensen, alles heeft deel aan dezelfde lucht. (…) Wat is de mens zonder dieren? Als alle dieren weg zijn, zal de mens sterven aan een gevoel van grote eenzaamheid. Want wat er gebeurt met de dieren gebeurt spoedig met de mens. Alle dingen hangen samen. Wat er met de aarde gebeurt, gebeurt met de kinderen van de aarde.”

‘CAN YOU HEAR ME?’

“De mens heft het web van het leven niet gewoven. Hij is slechts één draad ervan. Wat hij met het web doet, doet hij met zichzelf.”

‘CAN YOU HEAR ME?’

“Een ding weten we en de blanke man zal het eens ontdekken – onze god en uw god is dezelfde. U kunt nu wel denken dat u hem bezit, zoals u ons land wil bezitten, maar dat kunt u niet. Hij is de god van alle mensen en zijn hart klopt evenzeer voor de rode als voor de blanke man. Deze aarde is hem lief en beschadigen van de aarde, betekent zijn schepper beledigen.”

‘CAN YOU HEAR ME?’

“Ook de blanke man zal ten ondergaan (…) Bevuil uw legerstee en u zult bezwijken aan uw eigen vuil. Maar in uw ondergang zult u vurig branden, aangestoken door de macht van de god, die u naar dit land heeft gebracht en u de heerschappij heeft gegeven over dit land en over de rode man. Dat noodlottig einde is voor ons een mysterie, want wij begrijpen niet waarom de buffels zijn afgeslacht, de wilde paarden zijn getemd, waarom de verste hoeken van het woud stinken naar de lucht van vele mannen en het rijpe koren op de heuvels overdekt is met praatdraden.

Waar is het struikgewas? Verdwenen! Waar is de adelaar ? Verdwenen!

Sapiens

Volgens een nieuw rapport van de Verenigde Naties dreigen binnen dertig jaar 1 miljoen dier- en plantsoorten uitgestorven te zijn.

‘CAN YOU HEAR ME?’

De meeste mensen niet.

We horen al decennia lang onheilsboodschappen, maar ze raken ons niet, omdat ons hart is ingeblikt. Verweg de meeste mensen leven puur vanuit hun hoofd een zakelijk en kil, cerebraal leven. We reserveren onze gevoelswereld voor een kleine kring van ‘speciale’ mensen, eventueel aangevuld met een ‘speciaal’ huisdier. Naar de rest van de wereld – mensen, dieren- en plantenwereld – zijn we bikkelhard en ijskoud. Hun lot raakt ons simpelweg niet, omdat we ons niet verbonden met andere levensvormen voelen.

Wat is hier gaande? Hoe kant het dat Chief Seattle zich verbonden wist met alle leven op aarde. Lees zijn toespraak er nog eens op na: Chief Seattle kent geen onderscheid tussen hemzelf en de wereld om hij heen. Zijn geest en die van zijn overleden voorvaderen, waarmee hij eeuwig verbonden is, stroomt in het water van de rivieren, glinstert in de dauwdruppels en zoemt in het geluid van de bijen. Chief Seattle kent alleen een universele geest en deze noemt hij God. Maar als Chief Seattle over God spreekt, dan bedoelt hij daar iets heel anders mee. Voor de blanke man is God allesbehalve een universele geest. Zijn existentieel verhaal is immers dat hij door God verbannen is uit Eden. Sindsdien zwerft hij als afgezonderd individu eenzaam over de aarde. En ook de aarde is problematisch: zij moet onderworpen worden, wil de mens zwoegend tussen de distels en andere vijandige natuurelementen overleven. Lees Genesis er maar op na: de visie van de blanke man op God en de aarde staat lijnrecht tegenover die van Chief Seattle, die zichzelf nog wel als inwoner van het paradijs beleefde, totdat de blanke man met zijn geweren kwam…

Wat is er met de blanke man gebeurd dat hij zichzelf zo afgescheiden van God en de schepping beleefd? Om dit te begrijpen kun je best het boek ‘Sapiens’ van Harari lezen. Harari geeft, in tegenstelling tot bijvoorbeeld Ken Wilber, geen allesomvattende verklaring voor de evolutie van homo sapiens, want hij laat elk geesteswetenschappelijk perspectief buiten beeld. Zijn visie is zuiver cognitief en gedragsmatig, waarmee hij zelf de beste exponent is van homo sapiens die de wereld om hem heen cognitief benadert. Volgens Harari is de blanke man, die vanaf de 15e eeuw Amerika koloniseerde, het exportproduct van de cognitieve revolutie (70.000 v.C.), welke zich in Eurazië en delen van Afrika voortzette in de agrarische revolutie (9000 v.C.). In de tijd dat Columbus in Amerika aan land ging, droegen de Europese kolonisten reeds de kiemen van de industriële revolutie met zich mee.

Chief Seattle en zijn volk volgden een ander evolutionair pad en hadden de overstap van jager naar landbouwer niet gemaakt. Pas met de landbouw gaat de mens samenlevingen op meer complexe wijze organiseren. Met de ontwikkeling van landbouw gaat de mens zich meer en meer op zichzelf fixeren in plaats van op het holistische intelligentie en cyclisch karakter van de natuur. Hierdoor gaat landbouw samen met de opkomst van een andere manier van denken: meer gericht op het eigen ego (sepratisme) en meer lineair-logisch. Immers, met de manipulate van natuurkrachten door middel van landbouw, kan de mens meer voedsel verbouwen (en opslaan), waardoor meer monden gevoed kunnen worden, gemeenschappen groeien, steden ontstaan, gespecialiseerde beroepen zich ontwikkelen, etc. Deze ontwikkeling, welke zich exponentieel versnelt, heeft geleid tot de samenleving van vandaag: een hypersnelle, materialistische, kapitalistische, technologische informatiesamenleving, waarin de mens in zijn beleving volledig autonoom van de natuur bestaat.

Het gevolg is massa-extinctie, want de blanke man heeft bij zijn kunstmatig ontwerp van eigen ‘ecosystemen’ op vrijwel geen enkele wijze de holistische intelligentie van de natuur geïntegreerd. Waterstromen heeft hij tot in steeds fijnmazigere netwerken gekanaliseerd. De blanke man neemt een bad in zijn steriel betegelde badkamer, waar de rode man een duik in het meer nam. Dde blanke man heeft de natuur volledig uit zijn leven gesloten. Hij eet voedsel verpakt in plastic, scheurt in zijn auto door het landschap en kijkt liever een natuurdocumentaire op Netflix, dan dat hij een boswandeling maakt. Voor de meeste stedelingen ligt zelfs een boswandeling buiten het bereik. Bedenk dat de in gang gezette ontwikkeling onomkeer is en dat we nu pas echt de stadia van vervreemding in gaan. Met de opkomst van biotechnologie zal de mens evolueren naar een vorm van ‘transhumanisme’, waarbij hij via steeds grotere technologische mogelijkheden zijn menselijke capaciteiten nog verder ontstijgt, tot het niveau waarop er een soort superras van mensen kan ontstaan. Met één groot probleem: deze supermens ontbeert een hart en daarmee belangrijke kwaliteiten als empathie, compassie, intuïtie en een ethisch kompas. De spirituele ontwikkeling van de mens heeft geen gelijke tred gehouden met zijn materiële en technologische ontwikkeling. Dit kon ook niet anders, want vanaf het moment dat de denkende mens zich volledig op zichzelf ging oriënteren, raakte hij de verbinding met het grotere geheel. Zelfs in zijn godsdiensten zette hij deze egofixatie voort, want hoe kunnen de  monotheïstische godsbeelden van Jahweh, God en Allah anders uitgelegd worden? Alle drie de godenbeelden zijn verdacht antropomorf, waarbij een Vaderfiguur afstand heeft genomen van zijn kinderen (zondeval), die hij overigens wel het beheer over de aarde toevertrouwt. Iets dommers kun je je nauwelijks voorstellen: welke godheid haalt het in zich hoofd om wezens die zichzelf als afgezonderd van de universele geest beleven tot hoeder van de holistische natuur aan te stellen? Als iemand in staat is om organismen – groot en klein – te ontrafelen, ontleden, uit elkaar te trekken en anderszins te vernietigen, dan is het homo sapiens: de mens die denkt, en precies daardoor alleen aan zichzelf denkt. Want in de rationale fase van de blanke man is analytisch denken alles bepalend. Dit denken veroorzaakt de scheiding tussen subject en object en dit is precies wat de blanke van de rode man onderscheidde. Chief Seattle kende dit scherpe onderscheid niet, waardoor hij zichzelf nog in een mystieke eenheid met de natuur beleefde. Lévy-Bruhl sprak in dit verband van ‘participation mystique’: de beleving waarin er van een duidelijke separatie tussen subject en object nog geen sprake is en de mens zichzelf op mystieke wijze als deel van het geheel ervaart.

Ken Wilber’s perspectief op evolutie

De vraag is: is er een ‘juist’ evolutionair pad? Getuigt de rationale fase van een hoger bewustzijn dan de bewustzijnsinstelling van de rode man? Als dit zo is, is de rationale fase van homo sapiens daarmee een noodzakelijk kwaad in de evolutie van het leven op aarde? Is er een teleologisch perspectief dat aan de rationale fase een cruciale waarde toekent, omdat zij kan leiden tot een nieuw niveau van bewustzijn die nog ongekend is? En hoe zal deze aankomende fase er dan uit zien? De Amerikaanse filosoof Ken Wilber heeft over dit alles nagedacht en zijn antwoord is: ja, de rationele fase is een noodzakelijk kwaad op weg naar een hoger bewustzijn dat hij de ‘centaurische’ fase noemt. Tijdens deze fase zal de mens zijn denken ontstijgen en daarmee de natuur verlossen van de egoïstische, alles vernietigende, superparasitaire homo sapiens. De blanke man zal inderdaad ten ondergaan, zoals ook de rode man ten onder is gegaan. De hoopvolle boodschap van Wilber is dat hieruit uiteindelijk een andere bewustzijnsvorm ontstaat. Deze zal zichzelf weer als deel van het geheel kennen. Maar anders dan wat Wilber de ‘magische’ fase van de indianen en andere natuurvolkeren noemt, waarin de mens zichzelf als het geheel kent, omdat hij zichzelf nog niet als ik of subject heeft leren onderscheiden, zal de mens vanaf de centaurische fase zichzelf steeds meer van ‘binnenuit’ als het geheel kennen. Dit wil zeggen: juist doordat hij zichzelf in de rationale fase als subject heeft leren kennen, zal hij uiteindelijk zijn eigen aard in alles wat leeft gaan herkennen, waardoor hij de gekmakende schizofrene scheiding tussen ik en buitenwereld zal overbruggen in een nieuwe vorm van bewustzijn. Dit nieuwe, non-duale bewustzijn is noodzakelijk transpersoonlijk van aard en volgt op de persoonlijkheid, welke in het laatste stadium ‘centaurisch’ genoemd wordt.

Ik wil er hier op wijzen dat ik niet uitsluit dat  mannen als Chief Seattle de hogere bewustzijnsfase reeds bereikt hebben. Het concept van ‘verlichting’, zoals we dit kennen vanuit het boeddhisme, kan toegeschreven worden aan de transpersoonlijke fase, waarvan bijvoorbeeld iemand als de veertiende Dalai Lama van getuigt. Ik zeg dus niet dat kolonisten van een hoger bewustzijn getuigden dan native Americans. Hun gedrag leek zeker van het tegendeel te getuigen. En toch moet je je op de symptomen niet blind staren, waarschuwt Wilber, die eveneens het concept van de ‘pre-trans-verwarring’ heeft geïntroduceerd.

Dit laatste beschrijft het gegeven waarin toestanden die de kenmerken van verlichting benaderen vaak ten onrechte worden toegeschreven aan een transpersoonlijke fase. Wilber merkt terecht op dat veel mystieke ervaringen voortkomen uit een regressie naar een symbiotische zijnsstaat waarin het individu tijdelijk stopt met denken, waardoor hij zijn ik-besef vergeet. Een dergelijke toestand lijkt op de symbiotische toestand waarin baby’s en kleine kinderen leven, in wie het denkvermogen nog nauwelijks op gang is gekomen, waardoor ze zichzelf in een vorm van ‘participation mystique’ met hun omgeving ervaren. Een dergelijke fase is prepersoonlijk, niet transpersoonlijk. De mens kent nog geen scherpe scheiding tussen subject en object, omdat hij zich van zijn eigen subjectieve aard nog niet bewust is. Hiervoor moet eerst, in de rationele fase, het denkvermogen zich ontwikkelen, waardoor de mens op zichzelf gaat reflecteren en zo een ego destilleert uit de oersoep van het bestaan. In de ontwikkeling van de mens duidt Wilber dit prepersoonlijk bewustzijn in drie opeenvolgende culturele fasen: de archaïsche, magische en mytische fasen.

Ik ga hier verder niet in op de inhoud van deze ontwikkelingsfasen, maar keer terug naar de kern van het betoog.

De rationele fase luidt de ontwikkeling van de persoonlijkheid in en daarmee ook van de scheiding tussen mens en natuur, zoals zo sterk tot uitdrukking komt in de monotheïstische godsdiensten die alle, niet ontoevallig, in agrarische samenlevingen zijn ontstaan. Monotheïsme met haar kenmerkend dualisme, zoals het onderscheid tussen God en zijn schepping of het onderscheid tussen goed en kwaad, is een typisch ‘rationele’ godsdienst. Het is dan ook niet verwonderlijk dat juist de monotheïstische godsdiensten het fundament hebben gelegd voor het wetenschappelijk denken. Want dankzij Jahweh, God en Allah werd de uit het paradijs verstoten mens volledig op zichzelf terug geworpen, waardoor hij zelf moest gaan nadenken over wat goed en kwaad is. Door de mens uit de omstrengeling met de universele geest te rukken, hebben joden, christenen en moslims de basisvoorwaarden voor het wetenschappelijk denken en daarmee de opkomst van het atheïsme geschapen. Atheïsme is het kenmerk van de rationale fase en heeft één groot voordeel en één levensgevaarlijk nadeel. Haar voordeel is dat zij de mens volledig verantwoordelijk maakt voor zijn eigen bestaan. Haar nadeel is dat ze diezelfde mens van elke vorm van zingeving berooft en het natuurlijke leven ontheiligt. Immers, de natuur is in de atheïstische visie van Darwin & Co. niet het heilig fabricaat van de universele geest, maar een toevallig bijproduct van natuurkundige processen. Met de definitieve ontheiliging van de natuur werd impliciet een mandaat afgegeven om de natuur te plunderen, verkrachten, uit te buiten en haar vele dier- en plantsoorten uit te roeien. Een logisch bijproduct van de rationale fase, welke de rationele mens uiteindelijk fataal zal zijn.

Tot slot, noem het crue, maar vanuit een eveneens zuiver rationeel perspectief is het noodzakelijk lot van de rationele mens dat hij uiteindelijk zichzelf dreigt uit te roeien. Dit is een logisch gevolg van de eigen egoïstische houding. De egoïstische mens mag dan denken dat hij onafhankelijk van de natuur kan leven, hij is er een intrinsiek onderdeel van. Zodra ecosystemen op grote schaal gaan instorten zal hij de gevolgen van zijn eigen denk- en gedragswijzen ondervinden in de onafwendbare ondergang van minstens een groot deel van de menselijke beschaving en wereldbevolking. Ik betrek dit overigens ook op mezelf, rekening houdend met het idee dat ik nog in dit leven ecologische rampen mee kan maken van ongekende proporties. Dit is volgens mij momenteel ons onafwendbare lot.

Van ecologie naar ecosofie

Willen we het tij nog keren, dan moeten we ons egobewustzijn afleggen. Dit is makkelijker gezegd dan gedaan.

Ik ga hier niet in op hoe de mens in de transpersoonlijke fase geraakt, de fase die volgt op de rationeel-persoonlijke fase. Waar het me in dit verband om gaat is dit.

Willen we het voortbestaan van het leven op aarde redden, dan moeten we voorbij de persoonlijke fase groeien naar een transpersoonlijk bewustzijn dat opnieuw alles inhoudt. Hierin kent de mens zichzelf weer als deel van het geheel, waardoor het onmogelijk wordt om het geheel nog langer te beschadigen, omdat je hiermee nimmers ervaart dat je een intrinsiek deel van jezelf schade toebrengt.

De mens die zichzelf een onderdeel voelt van de natuur zal van nature een natuurbeschermer zijn. De Noorse filosoof Arne Naess spreekt in dit vervand van ‘ecosofie’ en ‘deep ecology’. Ecosofie is de transpersoonlijke of centaurische tegenhanger van ecologie, een vinding van de rationele mens in de persoonlijke of egoïstische fase. Misschien begin je te bevatten wat ons probleem is (al decennia lang): ecologie werkt niet. Ecologie vraagt immers van ego’s die nog volop bezig zijn om hun eigen ik te versterken, verrijken of simpelweg veilig te stellen, dat zij een offer brengen ten gunste van het geheel. Heb je wel eens gemerkt hoe moeilijk het is om daadwerkelijk een wezenlijke verandering aan te brengen in je houding en gedrag. We doneren een beetje geld aan Greenpeace, maar vrijwel geen ego zal het in zijn hoofd halen om de helft of meer van zijn inkomen te besteden aan milieubescherming en natuurbehoud. (Terwijl dit soort orden van grootte wel noodzakelijk zijn in de huidige fase.) Ecologie is een verstandelijk construct dat kwantificeert hoeveel schade vergoed moet worden om het natuurlijk evenwicht te herstellen. In de rationele fase, waarin de mens zichzelf gescheiden van Gaia beleeft, creëert ecologie een acute patstelling tussen mijn belang versus het belang van het collectief.

De naam ‘Gaia’ is een term die past binnen de sfeer van ecosofie, waarbij de mens niet langer een scherpe scheiding ervaart tussen zichzelf en de aarde, dat hij als een integraal levensweb ervaart. Een ecosoof weet dat hij onlosmakelijk is verbonden met het geheel. Hij weet dus ook dat wat hij aan het geheel geeft uiteindelijk zijn eigen welzijn en welvaart ten goede komt. Eveneens weet hij dat wanneer zelfs de kleinste of zeldzaamste diersoort uitsterft er een kostbaar schakel uit het levensweb wegvalt, wat zekere consequenties voor het geheel – en dus ook de mens – zal creëren.

Chief Seattle was een ecosoof, geen ecoloog. Ik laat hierbij in het midden of zijn ecosofie ingegeven was vanuit een prepersoonlijk of transpersoonlijk bewustzijn. Feit is, willen we de aarde redden, dan moeten we Gaia leren kennen. Deze uitspraak lijkt wazig, maar is indachtig Einstein’s inzicht dat de oplossing van een probleem niet op hetzelfde niveau gevonden kan worden. Als de denkende mens het leven op aarde naar de ondergang stuwt, dan zal het denken overstegen moeten worden. Homo sapiens moet langs transpersoonlijke weg tot homo universalis worden. Hij moet de aarde niet meer als een object buiten zichzelf beschouwen, maar beleven dat hij intrinsiek deel uitmaakt van één planetair organisme dat Gaia heet. Elke dier- en plantsoort, en ook de vier elementen, zijn waardevol vanuit zichzelf en hebben het fundamentele recht om te leven en hiervoor de noodzakelijke levensruimte in te nemen.

Can you hear me?

De voorspelling van Chief Seattle is (natuurlijk) uitgekomen: de blanke man heeft in zijn honger de aarde kaal gevreten, zijn ondergang is nabij. Voor ecologen vormen zijn woorden een ‘mooie toespraak’, zoals wereldleiders, aangevuurd door spin doctors en speech writers, de een na de andere zinloze mooie toespraak houden. Hun woorden zijn gericht aan de dovemansoren van ecologen. Het is te hopen dat in deze cruciale fase er genoeg ecosofen ontwaken. Dit zijn mensen die vanuit hun hart gaan leven, omdat ze de meest basale natuurwet van het universum zijn gaan begrijpen. Deze luidt: geven = ontvangen. In een kosmos waarin alles met elkaar verbonden is, is de hoeveelheid energie die je ontvangt linea recta gerelateerd aan de energie die je geeft. Energie is de basisgrondstof van het universum en neemt vele vormen aan, zoals liefde, levenslust, welzijn, maar ook materiële welvaart.

Ecologen menen nog dat aarde en mensheid te redden is dankzij nieuwe technologische toepassingen. Hun materiële blik op het universum verduistert het zicht op de onderliggende immateriële wetten en principes. Zij houden geen rekening met wetten als karma (‘je oogst wat je zaait’).

Ik sluit af met de gewijde woorden van ecosoof Seattle, gericht tot het hart van de blanke man:

“Onze daden vergeten dit prachtige land nooit: het is de moeder van de rode man. Wij zijn een deel van de aarde en de aarde is een deel van ons. De geurende bloemen zijn onze zusters, het rendier, het paard, de grote adelaars, onze broeders. De schuimkoppen in de rivier, het sap van de weidebloemen, het zweet van de pony en van de man – het is allemaal van hetzelfde geslacht, ons geslacht.”