De weg naar je ware zelf

Nieuws

Naar de ziel, voorbij de persoonlijkheid

Alle artikelen, Antroposofie, Dieptepsychologie, Mystiek & gnosis

In deze tijd is het de bedoeling dat de kloof tussen de persoonlijkheid en de ziel wordt overbrugd. Parallel hieraan zal het schisma tussen psychologie en esoterie worden geheeld. De fusie tussen ziel en persoonlijkheid, esoterie en psychologie zal lange tijd in beslag nemen en volgt de stroom van de overgang van het Vissen- naar het Watermantijdperk.

De aankondiging van de fusie van persoonlijkheid en ziel werd aan het eind van de negentiende en de eerste helft van de 20e eeuw gegegen door theosofen en antroposofen. Met name in de boeken van Alice Bailey, die gecentreerd zijn rondom de vorming van een nieuwe, esoterische psychologie, wordt de brug geslagen tussen persoonlijkheid en ziel. Niet alleen in theorie, maar ook via een praktisch Pad dat tot de dag van vandaag onderwezen wordt binnen de Arcane School.

Een centraal begrip in de esoterische leer van Bailey is afgeled van het hindoeïsme en heet ‘antahkarana’. In de Edda, de Scandinavische scheppingsmythen, wordt dit de ‘Regenboogbrug’ of ‘Bifröst’ genoemd die de fysieke aarde met de geestelijke werelden verbindt. Kenmerk van de stoffelijke, aan de aarde gebonden mens is dat deze zich heeft afgekeerd van het goddelijke. Dit wordt beschreven in het verhaal van de zondeval. In de na-Atlantische tijd is de ziel via het proces van involutie diep ingedaald in de stof, waardoor er een kloof is ontstaan tussen de fysieke persoonlijkheid aan de ene kant en de geestelijke mens. In de bijbel staat geschreven dat sinds Adam en Eva het paradijs (de geestelijke wereld) hebben verlaten, wachters de toegang tot het paradijs bewaken. De mens moet zijn lager zelf doorleven, uitzuiveren en afleggen, wil hij via de ziel (hoger zelf) toegang krijgen tot de hogere geestelijke wereld. In de Noordse mythologie heet deze wachter op de drempel naar het paradijs overigens Heimdall. Zijn naam geeft aan dat ons ‘thuis’ (‘heim’) zich in het paradijs bevindt.

Lager en hoger zelf

Sinds de mens van de boom van de kennis van goed en kwaad heeft gegeten, heeft hij zijn bewustzijn vergiftigd en begiftigd met de proefondervinderlijke ervaring van dualiteiten. Hij is hierbij op eigen houtje gaan scheppen en heeft werelden in bestaan geroepen die niet langer een zuivere afspiegeling van het goddelijke ideaal van het Ware, Goede en Schone. Steiner beschrijft hoe de ziel, verleid door Lucifer en Ahriman en andere asoerische wezens, een grofstoffelijk lichaam heeft gecreëerd (geprojecteerd), waarin de ziel is gaan wonen. Bijgevolg hebben we een begeertelichaam geschapen dat geleid wordt door blinde instincten, overlevingsdrang en egoïstische motieven. Het darwinistisch concept van ‘survival of the fittest’ geeft hieraan uitdrukking, maar kan absoluut dienen als een sleutel tot de verklaring van de werkelijkheid. Sterker, de lagere vibraties of uitstralingen van de ziel, zoals tot uiting komend in het fysieke, astrale (begeerten) en het concrete verstand met zijn egoïstische drive tot zelfbehoud, zijn werelden die niet overeenkomen met het goddelijk scheppingsplan en zijn zodoende gedoemd af te sterven. Alles wat het goddelijke niet weerspiegelt is per definitie anti-goddelijk en daarmee tijdelijk in plaats van eeuwig van aard. In het Oosten wordt de wereld van het lager zelf (fysiek lichaam, astraal lichaam en verstand) daarom ‘maya’, een illusie, genoemd.

Reïncarnatie is het mechanisme om de lagere werelden op te heffen. De ziel projecteert telkens weer nieuwe, nog onbewuste facetten in de vorm van een tijdelijke persoonlijkheid die het omkleedt met een fysiek, etherisch (levensvitaal), astraal (begeerte) en lager mentaal (verstand) lichaam. De hogere delen van de ziel, die nog wel in overeenstemming zijn met het goddelijk ideaal, incarneren niet, maar moeten door de persoonlijkheid door activiteit in de illusiewerelden van het lager zelf getrokken worden. In Genesis wordt dit beschreven als: “Je [de mens] hebt gegeten van de boom die ik je had verboden. Vervloekt is de akker om wat jij hebt gedaan, zowegen zul je om ervan te eten, je hele leven lang. Dorens en distels zullen er groeien, toch moet je van zijn gewassen leven. Zweten zul je voor je brood, totdat je terugkeert tot de aarde, waaruit je bent genomen: stof ben je, tot stof keer je terug.”

Lijden is het leidend principe van reïncarnatie, want door het lijden van het lager zelf, komt het hoger zelf als ideaal in zicht. Door levens lang de lagere persoonlijkheid om te vormen, wordt deze opnieuw tot een spiegelbeeld van het ware, hoger zelf. Steiner beschrijft hoe de mens in deze tijd, de zogenoemde Germaans-Angelsaksische cultuurperiode, de Augiasstallen van zijn astraal lichaam moet uitmesten, zodat doorheen de egoïstische begeerten het Manas van goddelijke wijsheid zichtbaar wordt en ontvangen kan worden.

Manas is het goddelijke tegendeel van het lagere, egoïstische verstand, dat verstrikt is geraakt in lineair-logische redeneringen volgens een causaal principe. Manas is het acausale, hogere mentale ‘weten’, dat weet heeft van de goddelijke werkelijkheid en dat het denkvermogen geheel richt op het realiseren van het goddelijk ideaal. Het denken zal hierbij dus niet ‘misbruikt’ worden, zoals nu het geval is, om de aardse persoonlijkheid tot voordeel te zijn. Dit is investeren in de illusie, waardoor de mens zijn lager zelf versterkt en dus meer tegenkrachten vanuit de goddelijke werkelijkheid zal gaan ervaren dat zijn lijden doet toenemen. Dit karmisch proces zet zich net zo lang door totdat het lijden ondraaglijk is geworden en het lager zelf zich wel moet richten op het goddelijk ideaal.

De cultuurperioden volgens Steiner

De Germaans-Angelsaksische cultuurperiode, waarbij het astraal of lager begeertelichaam door de hogere rede van het mentale wordt uitgezuiverd duurt nog tot 3573 na Christus. Deze tijd is begonnen in 1413 en duurt, net als een astrologische tijdsperiode, dus 2160 jaar. De cultuurperioden van Steiner stemmen echter niet overeen met de astrologische tijdsperioden, volgens welke we sinds het jaar 0 – de geboorte van Christus – in het Vissentijdperk zijn, tot 2160, waarin de Watermantijd volledig aanvang neemt. Het uitzuiveren van het astraal begeertelichaam met behulp van Manas (hoger mentale) is dus een wisselwerking tussen Waterman (mentaal) en Vissen (zuiveren).

Overigens, we bevinden ons momenteel in de vijfde cultuurperiode van het na-Atlantische tijdperk. Hiervoor is in de Indische cultuurperiode (7227-5067 v. Chr.) Atman ‘geïnstalleerd’: dit is de goddelijke Wil, die na de ondergang van Atlantis, waarbij de mens tegen de goddelijke wil in ging, als eerste opnieuw ontwikkeld moest worden. Dit was de tijd van de Rishi’s van het oude India die, zoals opgetekent in de Upanishaden en andere Vedische geschriften, in alles de goddelijke wil openbaarden.

In de tijd erna, de Perzische cultuurperiode (5067-2907 v. Chr.), is Buddhi of Liefde-Wijsheid ‘geïnstalleerd’. In deze periode daalde de ziel dieper in in de stof, waardoor de noodzaak tot het onderscheiden van goed en kwaad via liefdevolle wijsheid en wijze liefde noodzakelijk werd. De ziel raakte immers verder af van het goddelijk ideaal en had zodoende een goddelijke leidsman nodig in de vorm van verheven idealen. Deze werden verpersoonlijkt in Zarathustra, de grote Perzische wijze die in onze cultuurperiode opnieuw bij monde van Friedrich Nietzsche het woord heeft genomen in ‘Aldus sprak Zarathustra’.

In de daarop volgende Babylonisch-Chaldeeuws-Egyptische cultuurperiode (2907-747 v. Chr.) werd Manas of actieve intelligentie ‘geinstalleerd’. Het is de tijd van de opbloei van de geesteswetenschappen die de geestelijke idealen met mathematisch-astronomische precizie beschrijven en aldus verankeren in het zich ontwikkelend intellect van homo sapiens sapiens.

De vierde cultuurperiode – de middelste in een reeks van zeven – vormt de hoeksteen van de cyclus, dit is de Grieks-Romeinse cultuurperiode (747 v. Chr.-1413 n. Chr.). De mens komt bij zijn volle verstand en ontwikkelt een ijzersterk ego dankzij de gift en het gif van het zelfbespiegelende, discursieve denken die de mens afsplijt van de zich omringende wereld. Het is de tijd van de gladiatoren die tegen de leeuwen in de arena vechten, de stichting van democratieën die ten onder gaan aan corrumperend machtsmisbruik en de definitieve drift tot onderwerping van wereld en natuur. Het ego of afgescheiden zelfbewustzijn breekt uit het hem omringend geestelijk ei van Atman (goddelijke wil), Buddhi (liefde-wijsheid) en Manas (goddelijke intelligentie) en keert zich hiervan af. In deze pubertijd kruisigt de mens zichzelf als zoon van God aan het kruis van ruimte en tijd, een noodzakelijkheid. Want alleen in de ‘dwangbuis’ van ruimte en tijd gaat de mens zichzelf als een van God gescheiden individu beleven met een eigen, vrije wil. De laatste is de gift van de Grieks-Romeinse tijd en absoluut noodzakelijk, want een goddelijk wezen als de mens kan alleen vanuit eigen wil terugkeren naar de werkelijkheid.

En zo wordt uit de puinhopen van het Romeinse rijk, waarin de egoïstische mens (Romulus en Remus) gezoogd wordt door een wolf, de Germaans-Angelsaksische cultuurperiode – onze huidige tijd – geboren.

Na deze vijfde cultuurperiode volgen nog de Slavische cultuurperiode (3573 n. Chr.-5733 n. Chr.) en de Chinees-Amerikaanse cultuurperiode (5733 n. Chr.-7893 n. Chr.).

De zesde, Slavische cultuurperiode vindt plaats op de overgang van Waterman naar Steenbok en de zevende, Chinees-Amerikaanse cultuurperiode vormt de brug van Steenbok naar Boogschutter, waarna de na-Atlantische era zal zijn afgesloten en opgevolgd wordt door een ‘pralaya’, een rustperiode vergelijkbaar met de zondvloed na Atlantis en voordat Noa aan land ging en de Indische cultuur vormde.

In de Slavische cultuurperiode is het de opdracht om Buddhi – de liefde voor al wat leeft – in het etherlichaam te integrereren. Dit lichaam wordt gevormd door levensvitale energie of ether die de blauwdruk vormt voor de vorming van alle fysieke leven. In de bijbel wordt dit beschreven als het neerdalen van de tweede Messias, de liefde van Christus die dan gemeengoed kan worden. Vandaar dat deze tijd ook ‘Filadelphia’ wordt genoemd.

Wanneer de kracht van goddelijke liefde bewust in het etherlichaam stroomt, zullen enkelen als ‘Meesters van het Verre Oosten’ worden. Baird T. Spalding beschrijft in zijn gelijknamige boek hoe de mens in de laatste cultuurperiode (Chinees-Amerikaans) in staat zal zijn om met zijn Wil (met een hoofdletter, omdat de mens zich opnieuw spiegelt naar het goddelijk ideaal) de wetten van materie op te heffen, waardoor we als goden op Aarde zullen zijn en Atman in ons fysieke lichaam bewust zullen dragen.

De werking van cultuurperioden

Steiner noemde Atman de ‘geestmens’. Zoals beschreven is deze ruim 9000 jaar geleden in de Indusvallei ‘geïnstalleerd’ tijdens de oud-Indische cultuurperiode. Het is een periode van hoge geestelijke bloei, maar we moeten niet de vergissing maken door ons huidig grofstoffelijk bewustzijn in deze tijd te projecteren. De verbinding met de ziel was toen sterker aanwezig en de mens was minder diep geïncarneerd, minder ingedaald in de stof, waardoor zijn bewustzijn anders, meer ‘mystiek-dromerig’ was, in tegenstelling tot het harde, concrete bewustzijn van de huidige mens.

Verder is het belangrijk te beseffen dat ‘tijden’ verbonden zijn aan ‘geesten’, waar de term ‘tijdsgeest’ naar verwijst. Tijdsgeesten zijn reële, kosmische krachten of energievelden die door Steiner ‘archai’ worden genoemd. In de geestelijke hiërarchie zetelen de archai boven de aartsengelen, die verbonden zijn aan volkeren en naties, en engelen, het niet geïncarneerde hoger zelf van de individuele mens.

De archai of tijdsgeest van de Germaans-Angelsaksische cultuurperiode is een geheel andere dan de tijdsgeest van het oude India, Perzië, Egypte of de Grieks-Romeinse tijd. De huidige tijdsgeest wordt heel accuraat beschreven in de Germaanse saga ‘Der Ring des Nibelungen’, gecomponeerd door Wagner. Het betreft een cyclus van vier opera’s: ‘das Reingold’, ‘die Walküre’, ‘Siegfried’ en ‘Götterdammerung’. In het laatste deel wordt de diepste bedoeling van deze tijd weergegeven: de ondergang van de godenwereld, waardoor de mens geheel op zichzelf, in zijn eigen bewustzijn komt te staan en hij in zichzelf de hogere, transpersoonlijke krachten moet ontplooien die hij in eerdere tijden als goden buiten zichzelf beleefde. In de Watermantijd moet ieder mens vrij worden om zelf Manas of door geestelijke waarden geïnspireerde intelligentie in zijn krachtveld werkzaam te laten zijn. In de eerdere drie opera’s wordt verteld hoe de oude helden, verpersoonlijkt door Siegfried, zich niet langer op de godenwereld kunnen verhalen en daardoor gedoemd zijn ten onder te gaan. De mens moet in de materiële wereld ten onder gaan – in zijn eigen gecreëerde systemen van hyperkapitalisme en individualisme – om uiteindelijk, gelouterd door het lijden, zich om te buigen en te richten op de geestelijke wereld. Daarom ook zal het devies van de Watermantijd groepswerk zijn, waarin gemeenschappelijke idealen, geënt op geestelijke waarden (weer) leidend zullen zijn.

Archai wisselen elkaar in werkzaamheid af, waardoor cultuurperioden komen en gaan. Alle archai samen worden weer verbonden door hogere geestelijke krachten, die in het samenspel van tijdsgeesten een perfecte symmetrie hebben gelegd.

Zoals gezegd, staat de Grieks-Romeinse tijd naar haar eigen aard op zichzelf: in deze tijd wordt een sterk ego gebaard en gezogen door, hoegenaamd, de ‘wolvennatuur’ in de mens.

Onze Germaans-Angelsaksische periode, de vijfde, spiegelt de derde cultuurperiode: de Egyptische tijd, waarin het fundament voor Manas werd gelegd. Het verschil tussen toen (Egyptische tijd) en nu (Westerse tijd) is dat toen Manas en astraal lichaam nog relatief gescheiden waren. De mens leefde meer vanuit Manas en had zijn begeertelichaam nog niet zo ver ontwikkeld én verduisterd. De Egyptische tijd is gebouwd op de brug van de astrologische tijdperken Stier en Ram, er was nog een verbinding met het vuur der goden. Pas in de Griekse tijd wordt de Prometische mens, die he vuur der goden voor eigen begeerten gaat misbruiken, noodzakelijk gekluisterd aan de rotsen van de Kaukasus, waarvan hij pas in de zesde, Slavische cultuurperiode bevrijd zal worden, omdat de mens dan verbinding heeft met Buddhi: liefde-wijsheid en hij meer ethisch-etherisch te werk zal gaan. De zesde, Slavische cultuurperiode weerspiegelt zodoende de tweede, Perzische cultuurperiode toen Buddhi werd ‘geïnstalleerd’ op de brug van Tweelingen naar Stier. Tot slot spiegelt de laatste, zevende Chinees-Amerikaanse cultuurperiode de eerste van de cyclus: de Indische periode, welke de dageraad van Atman inluidt op de overgang van Kreeft naar Tweelingen.

Voor wie bekend is met de symboliek van de dierenriem: in Kreeft liggen alle dualiteiten van de ziel nog als paradox in eenheid besloten, waar in het beeld/tijdperk van Tweelingen de dualiteit begint. Dit is de overgang van de oer-Indische eenheidstijd naar de dualiteit van goed en kwaad in de oud-Perzische tijd van Zarathustra.

Esoterische psychologie

Alice Bailey was een bruggenbouwer. In haar zelf het antahkarana, de Bifröst, gerealiseerd hebbend, was zij in staat een nieuwe leer voor de overbrugging van de oude naar de nieuwe tijd of het lager zelf (persoonlijkheid) naar het hoger zelf (ziel) te bouwen. Deze leer is onder andere bekend om haar visie van de ‘esoterische psychologie’, een integratie tussen psychologie en spiritualiteit. Zij was haar tijd ver vooruit. Nu, honderd jaar later, is haar visie nog amper gerealiseerd. Psychologie is zelfs sinds de tijd van Freud en Jung in de eerste helft van de 20e eeuw verschrompeld tot een neurotisch gefixeerde materialistische psychologie die de mens reduceert tot een berg hersencellen. De kloof met de voortgaande ontwikkeling van geesteswetenschappen (Steiner en anderen) lijkt onmenselijk groot.

In de esoterische psychologie gaat het er overigens niet meer om de individuele mens te ‘redden’. Bailey, die onder inspiratie stond van de Tibetaan Djwhal Khul, beschrijft hoe in de nakende Watermantijd de geestelijke en psychologische ontwikkeling binnen het groepsbewustzijn belangrijker is dan de narcistische noden en pijnen van het individuele ik. Binnen de esoterische psychologie gaat het erom dat de aspirant-discipel zich geestelijk ontvankelijk maakt voor hogere, (supra)mentale krachtvelden die boven de emotionele wateren en individuele zielenroerselen uitreiken.

De kosmos is één bezield, levend organisme. Zij wordt doorstraald door energieën. In de leer van Bailey worden zeven (hoofd)stralen onderscheiden. De eerste drie stralen komen nagenoeg overeen met de eerdere begrippen Atman, Buddhi en Manas en zijn:

1e straal: Wil (Atman)

2e straal: Liefde-Wijsheid (Buddhi)

3e straal: Intelligentie (Manas)

De overige vier stralen zijn:

4e straal: Harmonie door conflict

5e straal: Concrete kennis of wetenschap

6e straal: Toewijding en abstract-idealisme

7e straal: Organisatie of ceremoniële orde

In de esoterische psychologie wordt de nadruk gelegd op het ontvankelijk maken van de mens voor de inwerking van de hogere, geestelijke sferen welke Aarde en mens bestralen. Dit gebeurd door training via meditatie, studie en dienstbaarheid aan de gemeenschap.

De mens heeft nog een lange weg te gaan. Het Vissentijdperk is op zijn beloop, maar duurt nog 140 jaar. Dit is de tijd waarin Hercules, de mens in dienst van zijn ziel, de Augiasstallen van zijn astraal lichaam dient uit te zuiveren, om vervolgens in de Watermantijd maximaal ontvankelijk te zijn voor de hogere, (supra)mentale inwerking van de zuivere ideeënwereld. Waterman staat tevens symbool voor het mentale, de ‘mind’, maar ook energie en elextriciteit. Het gaat er in de komende tijd mentale impulsen op gang te brengen die de psyche – individueel en collectief – met radicaal nieuwe ideeën kunnen electrificeren. Een tot bedaren gebracht begeertelichaam (astraal), dat door een hoge ethiek in toom wordt gehouden is hierbij een voorwaarde. Nieuwe vormen van psychologie die op de brug van het Vissen- naar het Watermantijdperk worden ontwikkeld, zullen daarom meer mentaal dan emotioneel gericht zijn. Bedenk wel dat ‘mentaal’ iets geheel anders is dan ‘verstandelijk-cognitief’. Het laatste is het dwingend korset van het egoïstische, concreet-logisch denkende verstand. Mentaal, daarentegen, is het associatief-intuïtief vermogen om door te dringen tot de (supra)mentale matrix waarlangs macro- en microkosmos ontworpen zijn. Het gaat hierbij meer om het blootleggen en toepassen van archetypische krachtvelden, zoals deze bijvoorbeeld in de kabbalistische levensboom of de astrosofia (géén astrologie) van de dierenriem en ons zonnestelsel tot uitdrukking komen.

 

© Sander Videler, 2020 (www.sandervideler.com)